Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

28.5.11

05. De moord op koning Albert



Engeland. In 1213 werd Peter de Wijze, een kluize­naar uit Yorkshire, opgehangen omdat hij de dood van koning John had voorspeld. Verraad en hekserij, heette het. In 1580 verbood Elizabeth I het voorspel­len van de dood van een monarch. Dergelijke ge­ruchten werden door politieke agitators maar al te graag aangewend om een opstand te ontketenen. Haar rivale, Maria ,Stuart, noemde ze ‘de bron van alle rebellie’. Zij was zich goed bewust van het nut van voorspellingen als politieke propaganda.
Duitsland. Op aanraden van zijn astroloog vloog Rudolf Hess in mei 1941 naar Engeland, omdat hij volgens zijn horoscoop betrokken zou worden in ‘een vredevolle zending’. Daarop liet Hitier alle astrolo­gen door de Gestapo arresteren. Een van de weinige astrologen die daaraan ontsnapten, was de Zwitser Karl Ernst Krafft, die reeds sinds 1939 voor het minis­terie van Propaganda werkte. Toen hij zo tactloos was om mee te delen dat de sterren gunstiger ston­den voor veldmaarschalk Montgomery dan voor diens collega Rommel, werd hij opgepakt wegens sabotage. Hij overleed tijdens het transport naar het concentratiekamp Buchenwald, terwijl de woestijn­oorlog verliep zoals hij had voorspeld.


Zeven weken voor de tragische dood van koning Al­bert vraagt Leonie Van den Dijck haar biograaf een waakdroom te noteren, die haar dagenlang overstuur zal maken. Gustaaf Schellinck komt er zo van onder de indruk, dat hij er aanvankelijk zelfs niet met zijn vrouw over durft te praten. Wanneer Schellinck en zijn echtgenote enkele dagen later samen met twee da­mes bij de zieneres op bezoek zijn, snijdt ze het onder­werp echter opnieuw aan.
Haar gedetailleerd beschreven visioen komt hierop neer:


Ik zie rotsen. Twee mannen wandelen daar. Ze praten, maar ik versta hen niet. Pas als ik het woord 'koning' hoor, herken ik de kleinste van de twee. Het is de koning. Rond het li­chaam en over de schouders draagt hij touwen. De tweede man is groter en zwaarder gebouwd dan de koning.
Bij de voet van een rots gekomen, gaan ze uit elkaar. De grootste verdwijnt achter de rots, terwijl de koning die be­klimt. Telkens opnieuw slingert hij de koord over een rots­punt, waarna hij zich met beide armen omhoog trekt. De koord, die rond zijn polsen gedraaid is, hangt langs zijn ar­men naar beneden. Met zijn voeten zoekt hij steun op voor­uitstekende rotspunten. Hij vordert vlug.

Wat hoger duikt plotseling het hoofd van de andere man ach­ter een rotspunt op, om dan snel te verdwijnen. Op het ogen­blik dat de koning de top van de rots nadert, verschijnt de an­dere persoon boven hem. Terwijl de koning al met één voet op de rots staat, duwt de man hem pal achteruit.

Ik zie de vorst achterwaarts, met het hoofd naar beneden, in de diepte stuiken. Ik hoor hem vallen en hard roepen, maar versta niet wat hij zegt. Wanneer hij met zijn hoofd op een rotspunt valt, verliest hij zijn pince-nez en bij de volgende rotspunt verliest hij zijn muts. Zo zie ik hem van rotspunt tot rotspunt vallen, tot hij beneden op de grond ploft en daar blijft liggen.
Korte tijd later verschijnen twee mannen. Ze rapen de koning op en dragen hem weg. Daarna zie ik nog meer mensen bij de voet van de rots.

Zo'n vier uur later wordt zijn lichaam daar teruggebracht en komen verscheidene mannen met fakkels opdagen. Zij vinden de koning, maar hij is al dood.



Leonie beëindigt haar visioen met de woorden: 'Indien men op deze verderfelijke weg voortgaat, zal men nog niet uit de rouw zijn als er reeds een tweede vingerwij­zing, een gruwzaam vermaan zal komen, nog erger dan de eerste maal. En ook het tweede slachtoffer zal in het hoofd getroffen worden – de zetel van het ver­stand...'
Leonie verwijst daarmee onmiskenbaar naar de dood van koningin Astrid.

