Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

28.1.11

Veurne: De Boeteprocessie



Dit is hoofdstuk 2 uit de roman De paus van Satan van Patrick Bernauw & Philip Coppens:

Robrecht II was de oudste zoon van Robrecht I van Vlaanderen, ook bekend als de Fries, en Gertrude van Holland. Zijn zus, ook een Gertrude, zou de moeder worden van Diederik van den Elzas, die het Heilig Bloed naar Brugge bracht. Robrecht de Fries was een raadselachtig personage: van 1085 tot 1091 was hij op een geheime missie in het Heilig Land – officieel was het een pelgrimage, officieus een verkenningstocht. Hij stierf een paar jaar voordat tot de eerste kruistocht werd opgeroepen door paus Urbanus II.
Zijn zoon trok samen met Godfried van Bouillon naar Jeruzalem. In Constantinopel moesten de kruisvaarders aan Keizer Alexius I Comnenus beloven al het land dat ze zouden veroveren terug te geven aan het Byzantijnse Rijk. Robrecht, wiens vader al onder Alexius had gediend gedurende zijn ‘pelgrimage’, had hier geen problemen mee. Sommige andere leiders van het kruisvaardersleger wel.
Jeruzalem werd veroverd in juli 1099. Ondertussen had ‘de Bevrijder van het Heilig Graf’ al een twijfelachtige roem vergaard als een kruisvaarder die een wreed genoegen schiep in moordpartijen en plunderingen. Zo leverde de buit die hij meebracht uit het Heilig Land hem nog een andere bijnaam op: Robrecht van Jeruzalem. Toen hij langs Constantinopel naar huis terugkeerde, weigerde hij het voorstel van de Byzantijnse keizer om in zijn dienst te blijven, maar aanvaardde hij een reliek als afscheidsgeschenk: de arm van Sint Joris.
Relieken. De middeleeuwers waren er gek op. Robrecht van Jeruzalem, Bevrijder van het Heilig Graf, keerde terug naar zijn graafschap Vlaanderen met een splinter van het Ware Kruis die hij aan Sint- Walburga van Veurne schonk. ‘Laat ieder jaar weer een Boeteprocessie door de straten van Veurne trekken,’ beval hij, ‘waarin het leven en het lijden van Christus worden uitgebeeld in een mysteriespel. En laat de splinter van het Ware Kruis het middelpunt zijn van het gebeuren.’
Onwillekeurig moest ik glimlachen toen ik die passage las. Want ik herinnerde mij de woorden van Johannes Calvijn, dat er tegen het eind van de middeleeuwen zoveel kerken beweerden een splinter van het Ware Kruis te bezitten dat ze voldoende hout moesten opleveren om een heel schip te bouwen. Maar goed… Het is natuurlijk het geloof van de mensen dat een stukje hout verandert in een kostbare reliek met bovennatuurlijke krachten. En wie durfde te zeggen dat zich onder de vele valse stukken niet het ene ware verborg?
Zo begaf ik mij dus naar Vlaanderen, naar het kleine stadje Veurne, om de Boeteprocessie te zien. Ik was toen nog niet afgedaald in de diepste krochten daar beneden; ik had de verdoemden nog niet in het wit van de ogen gekeken. Het was de laatste zondag van juli 1888 en mijn toekomstige biografen draaide ik een rad voor de ogen, zoals ik daarna zo vaak heb gedaan. Ik liet ze geloven dat mijn jaarlijks verlof aanving op 31 juli en dat ik Parijs verliet met bestemming Hamburg, Keulen, Berlijn… waar ik enkele Duitse Primitieven wilde bezoeken. Later tijdens die merkwaardige zomer van 1888 zag ik inderdaad de adembenemende Kruisiging van Matthias Grünewald, die zo geweldig tot mijn verbeelding sprak. Maar voordat ik naar Duitsland vertrok, ging ik eerst nog de Vlaamse Primitieven bekijken, in Veurne. En het Passiespel dat zich daar voor mijn verbijsterde ogen ontrolde, maakte een al even onvergetelijke indruk op mij als mijn eerste confrontatie met de Kruisiging van Grünewald.