Interessant is dat Schellinck, die beloofd had zijn noti­ties niet voor de dood van Leonie openbaar te maken, in zijn 'Handschrift' een stuk citeert, afkomstig uit La Cité Royale, bulletin bibliographique de l'office de propagande, IIe année Avril-Juin 1939. Het stuk draagt de titel ‘La mort du roi Albert et de la reine Astrid annoncée par la Vierge à Onkerzele’ en bevat hetzelfde visioen als hier­boven beschreven. Blijkbaar gaat het hier om een be­wuste zet van Leonie, die Schellinck gezegd had dat ze alles had meegedeeld aan twee personen: Schellinck zelf en 'nog een ander persoon, opdat er twee getui­gen zouden zijn'.

Men kan zich afvragen waarom Schellinck tot 1972 ge­wacht heeft om de voorspellingen van Leonie open­baar te maken, aangezien één ervan toch al in 1939 was uitgelekt en Leonie in 1949 was overleden. Tevens kan men zich de vraag stellen of een lid van de familie de Croy niet als ‘go-between’ heeft gefungeerd tussen de eenvoudige Leonie en het selecte La Cité Royale. In de periode van de Zonnewonderen, die ook de periode is waarin Leonie haar voorspellingen doet in verband met koning Albert en koningin Astrid, was de prinses een vaste klant in Onkerzele.


Op zondag 18 februari 1934 meldt de krant De Stan­daard onder de titel ‘Een afgrijselijke nationale ramp: ­Koning Albert overleden’:

De Koning, die zooals iedereen weet als liefste verpoozing heeft het bestijgen van bergen en rotsen, hield den laatsten tijd veel van het rotsgebergte te Marche les-Dames, bij Na­men. Herhaaldelijk is de Vorst daar den laatsten tijd ook ge­weest met Prins Leopold. De Koning hield zich inderdaad veel persoonlijk bezig met de opvoeding van den Erfprins, zijn liefsten zoon.       
Prins Leopold naar Zwitserland zijnde, is de Koning in allen eenvoud, slechts vergezeld van een zijner kamerknechten, en zelf de auto besturend, Zaterdagmiddag te 12 u. 30 uit Laken vertrokken voor Marche-les-Dames.

In gezelschap van zijn knecht en van enkele andere personen, heeft de Koning dadelijk een gezonde sportieve beklimming gedaan van een rotsgedeelte van Marche-les-Dames. Even voor 4 uur was deze tocht geëindigd en at de Koning wat in een hotel nabij de rotsen, waar hij gewoonlijk kwam. Naar een oude gewoonte van den Koning is deze nog alleen een wandeling in het rotsgebergte gaan maken, even na 4 uur, van koorden en alpenstok voorzien.

Daar het laat werd, is de kamerknecht des Konings ongerust geworden; de duisternis was ingevallen. Hij is eerst alleen op zoek geweest, dan met anderen; ten slotte heeft hij, ongerust, het Paleis te Laken opgebeld, om zich te informeeren of de Ko­ning niet zonder hem was teruggekeerd.
Van dat oogenblik af begon een zekere ongerustheid te heer­schen, alhoewel men eenvoudig veronderstelde dat de Vorst ergens langs de rots wegen kon zijn verdoold. Alle mogelijke hotels en huizen omheen de rotsen werden opgebeld. Ploegen speurders gingen langs de wegen van Marche-les-Dames. Baron Eugène Carton de Wiart, welke dicht bij Marche-les-­Dames woont, voegde zich bij deze personen. Maar van den Koning was geen spoor te vinden. Men begon een ongeluk te vreezen en Dokter Nolf, later ook Dokter Leboeuf spoedden zich naar Marche-les-Dames.

In het Sportpaleis te Brussel werd Zaterdagavond de Beker des Konings betwist en de Koning zelf werd er verwacht. Het Paleis van Laken zag zich genoodzaakt het bestuur van 't Sportpaleis te waarschuwen dat Zijne Majesteit niet tijdig uit Marche was kunnen terugkeeren.

Slechts laat in den nacht, namelijk te 2 u. 30, Zondagoch­tend, ontdekten de vrienden des Konings eerst een bergkoord loshangend van een 20 meter hooge rots, vervolgens een al­penstok en ten slotte in een ravijn het jammerlijke lichaam des Konings.

Zijne Majesteit lag dood.

De dokters stelden vast dat hij op het hoofd moet zijn neerge­stort van een hoogte van wat meer dan 20 meter, en door schedelbreuk getroffen. De Koning kan niet geleden hebben, en moet volgens de vaststellingen der dokters op den slag zijn gedood.


Op woensdag 21 februari geeft graaf de Grünne, de grootmeester van het Huis der Koningin, meer bijzon­derheden over het ongeval. Graaf de Grünne had deel­genomen aan de nachtelijke zoektocht en was zelf een ervaren bergbeklimmer. Sinds jaar en dag beoefende de koning deze sport geheel alleen.
'De meeste personen die zich daaraan wagen, verlie­zen er ten slotte meestal het leven bij,' verklaarde de graaf.

Zondag had hij de tocht van koning Albert overgedaan en hij was tot de conclusie gekomen dat de tragedie van Marche-les-Dames ‘een klassiek ongeluk vàn het alpinisme’ moest worden genoemd.

Tot dezelfde bevinding komt ook het parket van Namen, dat voor de 'officiële lezing' van de feiten zorgt:


Op 17 Februari dan, om 3.30 ure, bevond zich de Koning met zijn kamerdienaar Theophiel Van Dyck te Bonnines. Persoonlijk stuurde de Vorst zijn auto naar den zoom der baan van Marche-les-Dames, waar hij enkele verkenningen wilde doen van rotspunten welke langs den Maasoever gelegen zijn. Alleen begaf hij zich dan ook naar het rotsachtige punt aan de kapel 'Le Bon Vieux Dieu', aan den rand van de spoorlijn Luik-Namen.
Om 5 ure had Koning Albert een afspraak met zijn kamerdienaar gemaakt en Th. Van Dyck, die op de aangeduide plaats was toegekomen, wachtte enkelen tijd op den Vorst en, hem niet ziende weerkeeren, werd hij ongerust, deed opzoekingen en riep luidkeels op zijn meester.

Daar de opzoekingen vruchteloos bleken en de avond inviel, begaf hij zich rond 19 ure naar een herberg, alwaar hij de rijkswacht van Namen opbelde en het Paleis te Brussel op de hoogte stelde.

Baron Jacques de Dixmude, ordonnancie-officier van den Koning, dokter Nolf en graaf Xavier de Grünne, voorzitter van de Belgische Alpinistenclub, begaven zich onmiddellijk per auto ter plaatse.

De opzoekingen werden nu met de meeste nauwkeurigheid aangevangen en doorgezet, alhoewel zij bemoeilijkt werden door de duisternis en de struikgewassen. Tevens moest rekening gehouden worden met het feit, dat de Koning zich voorgenomen had achtereenvolgens verscheidene rotspunten te beklimmen.

Om 2 ure 's morgens geraakte commandant Jacques de Dixmude met den voet verstrikt in een koord die op den grond lag en waarvan een uiteinde vastgemaakt was aan het lichaam van Zijne Majesteit.
Zijne Majesteit lag daar levenloos, reeds verstijfd in den dood en droeg boven aan den schedel een breede, zeer diepe wonde. Het lijk van Zijne Majesteit werd onmiddellijk naar den weg gedragen en in een auto neergelegd die hem naar het Paleis van Laeken overbracht.

De procureur van den Koning te Namen werd 's morgens om 3.40 ure ingelicht door den kapitein der rijkswacht van Na­men en na tevens den onderzoeksrechter verwittigd te heb­ben, begaven de rechterlijke overheden zich onmiddellijk ter plaatse. Bij middel van lampen hebben zij den weg kunnen weervinden en afpalen die het lijk van Zijne Majesteit in zijn doodelijken val heeft  gevolgd.        ­

Om 8 ure 's morgens, geholpen door experten en bijgestaan door de graaf Xavier de Grünne, zijn de overheden erin ge­slaagd de juiste omstandigheden vast te stellen.

Zijne Majesteit, na een rotspunt beklommen te hebben, heeft op de hoogte waar de sporen van zijn doortocht duidelijk merkbaar zijn, steun gezocht op een grooten steenblok, die door zijn omvang hem volstrekt zeker en goed vast aan de rots moet zijn toegeschenen. De blok kwam los en heeft Zijne Majesteit, die gevallen is, in zijn val meegesleurd. De steen­blok heeft in zijn val den wand van de rots geraakt.

Het is op die plaats dat men de bloedsporen opmerkte, dat Zijne Majesteit den slag ontvangen heeft die zijn dood voor gevolg had. Onmiddellijk terugbotsend na den schok, is het lijk van de helling afgerold en 50 meter lager blijven liggen, terwijl op den weg verschillende voorwerpen verspreid wer­den: neusnijper, pet, zak en riem, die door de rechterlijke po­litie werden verzameld.


Noem het voor ons part spijkers op laag water zoeken, maar toch vestigen wij graag uw aandacht op de ver­warrende en slordige formulering van de officiële ver­klaring: '... hebben zij den weg kunnen weervinden en afpalen die het lijk van Zijne Majesteit in zijn doodelijken val heeft gevolgd. Was Zijne Majesteit al een lijk op 'het moment dat hij viel? Verder op in de tekst heeft men het over 'den slag' die de dood 'voor gevolg had', waaruit we zouden kunnen opmaken dat de koning niet ogenblikkelijk is overleden, en dadelijk daarop is al­weer sprake van 'het lijk' dat de helling afrolt.
In een artikel uit het archief van Gazet van Antwerpen, merkt de journalist Jos Somers op, dat het allemaal zo ongelooflijk leek: 'Een ervaren bergbeklimmer als de vorst, die heel wat moeilijke toppen had overwonnen, omgekomen bij een ongeval in het naar verhouding toch kleine massief aan de Maas? Waarom was de ko­ning, die' s avonds nog een officiële taak had, plots en helemaal alleen naar Marche-les-Dames gegaan?'

Het parket van Namen kwam met een verslag dat steunde op een voor een ervaren alpinist onvergeeflij­ke fout. Het nam dan ook nooit alle twijfels weg.

Somers: 'Getuigen van de feiten waren er niet, en het parket was pas aan het onderzoek ter plaatse kunnen beginnen toen het stoffelijk overschot al uren was weggebracht en de omgeving reeds door anderen was betreden en doorzocht. Waren er toen nog duidelijke en overtuigende sporen, vroeg men zich af.'

Bovendien had maar één getuige de koning zien ver­trekken – zijn bediende, een bijna-naamgenoot van Leonie nog wel! – en was het lijk ook door één enkele man teruggevonden: kapitein Jacques de Dixmude. Hij verklaarde dat het hoofd 'een vreselijke wonde' vertoonde. Een deel van de schedel was afgerukt, zo­dat eventuele sporen van slagen met een stomp voor­werp doeltreffend gemaskeerd konden zijn.

Louis De Lentdecker gaat in zijn boekje Requiem voor Leopold III ook in op de twijfels die rezen met betrek­king tot de dood van de koning: 'Men zei dat Albert vermoord was. Volgens sommigen was hij in Brussel met revolverschoten gedood en was zijn lijk nadien naar Marche-les-Dames overgebracht, waar men een ongeluk ensceneerde; anderen wisten dat hij van de rotsen geduwd was, nog anderen dat hij nooit in Mar­che-les-Dames kwam. (...) Men zei dat de oorzaak van Alberts dood te zoeken was bij zijn vrouwen en dat u, Leopold, het ergens eens was met al die vreselijke din­gen. Zelfs in de gangen van het parlement werd dit ge­fluisterd, want, zo zei men, u was het lieve kindje van Elisabeth, zij wilde u op de troon. Het was alles ge­beurd na de zoveelste felle ruzie die het paleis had doen daveren.'

'Zo er van die geruchten niks bewezen is (van hun ont­kenning evenmin) bewijst het feit dat ze konden ont­staan op zich toch wel wat over Alberts karakter,' stelt het weekblad Humo in 1975. ‘In kringen van de haute bourgeoisie werd het namelijk minder en minder ge­nomen dat Albert een armenkoning was, dat Elisabeth zozeer begaan was met de lagere klassen: een beetje caritatieve belangstelling, tot daar aan toe, maar haar' systematische kommer wekte opspraak.'

Albert I was 55 en kerngezond, maar de gedachte aan de dood was hem de laatste jaren van zijn leven niet vreemd. 'Het leven is een wedloop en het lot wacht niet - ik ben dicht bij het eindpunt,' schreef hij in 1930 aan zijn dochter Marie-José. Volgens de prinses zou hij trouwens, kort voor zijn ongeval, aan een pater toe­vertrouwd hebben dat hij 'op elk moment bereid was om te sterven'.

Dergelijke verklaringen leidden tot geruchten als zou de vorst zelfmoord gepleegd hebben. 'En zelfmoord­geruchten kunnen dan weer verklaard worden door Alberts desillusies,' vervolgt Humo.  'België kwam zwaar aangeslagen uit de depressie van 1929, maar enige internationale solidariteit ten overstaan van de economische crisis schampte telkens weer af op het overal groeiende nationalisme.'

'De vraagtekens bleven en nog jaren nadien werden allerhande thesissen geopperd,' besluit Jos Somers zijn artikel. 'Haast allemaal op het vlak van de politiek. Duitsland was aan het herbewapenen en wilde een tussenkomst van de vroegere geallieerden voorkomen. In Frankrijk werden pogingen gedaan om België helemaal aan de kant van Parijs te krijgen en het leger ­zo mogelijk te doen deelnemen aan een gewapende actie. Engeland wou in die tijd van geen preventief op­treden weten...'

In de memoires van de Franse journaliste Geneviève Tabouis werden bepaalde confidenties aangetroffen van de ex-ambassadeur van Duitsland in Parijs, Koes­ter. Volgens Koester geloofden sommige nazi's dat het Reich met een zestal politieke moorden Europa op de knieën kon krijgen, zonder het risico van een regel­rechte oorlog te lopen.

‘Ook de Belgische koning Albert stond op de dodenlijst,' zegt Tabouis. 'De dood van de vorst in Marche­-les-Dames moet misschien niet louter als een ongeval worden uitgelegd, maar als een handig gecamoufleer­de moord door de professionele doders van de Führer.’

Kenschetsend voor de verwarring die nog steeds rond­om de dood van koning Albert heerst, is de versie die de prestigieuze Kroniek van België geeft over het onge­val bij Marche-les-Dames: 'Pas na lang zoeken door adjudanten, de rijkswacht en enkele boeren, vond ba­ron Edmond Carton de Wiart om twee uur ’s nachts het lichaam van de koning. Zijn hoofd vertoonde een diepe wonde. Hij moet op slag gestorven zijn. Volgens de eerste vaststellingen zou de koning, toen hij op de top van de Vieux Bon Dieu aangekomen was, tegen een rotsblok geleund hebben. Dat is losgeraakt en heeft hem meegesleurd in een val van twaalf meter.'

Hoezo, Carton de Wiart? Hoezo, een val van twaalf meter? (De kroniek van de 20ste eeuw heeft het dan weer over een val van tachtig meter.)

Dergelijke slordigheden zijn schering en inslag in di­verse' officiële lezingen'. Vermoedelijk zijn zij ook voor een deel verantwoordelijk voor de geruchten als zou koning' Albert niet door een ongeval om het leven gekomen zijn.

Vraag honderd oudere mensen wat zij vinden van het ongeval van de koning, en negentig zullen u antwoor­den dat er iets niet pluis was bij Marche-les-Dames. Verder dan een vaag bevroeden van een duistere zaak komen zij niet, maar de noodzaak om een sinistere verklaring te vinden voor het ongeval is zo groot, dat sommigen er niet voor terugschrikken de dood van ko­ning Albert toe te schrijven aan de vloek van de farao. Albert en Elisabeth hadden inderdaad een paar jaar voordien Egypte en het graf van Toetanchamon be­zocht.  


Keren we terug naar Leonie Van den Dijck..

'Visioen en officiële verslaggeving vertonen punten van gelijkenis maar lopen ook, zowel wat de hoofd­zaak als wat sommige details betreft, uiteen,' analy­seert Emiel Ramoudt. 'Belangrijk lijkt ons het verschil in tijd. Leonie zag wel dat men het lijk bij fakkellicht terugvond, maar zei dat er tussen de val en het vinden van het lijk "misschien wel vier uur" verliepen, daar waar men er in werkelijkheid elf uur over deed om het lichaam op te sporen.'
Gustaaf Schellinck deed geen moeite om deze 'fout' van Leonie te verdonkeremanen, zoals hij ook geen poging deed om de technische waarschijnlijkheid van haar voorspelling na te trekken.

'Kon de koning op deze plaats snel klimmen? Kon zijn metgezel via een andere weg sneller dan de koning zelf boven geraken?'
Emiel Ramoudt stelt hier een paar pertinente vragen, maar dé grote kwestie gaat hij uit de weg. Is het moge­lijk dat Leonie 'de moord' juist heeft gezien? En wie was de man die zij in het gezelschap van koning Albert zag, de man die hem van de rots duwde?

Als u het relaas van Leonie Van den Dijck aan ‘close ­reading’ onderwerpt, zult u merken dat de moorde­naar(s) het lijk (?) in eerste instantie naar een onbeken­de plek transporteerden en het pas 'zo'n vier uur later' op de plaats van de misdaad terugbrachten. Waarom? En is het een toeyal dat deze versie van de feiten echo's bevat van de 'slordigheden' in de officiële ver­klaring van het parket, waarin een lijk een dodelijke val maakt?


Waarom moest Albert überhaupt vermoord worden?
Leonie heeft altijd beweerd dat men in dit verband 'tot in de hoogste kringen' gewaarschuwd was. Kort na de dood van de koning begonnen bepaalde mensen ove­rigens een grote interesse aan de dag te leggen voor de zieneres van Onkerzele. Ze werd door niet nader ge­noemde ‘onderzoekers’ aan de tand gevoeld en op een dag zelfs dringend bij de pastoor ontboden, waar haar drie personen opwachtten. Eén van hen was een dokter uit Geraardsbergen, die ze kende.

Op een tafel lagen een aantal foto's uitgespreid. Leo­nie werd verzocht de man aan te wijzen die ze naast de koning had 'gezien'. Volgens Gustaaf Schellinck zou Leonie een man op één van die foto' s herkend hebben. Ze weigerde evenwel meer over hem te vertellen. Dat zou in slechte aarde gevallen zijn bij de dokter en er ontstond een woordenwisseling.
'Gij zijt zot, mens!' riep de dokter uit.

'Ik ben zot noch zat,' antwoordde Leonie, 'maar past maar op dat gij niet zot wordt!'
Nog steeds volgens Schellinck reed de dokter enige dagen nadien met zijn auto tegen een lantaarnpaal. Enkele weken later overleed hij in betreurenswaardige omstandigheden. Er werd gefluisterd dat hij tijdens de laatste dagen van zijn leven tekens had gegeven van zinsverbijstering.

Wat moeten we van deze vreemde geschiedenis den­ken? Is ze ontstaan uit de vruchtbare fantasie van Leonie Van den Dijck, van Gustaaf Schellinck, van de rod­deltantes uit Geraardsbergen? Overleed de dokter op een 'natuurlijke' wijze of werd hij 'een handje gehol­pen’?
Wie zàg Leonie op de foto en waarom weigerde ze meer over die man te vertellen? Naar de reactie van de dokter te oordelen, moet het een persoon geweest zijn die alleen door een krankzinnige in verband kon wor­den gebracht met een moord op de koning!

De redacteuren van Het Wonderbare Leven van Leonie Van den Dijck vragen zich eveneens af waarom de zie­neres van Onkerzele de schuldige niet aanduidde. 'Vooreerst omdat het visioen en de realisatie ervan een vermaning waren voor alle schuldigen in geheel het volk,' menen zij, 'een oproep tot bekering dus, die speciaal gold voor die ene persoon. Het was Gods be­doeling niet deze nu te straffen, dit werd bewaard tot het Oordeel. Leonie hield zich dus aan die zending. Het valt sterk te betwijfelen of haar aanwijzingen iets zouden opgeleverd hebben, te meer daar het klaarblij­kelijk over een machtig persoon ging en tegen Leonie zou uitgedraaid zijn, hetgeen blijkt uit het laatste ge­deelte, waarin Gods goedheid deze keer wel in een straf voorzag, om de zending van Leonie te beveiligen en aan de dokter een kans te geven zijn zonde uit te boeten en zijn ziel te redden.' Waaruit wij vooral de passage over 'een machtig persoon' onthouden...
Alsof dit verhaal nog niet genoeg vraagtekens op­roept, vertelt Leonie haar biograaf dat ze bij een ande­re gelegenheid door 'enkele voorname personen' met de wagen naar Marche-les-Dames werd gebracht. Daar verzocht men haar zo nauwkeurig mogelijk te beschrijven wat ze eerder in haar visioen had gezien.

Ze nam het kruisje van haar paternoster, deed een paar stappen, legde het kruisje op de gronden zei: 'Hier is de koning met zijn hoofd op de grond neerge­komen.'

De voorname heren, die onder elkaar Frans spraken, konden dat alleen maar beamen.

Vervolgens deelde Leonie details mee over de val en over de plaats waar de koning zijn pince-nez en zijn muts was kwijtgeraakt.


Jaren later, in 1948, trokken Gustaaf Schellinck en zijn echtgenote naar een optreden van de bekende Neder­landse, paragnost Peter Hurkos. In zijn jeugd viel Hurkos eens van een schildersladder, waarna hij zekere paranormale gaven ontwikkelde. Hij woonde en werk­te een groot deel van zijn leven in Amerika, waar hij optrad in nachtclubs en voor de televisie. Hij werd geconsulteerd door Hollywood-sterren en zijn bekwaam­heid als helderziend detective betrok hem bij gruwelij­ke moorden als die op Sharon Tate en bij de zaak van de Wurger van Boston.
Omdat Hurkos hen tijdens zijn optreden kon overtui­gen van zijn helderziende kwaliteiten en ook omdat hij bekend stond als een katholiek paragnost, maakte het echtpaar Schellinck een afspraak met hem. Toen ze in Antwerpen door Hurkos ontvangen werden, overhan­digden ze hem een kledingstuk van Leonie.

'De vrouw aan wie dit kledingstuk toebehoorde, is anders dan de gewone vrouwen,' zei Hurkos toen. 'Ze heeft veel lichtflitsen gekregen van hierboven. Ze heeft ook een zielsafwijking. Ze kan haar visioenen niet zo best uitleggen, omdat ze niet ontwikkeld is en arm van woorden.'

Deze visie ligt in het verlengde van de ufo-hypothese van Julien Weverbergh. Leonie zàg wel degelijk iets, maar interpreteerde haar visioenen te sterk onder in­vloed van haar godsdienstige ideeën.

Toen Schellinck de paragnost het kruisje gaf dat Leo­nie ooit op de plaats gelegd had waar koning Albert neergestort zou zijn, zei Hurkos: 'Deze mededeling doe ik niet graag... Dat (kruisje) heeft een grote bete­kenis. Het heeft gelegen op de plaats waar een groot man de dood heeft gevonden. Daar is hij met zijn hoofd neergekomen. Deze vrouw lijdt ook veel in het hoofd.'


    

Naschrift:
Omdat wij ons in Het Orakel Ontgraven wilden beperken tot de manier waarop ‘de moord op koning Albert’ in relatie tot Leonie Van den Dijck was beschreven en werd geïnterpreteerd, zijn wij in dit boek niet dieper ingegaan op misschien wel de meest in het oog springende contra-indicatie dat het om een ongeval zou zijn gegaan. Het feit, namelijk, dat het lichaam van de koning alleen een gapende hoofdwonde vertoonde, en aan zijn val van tientallen meters diep (de schattingen liepen uiteen) voor de rest geen schrammetje had overgehouden… Dit gegeven werd verder uitgewerkt in de historische thriller die gelijktijdig met het boek over Leonie Van den Dijk verscheen, De Moord op Albert I. De thesis van een moordcomplot werd hernomen, steeds gebaseerd op materiaal dat ondertussen aan het licht was gekomen (o.a. dankzij internet en het boek van Jacques Noterman, De val van Albert I) in Het Februaricomplot (1999) dat ik nog samen met Guy Didelez schreef, en in mijn meest recente boek over de kwestie Het Illuminati Complot (2008). Van deze boeken is alleen Het Illuminati Complot nog verkrijgbaar.

1 opmerking:

Anoniem zei

Ik was militair in Marche les dames,de rotsen zijn aan erosie onderhevig en zeer gevaarlijk, zouden moeten afgekeurd worden. Sldt. 1 Para Johny Vdl.