Sommige taferelen waren gedramatiseerd: acteurs speelden personages uit het Oude en het Nieuwe Testament. Andere scènes werden geïllustreerd met behulp van houten poppen, die op platformen waren geplaatst en door boetelingen op de schouders werden gedragen. Engelen reciteerden verzen waarin werd beschreven wat het volgende tafereel uitbeeldde. Aan het eind van de stoet verscheen de Heilige Hostie, omringd door bisschoppen. Waar het Sacrament voorbij kwam, knielden de toeschouwers in aanbidding neer.
In de nabijheid van de kerk van de heilige Walburga werd de stoet gevormd, tussen dampende paarden van Romeinse soldaten. Maria zat op een ezel te wachten om naar Egypte te vluchten. Verderop stonden karren met de stal van Bethlehem en het Heilig Graf. Uit de kerk trad een lange rij maagden met rode konen en witte sluiers inaan het licht. Ah, de onschuld! Die duivelse Onschuld!
En toen, toen was het alsof er een rivier ging stromen door de straten van Veurne – een rivier van goud en zilver, van blauw en purper. En op die rivier voer een praalwagen waarop Abraham zijn Offer bracht, zoals hij dat ieder jaar deed, al vele eeuwen lang. En langs deze rivier profeteerden de Profeten over de Plagen van Oorlog, Pest en Hongersnood terwijl mannen, vrouwen en kinderen Jeruzalem binnen trokken, wuivend met palmen en het Hosannna zingend.
En zie, daar was J.K. tijdens het Laatste Avondmaal, en daar was J.K. in de Tuin van Olijven, en daar was J.K. tijdens de Geseling en J.K. met de Doornenkroon.
Ecce Homo.
En hier had je weer een andere J.K. – nog een tweelingbroer, nog een dubbelganger – die het Ware Kruis torste. Hij werd niet langer gevolgd door twaalf apostelen, maar door twaalf soldaten. En door zijn beulen die de Instrumenten van de Foltering droegen.
Het verhaal was bekend, ik had het al zo vaak gehoord, en ik had het gezien op vrome prenten. En zien was geloven. Maar hier, in Veurne, zag ik in een overtreffende trap. Hier werd ik een ziener in de bovennatuurlijke zin van het woord. Zodra je het kosmische patroon herkende, kon je de gebeurtenissen voorspellen. Werd je een profeet. Transformeerde het aloude sprookje plotseling in een onontkoombare realiteit. Alsof de geschiedenis zich herhaalde. En tastbaar werd. Zo tastbaar.
De opwinding van de menigte. De volmaakte stilte. De intensiteit waarmee mannen, vrouwen, kinderen baden, geknield, luid, de parels van een rozenkrans glijdend door de eeltige vingers van een hand krom van reuma. In alle ramen brandden kaarsen, terwijl arme oude vrouwtjes nederig een schamel handvol centen aan het Ware Kruis offerden, alsof het Maria en Magdalena kon troosten die huilend en weeklagend achter weer een andere J.K. aan strompelden.
Zijn hoofd van bloed en wonden. Veronica met de sluier, doordrongen van zijn bloed, zweet en tranen. Een engel die zei dat allen die hun lot beklaagdenoegen beter even zouden stilstaan bij het lijden van Onze Lieve Heer. En nogmaals de Arma Christi, de Werktuigen van de Passie, deze keer meegedragen door penitenten – spijkers, gesel en geselkolom, lans, dobbelstenen, rietstok, doornenkroon, emmer (voor azijn), spons, hamer, tang, het opschrift ‘INRI’. Kleine rouwende meisjes bij de kar van het Heilig Graf, Onze- Lieve- Vrouw van Smarten, de Opstanding en ten slotte…
De boetelingen.
De immense stilte die viel over deze angstaanjagende figuren in hun donkere pijen. Ze hadden een kap over het hoofd getrokken, zodat je hun gezicht niet kon zien. Dit waren geen acteurs. Ik zag bloeddoorlopen ogen door de gleuven gluren. Zij speelden niet, zij wáàren. Blootsvoets, toorts in de hand, deden zij boete voor hun zonden en voor die van ons en ze deden dat door ieder voor zich hun eigen zware houten kruis te dragen in de voetsporen van J.K., die het zijne droeg op weg naar Calvarie, Schedelberg, Golgotha.
Ah, hoe aangenaam is het, terwijl ik deze woorden schrijf, weer even in Veurne te vertoeven! In Veurne, waar ik voor het eerst volkomen werd uitgeveegd, zoals het nauwelijks enkele dagen later opnieuw gebeurde, toen ik voor het schilderij van Grünewald stond: weggeveegd, weg van de wereld, naar een andere plaats geslingerd, naar een andere tijd, waar ik geen kranten hoefde te lezen, geen pijn hoefde temoest verbijten… Ah, wat een droom!
Hoe goed was het nog even te verpozen tussen deze ware penitenten die boete deden voor de zonden van de mensheid, zowel voor de onbenullige en welhaast komische als voor de welhaast kosmische waarvan we de diepte, de omvang, de draagwijdte niet konden bevatten. En ik dacht aan Jack the Ripper die voor het eerst toesloeg tijdens diezelfde zomer van 1888, 31 augustus, Buck’s Row, Whitechapel.

Er stond een priester naast mij in de menigte, een grote en knappe man met koolzwart haar en levendige ogen. Hij vroeg me in het Frans of ik een journalist was en ik zei dat ik een schrijver was op zoek naar een thema.
Hij glimlachte vaag. ‘Misschien kunt u schrijven over de manier waarop de Boeteprocessie van Veurne langzaam maar zeker is… gedegenereerd?’ Bij dat laatste woord trok hij zijn zware wenkbrauwen op, als om het te voorzien van een onmiskenbaar vraagteken, en de ironie ervan te onderstrepen. ‘In de zestiende eeuw was de Processie niet veel meer dan een burleske, met als centrale figuur een gayant. Weet u wat een gayant is?’
‘Een van die oude Vlaamse reuzenpoppen?’
Hij knikte. ‘Ze hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in de populaire festivals van de Lage Landen. Maar zeg nu zelf: Jezus Christus voorstellen als een gayant...? Enfin, op zeker ogenblik zouden twee Spaanse soldaten die de rol van de Romeinse bezetter op zich hadden genomen de heilige hostie gegrepen en op hun speer gestoken hebben… Of iets van die aard. Er werd een broederschap opgericht om een einde te maken aan dit soort profaniteiten, de Sodaliteit van de Gekruisigde Zaligmaker als ik me niet vergis, en die herstelde ook het primitieve mysterie. Zo ontstond de Processie zoals we ze nu kennen, in 1637 of daaromtrent.’
Het klonk nog steeds als het gebabbel over koetjes en kalfjes van twee vreemden die elkaar toevallig hebben ontmoet, maar ik kon mij niet van de indruk ontdoen dat hij mij iets zeer specifieks wilde vertellen, en dat hij mij niet toevallig had aangesproken.
‘Zeer interessant,’’, mompelde ik.
‘Men wil ons doen geloven dat de heiligschennis een ongeluk was. Maar daar geloof ik niets van. U zou hier over moeten over schrijven, het is een fascinerend verhaal. Volgens mij heeft het te maken met de Arma Christi… en met relieken, natuurlijk. Het heeft altijd te maken met relieken. In Brugge hebben ze een erg gelijkaardige Processie van het Heilig Bloed, in het Franse Perpignan kennen ze de La Sanch Processie en in het Spaanse Gerona La Sang. Telkens worden die mysteriespelen gestuurd door geheime genootschappen van penitenten en telkens duiken ook verhalen over oeroude ketterijen op, waarin de Arma Christi en andere relieken een rol spelen.’
‘U klinkt als een expert ter zake,’’, zei ik.
‘O nee,’’, glimlachte hij. ‘Het zou werkelijk te veel eer zijn mij een expert te noemen. De enige ware expert in deze aangelegenheden is mijn vriend, de abbé Van Haecke. Hij is de kapelaan van de Kapel van het Heilig Bloed in Brugge. Als u over deze onderwerpen wilt schrijven, moet u hem vast en zeker opzoeken.’
Dit kon geen toeval meer zijn, realiseerde ik me: deze vriendelijke en beschaafde priester had mij met opzet aangesproken. In feite had dit besef aanleiding moeten geven tot enige professionele ongerustheid, want het impliceerde dat ik werd geschaduwd, van de salons van Buet tot de Boeteprocessie van Veurne. Maar gek genoeg voelde ik mij nauwelijks geïntimideerd, misschien omdat ik ook wel inzag dat mijn gesprekspartner probleemloos had kunnen zwijgen over Van Haecke, als hij dat had gewild. Blijkbaar probeerde hij me in de eerste plaats duidelijk te maken hoeveel hij van me wist, en dat ik om een of andere reden dringend contact moest opnemen met de kapelaan van het Heilig Bloed.
‘Eerlijk gezegd,’’, zei ik, erover wakend de vanzelfsprekende toon van een beleefde conversatie tussen twee vreemde heren te handhaven, ‘heb ik daar ook aan gedacht toen ik Parijs verliet. Maar ik wilde zo’n Processie graag in levenden lijve meemaken, en die van Brugge vindt plaats in mei, vandaar dat ik voor Veurne koos. Straks reis ik af naar Duitsland, ik heb een treincoupé geboekt. Maar wellicht bent u daar ook van op de hoogte, meneer…?’
‘Saunière,’,’ antwoordde hij zonder enige aarzeling, ‘Bérenger Saunière is de naam. Ik ben de abbé van Rennes-le-Château, een piepklein dorpje in de Midi... Neem me niet kwalijk, meneer Huysmans, maar ik had u herkend en… vergeeft u mij, ik had me meteen aan u moeten voorstellen als een groot bewonderaar van uw werk.’
Terwijl ik hem verwonderd bleef aankijken, schudde hij me de hand. Hij had een droge, krachtige handdruk. Ik vroeg me af of ik aan achtervolgingswanen begon te lijden. De verklaring van abbé Saunière klonk vrij plausibel. Als Van Haecke zijn vriend was en als Saunière een bewonderaar was van mijn werk, was het allerminst onmogelijk dat hij ervan had gehoord hoe Van Haecke met mij in discussie was getreden. En dat hij me, op weg naar zijn vriend van het noorden, hier in de menigte had herkend, en ons gesprek de bekende richting had uit gestuurd… Het was mogelijk.
‘Verwondert het u?’ glimlachte Saunière – die charmante glimlach leek wel op zijn gezicht gebeiteld. ‘Verwondert het u dat een man van de kerk uw werk in zijn hart draagt?’
Ik haalde de schouders op. ‘Niet echt,’, zei ik.
En toen wilde ik hem nog een paar vragen stellen over zijn relatie tot Van Haecke en over mijn werk (om te horen of hij de waarheid sprak) – maar netjuist op dat moment ontstond er om ons heen enige commotie. Het paard van een gendarme was gaan steigeren en toen de menigte weer tot rust was gekomen, bleek abbé Saunière erin te zijn opgelost… zoals zijn vriend Van Haecke niet zo lang voordien ook opeens in het niets was verdwenen.
Het kostte me enige moeite uit te vinden waar Rennes-le-Château precies gesitueerd moest worden, maar toen ik het dorpje eindelijk had gelokcaliseerd, bleek het zich pal in het hart te bevinden van een van de grootste ketterse stromingen die de westerse wereld ooit heeft gekend: die van het katharisme.

Geen opmerkingen: