Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

30.12.14

Roeselare & Moorsel: Peegie & Pee

Van In de voetsporen van Pee Klak (een bijdrage van Elisa):

“Het was den derden September 1911 dat het Mevrouw Tanite behaagde ter wereld te brengen in al zijn glorie : zonder haar, zonder tanden, zonder fatsoen en al lelijk doen ‘Peegie van den Nieuwmarkt’, rasechte en waardige afstammeling van Cyper, stamvader dezer vroede gemeente, stevig geworteld als een oase van strijd en lust in den anderzijds zo soberen en deftigen Roeselaarsen bodem.”

Zo begint Willem Denys zijn verhaal over “Peegie”, letterlijk “de kleine Pee”. Peegie, in werkelijkheid een man met dwerggroei die ooit in Roeselare woonde, wordt in de verhalen van Denys een jonge man die op de Nieuwmarkt leeft en er de leurdersstiel leert van de andere “Nieuwmarktnaren”.Het personage Peegie charmeerde de lezers en met zijn volkshumor en verkopersgeest werd hij al vlug het symbool voor de Roeselaarse volksaard en kreeg zowaar een bronzen beeld op de Roeselaarse Botermarkt. Onder de naam 'De Maten van Peegie' werd zelfs een genootschap opgericht, die tot vandaag het verdedigen van de Roeselaarse volksaard en het promoten van de stad nastreeft.

De gelijkenissen met onze Pee zijn treffend: niet alleen draagt zijn Roeselaarse evenbeeld dezelfde naam en een soortgelijke klak, hij beoefent ook hetzelfde beroep (al leurt hij dan niet met vis, maar met schoensmeer) en haalt dezelfde schalkse streken uit. En zoals Ben Putteman een boek schreef over Pee, zo maakte Willem Putman een toneelstuk over Peegie…

Is het toeval, of was Willem Denys, een late tijdsgenoot van Pee Klak, in werkelijkheid geïnspireerd door de Moorselse Pee, die misschien op een van zijn tochten naar Frankrijk langs Roeselare kwam en daar indruk maakte op de toen kleine Willem?? Het is wellicht vergezocht, maar geheel ondenkbaar is het niet…

Wat er ook van zij: misschien moet het Aalsterse stadsbestuur wel eens overwegen om ook onze Pee te vereeuwigen in een standbeeld…

15.12.14

De Geest van Pee Klak waart weer door de Faluintjes...



DE GEEST VAN PEE KLAK

In juni 2014 kreeg vzw de Scriptomanen de steun van de Erfgoedcel Aalst om een cultureel erfgoedproject te starten rond Domien Camiel De Rop, de volksfiguur uit Moorsel die ook ruimere bekendheid verwierf als Pee Klak. Dorpsgenote Els Vermeir voelde zich onmiddellijk aangesproken. Bij het voorbereidend werk raakte ze meer en meer in de ban van deze late neef van Tijl Uilenspiegel. In enkele maanden tijd pende ze enkele “interviews” bij elkaar, maar ook – geheel in Klakse stijl – een aantal teksten voor volksliedjes. Met de biografie van Ben Putteman als leidraad, verdiepte ze zich zelfs in de merkwaardige 19de eeuwse streekwoordenschat van Pee. Alsof zijn geest, gejaagd door een Bamiswind, waarlijk in haar was gevaren…

Els Vermeir (Aalst, °1966) begon al op haar achtste verhaaltjes te schrijven. Geïnspireerd door de
bezielende lessen van Patrick Lateur studeerde ze Romaanse Filologie. In 2004 behaalde ze de
tweede prijs bij de wedstrijd voor kortverhalen van de Werkgroep Literatuur en Media en kreeg
ze via ex-collega en auteur Bart Madou een eigen rubriek in het cultureel magazine Toverberg.
Uiteindelijk was het Patrick Bernauw die haar via de cursus Literaire Creatie van de Aalsterse
Academie voor Podiumkunsten stimuleerde om de stap te zetten naar het grote publiek.

“Grappig, ontroerend, pakkend: een ideaal bedtijdboek. Maar wees gewaarschuwd: eens je begint te lezen, kan je niet meer stoppen. Zowel de verhalen als de schrijfstijl zijn bijzonder verslavend.” (Kathelijne Denturck)

Het boek wordt op 31 januari 2015 voorgesteld in Moorsel, in het kader van een "volks café-chantant in de Geest van Pee Klak".


24.11.14

Wreed en plezant: de marktzanger in ere hersteld



Een bijzonder interessante site, ook in het kader van Mysterieus België, is Wreed & Plezant, de marktzanger in ere hersteld. Hier is een volksmuziekgroep aan het woord, maar tegelijk krijg je een fascinerende inkijk in ons rijke erfgoed aan allerlei "marktliederen" - of "de boekskes" van vervlogen dagen. Zie bijvoorbeeld de merkwaardige geschiedenis over De Verlatene Jeanne Elisabeth Shrapnell. En ook de afdeling Over Moord & Rampen zal de lezer van Mysterieus België ongetwijfeld interesseren.




Over Moord & Rampen

8.11.14

Kolonel Friedrich Herzenwirth, I presume?





Dit soort dingen gebeurt altijd bij de dood van een groot man of het begin van een belangrijke oorlog. Recent nog, in 1914, moedigden de ‘engelen van Bergen’ de Britse troepen aan. Het bewijs voor die evenementen is zelden solide, en moderne historici weigeren het te accepteren – uitgezonderd, natuurlijk, als het evenement een religieuze betekenis heeft.
Iedere krachtige emotie heeft een neiging tot legendevorming in zich. Als de emotie beperkt blijft tot een invididu, wordt hij beschouwd als zijnde min of meer gek indien hij krediet verleent aan de mythe die hij heeft geschapen. Maar als een emotie collectief is, zoals in een oorlog, is er niemand om de mythen te corrigeren die spontaan optreden.

Bertrand Russel, in An Outline of Intellectual Rubbish



Schoonheid verdwijnt, de duisternis valt. Een man vindt de perfecte frase: ‘De lampen van Europa doven,’ zei sir Edward Grey in 1914. ‘Zij zullen in onze tijd niet opnieuw aangestoken worden.’ In de ogen van de rede is oorlog de totale verduistering van de rede.

Alan McGlashan, in The Savage and Beautiful Country





























Op 17 februari 1930 verscheen in het Britse blad Daily News dit artikel:

In 1914 zagen Britse troepen écht wat zij de Engelen van Bergen noemden, als we het verhaal mogen geloven van een voormalig lid van de Keizerlijke Geheime Dienst van Duitsland. Deze ex-officier, Friedrich Herzenwirth, van wie het relaas werd gepubliceerd door een dagblad in New York, vertelt: ‘De Engelen van Bergen waren bewegende beelden, zichtbaar gemaakt op een “scherm” van mistig witte wolkenvelden in Vlaanderen, door cinematografische projectiemachines gemonteerd op Duitse vliegtuigen die zich bevonden boven de Britse linies.’
De rapporten van Britse troepen gedurende de aftocht uit Bergen op 24 augustus 1914 – dat zij ‘engelen met de afmetingen van mannen’ hadden gezien, die zich in de achterhoede van het terugtrekkende leger leken op te houden – werden door psychologen toegeschreven aan massa-hypnotisme en hallucinaties. Kolonel Herzenwirth zegt nu dat het de bedoeling was van de Duitsers, met deze op een wetenschappelijke manier veroorzaakte ‘visioenen’, een bijgelovige angst te creëren in de geallieerde gelederen. Zij rekenden erop paniek te doen ontstaan en de weigering een vijand te bevechten die leek te genieten van een speciale bovennatuurlijke bescherming. Maar de Duitsers misrekenden zich.
‘Wat we ons niet voorgesteld hadden,’ voegde de kolonel eraan toe, ‘was dat de Engelsen het visioen in hun eigen voordeel zouden gebruiken. Dit was een formidabel stukje contra-propaganda, want sommige Engelsen moeten zich terdege bewust geweest zijn van de mechanismen van onze truc. Hun methode om de engelen als beschermers van hun eigen troepen te interpreteren, deed de balans compleet in ons nadeel overslaan. Indien het Britse opperbevel zich tevreden had gesteld door een simpel legerorder te verspreiden waarin onze valstrik werd ontmaskerd, dan zou het resultaat niet half zo effectief geweest zijn.’
Kolonel Herzenwirth legt vervolgens uit dat de Duitsers meer succes boekten met hun projecties op de wolken van het Russische front in 1915. Daar werd de Maagd vertoond, met een opgestoken hand, alsof ze een teken wilde geven dat de moorddadige Russiche nachtaanvallen gestopt moesten worden. Zoals ook in Vlaanderen het geval was geweest, waren de Duitse vliegtuigen uitgerust met magische lantaarns, voorzien van enorm krachtige Zeiss lenzen, en vlogen ze boven de vijandelijke linies. Een gordijn van sneeuw in de lucht boven het Duitse leger werd gebruikt als een scherm. Hele regimenten die het visioen hadden gezien, vielen op hun knieën en gooiden hun wapens weg, beweert kolonel Herzenwirth.
De truc werd aan het Russische front verscheidene keren herhaald en was telkens succesvol. ‘We wisten van de krijgsgevangenen,’ zegt de kolonel, ‘dat in sommige gevallen officieren werden gedood door de soldaten van hun eigen compagnie, die daarna hun wapens weggooiden, roepend dat zij zich niet schuldig wilden maken aan het schieten op een leger waarover de Moeder van God waakte.’
Met de Fransen in Picardië en de Champagnestreek maakten de Duitsers evenwel een andere misrekening. ‘In plaats van de vrouwenfiguur die we op een nacht projecteerden op de wolken als de Maagd te beschouwen, of als een heilige die ons leger beschermde, herkenden de Fransen haar prompt als Jeanne d’Arc,’ zegt hij. ‘En de balans sloeg nogmaals om in ons nadeel, toen we in Vlaanderen de vrouw veranderden in een man. De Britten beweerden dat het St. George was.’

De volgende dag keerde de Daily News nog eens terug op dit artikel:

Hier volgt een bericht dat we gisteren ontvingen van onze correspondent in Berlijn:
‘Een vooraanstaand lid van Departement Inlichtingen van het huidige Duitse Ministerie van Oorlog verklaart dat het verhaal een grap is en Herzenwirth zelf een mythe of, indien hij toch bestaat, een leugenaar. Zijn bestaan werd officieel ontkend.’
De heer Arthur Machen, de schrijver, deelde de Daily News gisteren mee dat het hele verhaal over de verschijningen berustte op een legende, die door hem werd verzonnen. Ze werd in het leven geroepen, zei de heer Machen, door een verhaal – The Bowmen – van zijn hand, gepubliceerd op 29 september 1914.
‘Het verhaal vertelde hoe, gedurende de aftocht uit Bergen, bepaalde Engelse soldaten vanuit hun loopgraven zagen dat de oprukkende Duitsers met hele regimenten tegelijk neerstortten. Dit was te danken, zo veronderstelden ze, aan hetfeit dat een van hen, voor de helft in ernst maar ook bij wijze van grap had gezegd: “Moge St. George de Engelsen nu ter hulp snellen!” In het verhaal is St. George daarop verschenen, met aan zijn zijde de geesten van boogschutters van weleer, en de Duitsers zouden getroffen zijn door hun spookpijlen. Gedurende de volgende paar maanden gebeurde niets uitzonderlijks, maar ergens in 1915 bleek dat de mensen het verhaal voor waarheid namen. Daarna begonnen zij van de boogschutters engelen te maken. Ze verdraaiden en veranderden het verhaal op alle mogelijke manieren.’
(…)
Een officiële bron uit het Ministerie van Oorlog bevestigde gisteren ook aan een reporter van de Daily News dat de officiële archieven met betrekking tot dit deel van de oorlog geen enkel document bevatten dat verklaringen ondersteunt als zou er door de Britse troepen bij Bergen een verschijning zijn waargenomen.

Op het eerste gezicht is deze geschiedenis zo klaar als een klontje: er bestaat geen kolonel Herzenwirth, en de verklaring van deze mistige figuur – die daarna ook niet meer van zich heeft laten horen – is een fabeltje. Kolonel Herzenwirth beschrijft met andere woorden een fata morgana, maar hij is er zelf één. Voor wie wat dieper ingaat op de hele materie, lijkt dit evenwel al gauw een iets te simplistische redenering. Dat er nooit een ‘kolonel Herzenwirth’ actief is geweest in de Duitse Geheime Dienst, betekent niet noodzakelijk dat wat hij te vertellen heeft alleen maar onzin kan zijn.
Als we de boodschapper even buiten beschouwing laten, kan de inhoud van de boodschap alleszins niet gecatalogeerd worden in de rubriek total nonsense. Dit sterke staaltje van avant-gardistische psychologische oorlogsvoering zou namelijk een oplossing kunnen bieden voor het raadsel dat de engelen van Bergen ons nagelaten hebben. Het zou de ‘missing link’ van Kevin McClure verklaren en het zou verantwoordelijk kunnen zijn voor de allereerste rapporten over engelen door de soldaten van generaal Charteris, die later een eigen leven zijn gaan leiden en waarop zich ook de mythe van St. George en zijn boogschutters heeft geënt.
Ik geef graag toe: het lijkt onwaarschijnlijk – maar, denkend aan het adagio van Sherlock Holmes, wat doe je als er geen andere werkbare hypotheses voorhanden zijn of als die zo mogelijk nog onwaarschijnlijker lijken? ‘Geen onderdeel van het wetenschappelijk criminologisch onderzoek is zo belangrijk als de kunst van het zoeken en volgen van sporen,’ zei Holmes verder nog. En voor de rest moeten we voortdurend uitkijken naar alternatieven (en naar contra-indicaties voor die alternatieven).
Eén contra-indicatie voor de alternatieve hypothese die kolonel Herzenwirth ons aanreikt, is dat hij ‘mistig witte wolkenvelden in Vlaanderen’ beschrijft – en dat de weerberichten eind augustus 1914 hooguit melding maken van ochtendnevel en geen significante ‘mistig witte wolkenvelden’ signaleren in de streek van Bergen. Anderzijds is het frappant dat in heel wat rapporten over waarnemingen van ‘engelen’ eveneens gesproken wordt over wolkenformaties, soms zelfs van ‘lumineuze’ aard.
Andere belangrijke contra-indicaties voor de schijnbaar nogal extravagantie luchtkastelen van Herzenwirth zie ik niet zo meteen. U stelt zich misschien de vraag of het projecteren van beelden op de wolken technologisch tot de mogelijkheden behoorde in 1914? Dat was ongetwijfeld zo.
De Duitse jezuïet, geleerde en mysticus Athanasius Kircher (1601-1680), die ooit wel eens ‘de laatste Renaissance mens’ werd genoemd, wordt wel eens ten genoemd als de uitvinder van de laterna magica, de ‘toverlantaarn’ die beschouwd wordt als de voorloper van de moderne diaprojector. In zijn werk Ars Magna Lucis et Umbrae (De Grote Kunst van Licht en Schaduw) beschrijft hij een techniek die het mogelijk moet maken woorden en beelden te projecteren op de wolken, met de bedoeling het geloof in de ene ware God te verspreiden en te bevorderen. En in 1893 was er een opvoering van Wagners Walküre te zien in de Opera van Parijs, waarbij een vernuftige installatie de toeschouwers de illusie gaf dat er ruiters door de wolken draafden.
Naar het einde van de negentiende eeuw toe werd er ook op het vlak van de optica koortsachtig geëxperimenteerd. Het Nederlandse tijdschrift De Natuur publiceerde in 1883 een artikel over de ‘praxinoscoop van Reynaud’, die het mogelijk maakt ‘de fotografiën van bewegende mensen en dieren als bewegende, “levende” beelden te zien’, maar tegelijk ook voor ‘een groot aantal personen gelijktijdig zichtbaar te maken’.
In 1892 kwam de Franse uitvinder Reynaud al met een zogenaamd ‘Optisch Theater’ voor de dag, waarover De Natuur drie jaar later als volgt berichtte: ‘Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van chronofotografieën, doch van in kleuren geschilderde, dus met de hand vervaardigde voorstellingen op een doorzichtige band. De vertoner kan deze band in de ene of de tegenovergestelde richting doen bewegen met behulp van twee handkrukken. De beelden trekken dan voorbij de lantaarn B en worden door lens C op een hellende, vlakke spiegel M geprojecteerd, en deze werpt ze weder op het doorzichtige scherm E.  Een tweede projectielantaarn D doet tegelijkertijd op het scherm de steeds gelijkblijvende omgeving, het décor, verschijnen, waarin zich de steeds veranderende figuren vertonen, die op de strook A geschilderd zijn. De opvolging der beelden kan ieder ogenblik onderbroken worden zonder dat het beeld ophoudt verlicht en dus zichtbaar te zijn op het scherm. Daardoor kunnen bij de voorstelling van het levendig bedrijf ook ruststanden en herhalingen voorkomen, waardoor zowel de schijn van werkelijkheid als de duur van de voorstelling verhoogd worden.’
Eind 1895 woonde de circusartiest en ontwerper van ‘fantastische schouwspelen’ Georges Meliès een demonstratie bij van de gebroeders Lumière, die ook al druk aan het experimenteren waren met ‘bewegende lichtbeelden’. Hij was er zo van onder de indruk dat hij meteen na de voorstelling een bod deed op hun uitvinding. Toen ze zijn bod weigerden, ontwierp Meliès zelf een toestel waarmee hij zijn onder meer zijn goocheltrucs voor het eerst vastlegde op iets dat wij nu ‘film’ zouden noemen.
Toevallig ontdekte Meliès daarbij dat de film zelf ook mogelijkheden tot goocheltrucs bood. Op een plein in Parijs viel zijn toestel plotseling uit. Hij slaagde erin het te herstellen en toen hij ’s avonds de film in zijn laboratorium ontwikkelde, stelde hij vast dat de autobus op het ene beeld op het volgende beeld een lijkwagen was geworden. Dat bracht hem op het idee allerlei technische kunstgrepen toe te passen op het nieuwe medium ‘film’ en zo bouwde hij de eerste filmstudio ter wereld waar hij naar hartelust kon experimenteren met alle mogelijke trucs en ging hij de geschiedenis in als de pionier van de filmtrucage. Plaatste je bijvoorbeeld een zeemeermin achter een aquarium, dan leek het op de film of zij zich te midden van een school vissen bevond. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werden zijn studio’s in beslag genomen door de militaire autoriteiten, die ook wel oog hadden voor de propagandamogelijkheden van de toen nog revolutionaire nieuwigheid die de ‘cinematografie’ was.



Rond de eeuwwisseling waren er op zowat alle kermissen, maar ook op de wereldtentoonstelling van Parijs, zogenaamde ‘panorama’s’ te bewonderen: ‘door ingenieus bedachte middelen (en door een kunstmatige beweging van het voorgestelde) is het daar gelukt de werkelijkheid nog meer nabij te komen.
Een techniek zoals die volgens ‘kolonel Herzenwirth’ in 1914 zou toegepast zijn bij Bergen, was dus niet alleen denkbaar, maar kon ongetwijfeld ook in de praktijk gebracht worden. Er waren zelfs handiger en makkelijker procédés mogelijk om het effect te verkrijgen dat door Herzenwirth beschreven wordt. De projectoren hoefden niet noodzakelijk gemonteerd te worden op vliegtuigen: men kon er aan Duitse kant luchtschepen of zeppelins voor gebruiken, en zowel de Britten als de Duitsers maakten al van bij het begin van de oorlog gebruik van luchtballons om onder meer vijandelijke troepenbewegingen te observeren. De beelden hoefden overigens ook niet echt te bewegen en konden zelfs vanaf de begane grond geprojecteerd worden – dus niet noodzakelijk om de wolken – om een gelijkaardig effect te bereiken.
Men mag het belang dat gehecht werd – door beide kampen - aan wat wij nu ‘psychologische oorlogsvoering’ noemen, en de kracht van de daarmee gepaard gaande propaganda vooral niet onderschatten. ‘De angst van de Belgische bevolking en de aanhoudende geruchtenstromen kwamen de geallieerden goed uit,’ schrijft Richard Heijster in Ieper 14/18 (Lannoo, 1999) – en hij heeft het hier dan voornamelijk over de legende van de vrijschutters, maar zijn uitspraak geldt evenzeer voor de mythe van Mons die op hetzelfde tijdstip ontstond, of voor het gerucht als zouden de Russen geland zijn in Engeland. ‘Het werkte als smeermiddel op hun reeds op gang gekomen propagandamachine. Er werd geen enkele nuance meer aangebracht als het ging om “het losgebroken beest, de Hun”. Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren de geallieerden de eersten die inzagen dat georganiseerde propaganda uitstekend als wapen kon worden benut. De Duitsers leerden hun lesje. Vijfentwintig jaar later waren ze ware meesters in het, op bijna wetenschappelijke wijze, bespelen van de grote massa.’
Voor dat ‘op bijna wetenschappelijke wijze bespelen van de grote massa’ begaven zowel de geallieerden als de Duitsers zich tijdens de beide wereldoorlogen nogal eens op bovennatuurlijk terrein. Zo werd Nostradamus, al was hij dan een jood, postuum uitgeroepen tot de eerste profeet van het Derde Rijk. Elke keer wanneer de Duitse legers een rivier overstaken, citeerde Goebbels triomfantelijk de volgende vier ‘gereviseerde’ regels van de vier eeuwen daarvoor gestorven ziener:

Beesten wild van honger zullen de rivieren oversteken,
Het grootste deel van het slagveld zal tegen Hitler zijn,
Maar hij zal de leiders in ijzeren kooien rondsjouwen.
Het kind van Duitsland zal geen wet meer erkennen.

De geallieerden volgden al gauw zijn voorbeeld en citeerden vaak hun interpretatie van hetzelfde kwatrijn, wanneer zij op hun beurt een rivier overstaken.
De Engelsen hadden overigens een langere traditie als het aankwam op het koppelen van magische technieken als het voorspellen van de toekomst aan politieke propaganda. In 1213 werd Peter de Wijze, een kluizenaar uit Yorkshire, opgehangen omdat hij de dood van koning John had voorspeld. Verraad en hekserij, heette het. In 1580 verbood Elizabeth I het voorspellen van de dood van een monarch, omdat dergelijke geruchten door politieke agitatoren maar al te gretig werden aangewend om een opstand te ontketenen. Haar rivale, Maria Stuart, noemde dat soort voorspellingen ‘de bron van alle rebellie’.
‘Ongetwijfeld hebben enkele Belgische burgers vanuit hinderlagen op Duitse soldaten geschoten,’ meldt Richard Heijster. ‘Maar het is beslist niet waarschijnlijk dat dit op grote schaal gebeurde. Het bestaan van dergelijke franc-tireurs (vrijschutters) gaf het Duitse leger echter het excuus in handen om het gewelddadige optreden tegen de burgerbevolking gedurende de eerste oorlogsmaanden te rechtvaardigen. Zwaar overdreven verhalen over sabotagedaden, en het op gruwelijke wijze vermoorden van Duitse soldaten door burgers, wettigden in Duitse ogen de meest afgrijselijke vergeldingsmaatregelen. (…) Aanvankelijk sympathieke of neutrale gevoelens voor de Duitse zaak werden negatief beïnvloed door de gruwelverhalen die de kranten in de andere landen publiceerden. Vooral de pers uit de geallieerde staten was handig in het uitbuiten en overdrijven van het Duitse handelen in België. De wildste geruchten werden als waarheid verkocht bij haar poging “het Duitse beest”, de “Furor teutonicus”, aan de kaak te stellen. De georganiseerde stemmingmakerij werkte op volle toeren.’
In zijn boek Dope Girls – The Birth of the British Drug Underground, ook gepubliceerd op het world wide web, schetst Marek Kohn de sfeer van die dagen als volgt:

Het miljoen mannen dat zich in 1914 haastte om dienst te nemen bij het leger, deden dat niet omdat zij zichzelf beschouwden als een gedoemde generatie.Zoals Harold Macmillen het zag: ‘Zowat iedereen meende dat het over zou zijn met Kerstmis. Onze grootste vrees was het vooral niet te missen.’ De mobilisatie toonde aan hoe een moderne gemeenschap functioneerde; zij wierp haar bureaucratische en logistieke organisatie op een nooitgeziene schaal in de strijd. Op deze manier zou de eeuw vorm krijgen, door oorlogen die op een industriële wijze werden georganiseerd, geleid door de immens krachtige en omvangrijke machines van de staat.
De oproep om de wapens op te nemen was alleen maar het crescendo van een campagne die al jaren voordien was ingezet door de populaire pers die zich pas gevestigd had. Een massamedium deed het thema van ‘Koning en Vaderland’ nu door een gemeenschap circuleren, waarvan de verhoogde dichtheid en samenhang een nieuw gewicht gaven aan de publieke opinie en de publieke gevoelens. (…) Toen de oorlog uitbrak, realiseerde niemand zich – en de vrijwilligers die de straten voor de recruteringslokalen blokkeerden nog het minst (…) – dat de oorlogvoering naar de twintigste eeuwse normen van grootte alleen maar kon vergeleken worden met eerdere conflicten zoals een staalfabriek staat tot een schapenboerderij.
De middeleeuwse retoriek van ridderlijkheid en Kroon was even machtig als illusoir. Ze ging niet in rook op toen het duidelijk werd dat ze nergens op sloeg, maar vormde een even explosief als fantastisch mengsel. Net zoals de oorlog een walgelijke hybride was van moderne technologie en archaïsche waarden, was zijn populaire mythologie het produkt van moderne communicatiemiddelen en magische denkbeelden.

Marek Kohn verwijst daarbij naar de mythes van Mons en de Russen van Aberdeen. Dergelijke wensvervullende elementen behoorden al evenzeer tot de ‘fantasie van de oorlog’ als een virulente xenofobie, die voor het eerst op een grote schaal tot uitbarsting kwam nadat de Lusitania in mei 1915 tot zinken werd gebracht. Hierbij verloren 1200 mensen het leven; ondertussen waren reeds vele duizenden Britten gesneuveld aan het front.
Rond de Lusitania – een  passagiersschip dat op weg was van New York naar Liverpool toen het getroffen werd door een torpedo van een Duitse onderzeeër – hebben beide kampen eveneens een kleine, voornamelijk door propaganda-overwegingen gekleurde oorlog gevoerd. Door middel van een advertentie in een groot aantal Amerikaanse kranten probeerde de Duitse ambassade reizigers ertoe te bewegen hun boeking op de Lusitania alsnog te annuleren, omdat het luxe passagiersschip onder Britse vlag door de oorlogszone zou varen en bijgevolg door de Duitse marine zou beschouwd worden als een vijandelijk vaartuig. Bovendien beweerden de Duitsers dat de Lusitania wapens en munitie smokkelde en dus moest beschouwd worden als een oorlogsschip. De geallieerden ontkenden en geen van de passagiers nam de Duitse waarschuwing serieus, met het bekende gevolg.
De hele wereld reageerde diep verontwaardigd, maar uit de snelheid waarmee de Lusitania zonk, kon opgemaakt worden dat het schip misschien wel degelijk wapens en munitie aan boord had. Bovendien leek het door de geallieerde autoriteiten met opzet aan zekere gevaren blootgesteld, waardoor de indruk werd gewekt dat de geallieerden de Lusitania en haar passagiers bewust hadden opgeofferd, om de aarzelende Verenigde Staten zo ver te krijgen dat ze eindelijk voluit zouden meestappen in het conflict. De betrekkingen tussen de Verenigde Staten en het Duitse keizerrijk kwamen door de ondergang van de Lusitania inderdaad zwaar onder druk te staan, maar toch namen de Amerikanen nog niet meteen deel aan de oorlog. Pas in 1917 was het zo ver. De Amerikaanse oorlogsverklaring werd het jaar daarop voor de Duitsers en hun bondgenoten fataal.
Samenvattend kunnen we stellen dat de propaganda-oorlog vitaal was voor de beide strijdende partijen, en dat ook op dat terrein - zowel aan Duitse als aan geallieerde zijde – hevig slag geleverd werd. Zowel de Britten als de Duitsers beschikten bovendien over de middelen en hadden de gelegenheid om op een door kolonel Herzenwirth beschreven cinematografische manier een krachtige illusie te creëren, waaruit een machtige mythe kon ontstaan. We kunnen het kind – in casu ene kolonel Herzenwirth – bijgevolg onmogelijk weggooien met het badwater – met name: de strekking van zijn verklaring. De kwestie van zijn identiteit even buiten beschouwing gelaten, is het zeer goed denkbaar en mogelijk dat de Duitsers – of zelfs de Engelsen – al bij het begin van de oorlog met het soort geavanceerde propaganda-technieken hebben geëxperimenteerd, dat hij beschrijft.
U hoeft kolonel Herzenwirth voor mijn part niet ernstig te nemen, als u maar bedenkt dat de architecten van de recente Golfoorlog dat in ieder geval wel hebben gedaan. Op 5 februari 2000 schreef David Hamling in de kwaliteitskrant The Guardian dit artikel: ‘We zijn in Bagdad in 1991, en er is iets vreemds aan het gebeuren. Een stilte valt over de stad en een reusachtig glimmend gezicht materialiseert in de hemel. Soldaten en burgers vallen op hun knieën wanneer zij de stem van Allah horen, die hen beveelt af te rekenen met de  kwade en verraderlijke Saddam Hoessein. Een paar minuten later bestormt een woedende menigte het paleis, waar de wachters het hazepad kiezen…’
Dit zeer verbeeldingsrijke scenario werd ontworpen door de US Air Force (USAF) om bloedvergieten te vermijden in het Golfconflict. Het idee woorden in de mond van God te plaatsen is niet nieuw. In de Oudheid beschreef Lucianus al een standbeeld van de god Aesculapius die sprak tot de gelovigen, daarbij geholpen door een spreekbuis waarachter een priester zich had verborgen. En de op deze pagina’s reeds genoemde Athanasius Kircher heeft in de zeventiende eeuw een gelijkaardige maquette ontworpen die een gelijkaardig doel moest dienen.
In Bagdad was men van plan een enorm hologram te projecteren dat over geheel Irak moest te zien zijn, met behulp van een spiegel die kilometers hoog in de ruimte was opgehangen. Maar de grootste op dat ogenblik bekende spiegel had een doorsnede van 30 meter en men vond die te klein om een - vanop de grond bekeken - overtuigend beeld te creëren. Men kon ook gebruik maken van een spiegeleffect, verkregen door een opwarming van de lucht. Als warme lucht op koude lucht komt te liggen, is het verschil in dichtheid namelijk voldoende om het licht te buigen. Op grote hoogten kunnen op die manier hele landschappen verschijnen in de lucht, als in een fata morgana. In theorie kon men een artificiële luchtspiegeling tot stand brengen door de atmosfeer op te warmen met radio- of microgolven.
Het militaire apparaat had ongetwijfeld een groot vertrouwen in het potentieel gebruik van holograms. Een denktank van de USAF achtte die zeer geschikt voor ‘strategische doeleinden van misleiding, in het bijzonder als ze gericht zijn tegen een ongesofisticeerde tegenstander’. Het aangezicht van God heeft evenwel een stem nodig en om die overtuigend te laten weerklinken over heel Irak, bleek men nog niet over de juiste technologie te beschikken. Er zat trouwens nog een andere adder onder het gras: de islam verbiedt afbeeldingen van Allah en hoe kun je bijgevolg een beeld van God projecteren als niemand er een idee van heeft hoe Hij er precies uitziet? Bovendien konden de inwoners van Bagdad nu niet meteen bijgelovige wilden genoemd worden; ook zij waren al te vertrouwd met  computergestuurde beeldtaal en flitsende speciale effecten.
Vele ufologen zijn de mening toegedaan dat de onbekende en bewegende lumineuze objecten die sinds de Tweede Wereldoorlog met de regelmaat van een klok in de atmosfeer worden waargenomen niets anders zijn dan supergeheime, zeer gesofisticeerde, nog in een experimentele stadium verkerende militaire vliegtuigen of andere toepassingen van militaire aard. Daar valt iets voor te zeggen, al zijn hun collega’s – de historische ufologen die gelijkaardige fenomenen hebben getraceerd in de geschiedenis – daar om voor de hand liggende redenen niet zo gelukkig mee.
Is de mythe van Mons het gevolg geweest van een supergeheim en voor die tijd zeer gesofisticeerd militair experiment, met als doel de psychische manipulatie van de eigen en/of de vijandelijke troepen?


20.10.14

De mysterieuze dood van Prins Boudewijn van België in 1891



Ivan Dockx (°Herentals 1984) studeerde geschiedenis en godsdienstwetenschappen aan de KU Leuven. Geschiedenis is steeds een grote passie van hem geweest. Vooral historische mysteries spraken steeds tot zijn verbeelding. In zijn boek De dood van Albert I en de roof van de Rechtvaardige Rechters geeft hij een mooi overzicht van alle belangrijke historische gebeurtenissen die op de een of andere wijze banden hebben met het Lam Gods, de dood van Albert I, de tempeliers en tal van mysterieuze organisaties die nog steeds bestaan. Het boek zal verkrijgbaar worden in de loop van oktober, als paperback in alle online boekhandels (zoals ook Bol.com of Standaard Boekhandel) en als ebook bij onder meer Kobo (€ 6,95) en Scribd:



Uit dit boek nemen wij graag voor u het hoofdstuk op rond:

De mysterieuze dood van prins Boudewijn van België in 1891

Het jaar 1869 was een droevig jaar voor de Belgische monarchie. In dat jaar overleed namelijk de troonopvolger en enige zoon van Leopold II, prins Leopold. Dit was een verlies dat de koning nooit meer te boven zou komen. Enkele maanden later werd in de koninklijke familie terug een mannelijke troonopvolger geboren, ditmaal in het gezin van Filips, graaf van Vlaanderen en broer van Leopold II. Deze prins kreeg de naam mee van Boudewijn. Van bij zijn geboorte werd prins Boudewijn aanzien als de kroonprins, de opvolger van zijn oom Leopold II. Zijn vader Filips van Vlaanderen had steeds laten verstaan de troon aan zich voorbij te laten gaan. De prins werd als troonopvolger zeer geliefd onder de bevolking. Vanaf het jaar 1887 –hat jaar waarin hij overigens 18 jaar werd- trad hij meer en meer in de openbaarheid tussen het volk. Op Vlaams grondgebied liet de prins meermaals blijken de Nederlandse taal goed te beheersen. De prins was ook uitermate geliefd in het leger. Op aandringen van koning Leopold II bouwde hij dan ook een militaire carrière uit, bij de grenadiers en de carabiniers.


Natuurlijke dood of niet…?

Aan het leven van deze beloftevolle prins kwam echter abrupt een einde op 23 januari 1891. De Belgische kroonprins was amper 21 jaar oud. Het is hier dat deze bijdrage eigenlijk pas begint. Officieel was de doodsoorzaak een longontsteking, maar al snel deden geruchten de ronde als zou er meer aan de hand geweest zijn. De prins zou helemaal niet overleden zijn aan een longontsteking maar wel verwikkeld zijn geraakt in een passioneel drama…
Meermaals werd deze piste afgedaan als zijnde “volkse” roddels. Roddels van anarchisten, mensen uit linkse hoek die de monarchie schade wilden berokkenen. Dat is normaal gezien ook de bedoeling van roddels. Roddels worden meestal de wereld ingestuurd om een persoon of een instituut te beschadigen. Dit klopt in deze zaak helemaal niet. De verhalen die nu hier en daar in Vlaanderen nog de ronde doen, komen –zoals we hieronder zullen zien- vanuit de hoge adel. Deze verhalen vinden hun oorsprong bij graven, burggraven en prinsen. Mensen die van nabij in contact kwamen met het Hof en ten dienste stonden van de Koning. Vaak waren zij uiterst trouw aan koning Leopold II, zo ook in de meer omstreden Congo-dossiers. Deze mensen uit de hoge adel hadden geen enkel belang bij het feit dat de monarchie in diskrediet gebracht zou worden, integendeel. Het is uitermate duidelijk dat al deze verhalen vanuit de hoge adel komen en niet van gewone mensen. Wel zijn het de gewone mensen, de hoveniers, de koetsiers, de knechten, de dienstmeisjes die flarden van dit verhaal hebben opgevangen en doorgegeven aan het nageslacht.
Een ander argument tegenover deze “indianenverhalen” omtrent het overlijden van prins Boudewijn komt vanuit de medische verslagen. Verschillende historici menen dat het op basis van medische dagverslagen perfect te bewijzen valt dat de prins gewoon stierf aan een longontsteking. Het klopt dat dit op basis van deze verslagen perfect te bewijzen valt. Maar we moeten hier wel de kritische bedenking bij durven maken dat zulke medische rapporten achteraf ook snel konden opgesteld worden, indien dit gevraagd werd of indien dit gewenst was om een schandaal te verbergen. De medische rapporten die bewaard werden zijn uiteraard geschreven door dokters die allen ten dienste stonden van de koninklijke familie. Uit wiens hand men eet, diens woord men spreekt, aldus een oude volkswijsheid?
Wel is er enige correspondentie bewaard gebleven, namelijk brieven die handelen over de toestand van prins Boudewijn. Het kan zeker zijn dat de prins enkele dagen voor zijn dood –omstreeks 16 januari- een kou gevat had, maar deze zou op 22 januari zeker van de baan geweest zijn. Andere correspondentiebrieven handelen allemaal over de plotselinge dood van de prins. Zowel de ziekte als de dood zijn historisch correcte gegevens, maar zijn deze daarom meteen zo nodig aan elkaar te linken? Het is perfect mogelijk dat de prins een kou vatte omstreeks 14 januari, maar dat hij omstreeks 21 januari reeds terug op de been was en terug kon gaan en staan waar hij wilde. Feit is ook dat het paleis geen gezondheidsbulletins van de kroonprins uitbracht, achteraf zogezegd om het volk niet te alarmeren. Toch vreemd dat men geen gezondheidsbulletins uitbracht van de kroonprins, maar wel van zijn zus Henriëtte. Hoewel zij voor de Belgische dynastie in de lijn van de troonsopvolging helemaal niet van belang was.
Zoals Louis Wilmet –de biograaf van prins Boudewijn- zelf zegt omtrent de verschillende theoriën over Boudewijns overlijden, zijn de verhalen die achteraf de ronde deden zeker en vast gebaseerd op historische, reële feiten maar hebben zij niets te maken met de dood van prins Boudewijn. Net hier moet toch enige voorzichtigheid aan de dag gelegd worden. Misschien is men er in het verleden nooit echt in geslaagd om deze zaken geloofwaardig aan elkaar te linken en de optelsom van 1+1=2 te maken. Mijn interesse voor dit onderwerp werd alvast gewekt door een krantenartikel, geschreven door Bart Timperman in de Gazet van Antwerpen enkele jaren geleden. Dit verhaal was zeer vaag, maar na enig onderzoek bleek dat deze skeletstructuur meer en meer kon aangekleed worden met historische gegevens. Hieronder begin ik met het bewuste artikel en zullen we stap voor stap dit verhaal vervolledigen. Uiteraard kan op basis van schriftelijke bronnen nooit bewezen worden dat prins Boudewijn zou zijn omgekomen in een passioneel drama. Deze zaken staan nergens op papier en moest er ooit correspondentie over deze zaken bestaan hebben tussen toonaangevende getuigen dan zou dit –zoals we nog zullen zien- wel eens vernietigd kunnen geweest zijn. Indien men er destijds een doofpotoperatie van wou maken en de ware toedracht wou verduisteren dan moesten uiteraard grondig alle sporen gewist worden.
Heel vreemd blijft dat na de dood van de kroonprins geen publieke groet werd georganiseerd door het paleis, zeker gezien de populariteit van de jonge kroonprins. Meestal gebruikt de monarchie zulke zaken om het volk rondom het koningshuis te verzamelen en zo het belang van de monarchie in het land te bevestigen. Na de dood van prins Boudewijn is dit echter helemaal niet gebeurd. Waarom niet? Was er dan toch iets te verbergen? Twee jaar voordien pleegde de Oostenrijkse kroonprins Rudolf zelfmoord door zich door het hoofd te schieten. Ook deze prins was enorm populair en werd toch nog met een windel om het hoofd opgebaard voor het volk. Zo gebeurde ook bij Albert I na zijn fatale val van de rotsen in 1934. Indien er geen publieke groet kwam dan werden er meestal wel foto’s vrijgegeven van de opgebaarde prins. Zelfs dat gebeurde niet in 1891.
Wanneer we realistisch blijven is het duidelijk dat de ware toedracht van Boudewijns dood enkel aan het licht zou kunnen komen via onderzoek van het lichaam, zulk een onderzoek zal er uiteraard nooit komen. In beschouwing gelaten dat men na 118 jaar nog iets zou kunnen onderzoeken dat informatie kan verstrekken omtrent de doodsoorzaak.
Het behouden van de goede reputatie van prins Boudewijn na zijn dood was voor de koninklijke familie alvast een belangrijk doel. Maria van Hohenzollern-Sigmaringen
–de moeder van prins Boudewijn en van de latere Albert I- liet niet na om te zeggen hoezeer de verhalen en geruchten omtrent de dood van haar oudste zoon haar kwetsten. Wanneer in 1930 een publicatie over de koninklijke familie geschreven wordt drukt Albert I erop : “n’oublierez pas d’ecrire que Baudouin est mort de mort naturelle. Il faut nous aider à arrêter les calomnis”. Deze uitspraak is 40 jaar na de feiten toch wel merkwaardig te noemen. Men wou lang na Boudewijns dood zijn goede naam en faam koste wat het kost behouden en de geruchten die hardnekkig waren en lang doorschemerden de kop indrukken. Omtrent Boudewijns dood vinden we nog verklaringen terug in het jaar 1905 en 1938. De meest merkwaardige verklaring dateert misschien nog uit 1965. Deze verklaringen bevatten flarden van de oplossing of van de puzzel zoals we deze op het einde van het dossier zullen naar voor brengen.
In 1905 spreekt men over “meurtre accompli avec sauvagerie par un mari outragé à la suite d’une liaison coupable entre le prince charmant et une délicieuse femme dont le nom brille aux premières pages de l’armorial”. In 1938 vertelt een religieuze uit Congo dat prins Boudewijn effectief vermoord werd door een liefdesrivaal. Deze jonge adellijke heer zou zijn verbannen door de familieraad naar Congo en daar 2 jaar later zijn overleden te Luluaburg. In het werk van Wilmet worden verschillende adellijke figuren genoemd die mogelijks iets te maken hadden met de dood van de prins. Het meest merkwaardige is misschien nog de getuigenis van minister van Staat Camille Huysmans in 1965. Hij vertelde toen aan pater L. Vercammen dat Boudewijn was neergeschoten door de man van de hofdame waarmee hij te doen had. We mogen toch aannemen dat deze minister van Staat dergelijke verklaring toch niet zomaar uit de lucht greep. De aanzet tot een interessant onderzoek naar deze geruchten, hun oorsprong en accuraatheid was alvast gezet.


Drie verschillende plaatsen, drie dezelfde geruchten…

De grote vraag is natuurlijk waar in Vlaanderen doen vandaag de dag nog steeds geruchten de ronde omtrent het overlijden van prins Boudewijn. Voor zover ik heb kunnen achterhalen zijn er nog drie grote brandhaarden waar de geruchten nog duidelijk aanwezig zijn. Overal komt de kern van het verhaal overeen, enkel de invulling ervan durft al eens te verschillen in de details. Een gegeven dat ook voor deze verhalen pleit is dat ze afkomstig zijn uit drie verschillende dorpen, afkomstig van verschillende mensen die elkaar nooit gezien of gehoord hebben.
Deze verhalen leven nog sterk te Westerlo (provincie Antwerpen), Oudergem (provincie Vlaams-Brabant) en Bovelingen (provincie Limburg). De vraag is natuurlijk : 1) hoe is het te verklaren dat de geruchten omtrent de dood van prins Boudewijn net daar aan de oppervlakte komen en 2) wat is de link tussen Westerlo, Oudergem en Bovelingen? Deze hamvragen maken we hieronder duidelijk. Alles zal te maken hebben met het plaatselijke dorpskasteel en met de adellijke bewoners ervan.

A. Het verhaal van Bovelingen

Te Bovelingen doet het verhaal de ronde dat prins Boudewijn op 23 januari 1891 vermoord werd in het kasteelpark tijdens een duel met een liefdesrivaal. Dit verhaal is bekend bij de plaatselijke heemkundige kring en Jos Schoefs schreef hierover kort iets op de website, omdat hij vond dat dit verhaal bewaard moest worden. Hij had het verhaal van de zoon van de voormalige tuinier van het kasteel te Bovelingen.
Het kasteel van Bovelingen was in die periode in bezit van de familie de Borchgrave d’Altena. Hoewel deze familie bij de gemiddelde Vlaming niet echt een belletje doet rinkelen toch waren zij niet onbelangrijk in de vaderlandse geschiedenis en hadden zij contact met hogere kringen. Ook aan het Hof van Leopold II waren zij uitermate goed bekend. Niemand minder dan Paul de Borchgrave d’Altena was sinds 1886 secretaris van Leopold II. Paul de Borchgrave d’Altena kwam dus vaak in contact met de Koning en wist wat er leefde in het Koninklijk Paleis. Enkele jaren later werd deze Paul zelfs kabinetschef van de Koning tot in het jaar 1901. Het is geweten dat deze functie een zekere macht en aanzien met zich meebrengt en dat dit DE functie bij uitstek is in het Paleis. Enkele jaren geleden schreef men niet voor niets het boek “Koning en Onderkoning” over Albert II en zijn kabinetschef van Ypersele de Strihou. De familie de Borchgrave d’Altena had ten tijde van het overlijden van prins Boudewijn (1891) zeer goede contacten met het Hof en zij hadden daar ook een bron in de persoon van Paul de Borchgrave d’Altena. Het verhaal van Bovelingen heeft op die manier sowieso zijn oorsprong gevonden, later werden flarden van dit verhaal opgevangen door het personeel en op deze wijze in stand gehouden. Niet onbelangrijk is ook te weten dat de familie de Borchgrave d’Altena verwant was aan de familie ’T Kint de Roodenbeke, de kasteelheren van Ooidonk. Het is historisch bewezen dat prins Boudewijn graag te Ooidonk kwam en dat hij er meermaals te gast was op jachtpartijen van de “beau monde” waaraan ook ministers deelnamen.

B. Het verhaal van Westerlo

Het verhaal dat te Westerlo de ronde doet vond zijn neerslag in het bewuste krantenartikel dat ik hierboven reeds aanhaalde. Ik zal dit artikel hieronder weergeven en de kern ervan bespreken.
Ook uit deze versie van het verhaal zou blijken dat prins Boudewijn geen natuurlijke dood stierf, maar dat hij zou zijn omgekomen in een passioneel drama. Men spreekt hier zelfs van een liaison tussen prins Boudewijn en Nathalie de Croy, de kasteelvrouw van Westerlo. Deze vermeende relatie tussen de prins en de kasteelvrouw van Westerlo klopt niet en dit detail zullen we dan ook met de spreekwoordelijke korrel zout moeten nemen. Wel zal achteraf blijken dat een naast en vrouwelijk familielid van Nathalie de Croy bij de zaak betrokken zal zijn. Wat betreft de dader wordt eerst even de prins de Merode zelf vermeld, later zoekt men naar iemand uit de familie de Ligne of de Croy. Het zou zeker en vast iemand van adel zijn die dan later zou zijn omgekomen in Congo. Ook de bron van deze verhalen is overduidelijk. Sinds eeuwen was het kasteel te Westerlo het familieslot van de prinsen de Merode. Henri de Merode was een man die gekend was aan het Hof, zo ook zijn vrouw Nathalie de Croy. Henri de Merode was een trouw politicus en stond perfect op dezelfde lijn met Leopold II inzake Congo. Hij was dan ook een zekere periode minister van Buitenlandse Zaken en was bereid om bepaalde kosten van het Congo-avontuur over te laten nemen door de Staat. Hierrond ontstond toen een discussie waardoor de prins de Merode ontslag nam als minister. Het gezin de Merode-de Croy had dus goede contacten met het Hof. Henri de Merode vanuit zijn politieke functies en Nathalie de Croy vanwege haar familiale contacten en vriendschappen. De kern van het verhaal te Westerlo staat op dezelfde voet als het verhaal te Bovelingen maar is meer gespekt met details. De kern blijft ongetwijfeld dezelfde en ook de wijze van overlevering is hetzelfde. Via de familie de Merode kwamen flarden van het verhaal aan de oren van dienstpersoneel die het navertelden aan hun afstammelingen.

Wat we voor het vervolg van deze bijdrage onthouden uit het verhaal van Westerlo is het volgende :
-het verhaal te Westerlo ontstond op basis van verhalen van dienstpersoneel en oud-kolonialen
-prins Boudewijn zou een relatie hebben gehad met een getrouwde vrouw, men geeft hier als mogelijke liefdespartner Nathalie de Croy, de kasteelvrouw van Westerlo. Dit zal een vergissing zijn die we later zullen recht zetten. Maar we moeten wel zoeken binnen de familie van Nathalie de Croy.
-de dader zou van adel zijn en naar Congo zijn verbannen om daar te sterven
-het dienstpersoneel dat bij de moord betrokken was zou zijn weggepromoveerd naar Duitsland.

C. Het verhaal van Oudergem

Dit verhaal is sowieso anders dan de andere verhalen. Hier wordt niets verteld over de plaats van de moord, maar wel over de omstandigheden. Prinses Ludmille d’Arenberg (°1870) zou de inzet geweest zijn tijdens een duel tussen prins Boudewijn en een liefdesrivaal, mogelijk de man van Ludmille d’Arenberg. De prins zou dodelijk gewond geraakt zijn en aan deze verwondingen zou hij zijn gestorven. Deze verhalen doen te Oudergem de ronde vanaf het jaar 1913. In dat jaar betrekt de prinses d’Arenberg aldaar het kasteel “La Solitude”. Zij zal daar blijven wonen tot aan haar dood in 1953. Zij leefde teruggetrokken van de buitenwereld, maar bij haar komst naar Oudergem hadden de geruchten haar vergezeld. De persoonlijkheid van de prinses d’Arenberg maken het verhaal nog interessanter. Het zou goed mogelijk geweest zijn dat zij een belangrijke rol speelde in dit hele verhaal, wellicht was zij de spilfiguur, de inzet van het conflict. De prinses behoorde tot de hoogste adel in ons land en had verschillende en goede contacten –haast familiale- met het Hof. Daarenboven was zij van dezelfde generatie als prins Boudewijn (°1869). Ook inzake dit verhaal is de bron sterk te linken aan deze hoogadellijke familie en aan het kasteel “La Solitude”. Later zette het dienstpersoneel deze mondelinge traditie opnieuw verder.

De rol van de eerste kolonialen?

Zoals we hierboven gezien hebben duikt hier en daar in het verhaal toch ook een link op naar de eerste Belgische kolonialen. Waarom de dood van prins Boudewijn gelinkt wordt aan de eerste Belgische kolonialen is ook logisch te verklaren. Tijdens het jaar 1891 waren de eerste Belgische verkenningen in de nieuwe kolonie Congo namelijk pas begonnen. Men zocht voor deze expedities vooral jonge mannen die wat militair onderlegd waren. Het spreekt vanzelf dat ook enkele mannen van adel in dit avontuur stapten. Voor dit verhaal zijn twee namen belangrijk : namelijk Ernest d’Ursel en Odilon de Heusch.

A. Ernest d’Ursel

Een van de verhalen omtrent de dood van prins Boudewijn verwees naar iemand van adel die zou zijn verbannen naar Congo en kort daarna zou zijn overleden in Luluaburg. Aan deze beschrijving voldoet slechts 1 persoon : namelijk graaf Ernest d’Ursel (1866-1892).  Volgens bepaalde geruchten was dit de moordenaar van prins Boudewijn eind januari 1891. Ook journalist en royaltywatcher Jan Van den Berghe schreef dit in een van zijn werken omtrent het koningshuis. Ernest d’Ursel zou na de moord op de kroonprins door zijn familie veroordeeld zijn en verbannen zijn naar Congo om daar te sterven. Vier maanden na de dood van prins Boudewijn vertrok hij samen met Henri de Croy naar Congo. Begin januari 1892 –nog geen jaar na de dood van prins Boudewijn dus- overleed hij te Luluaburg. Volgens sommigen had Henri de Croy hem vergiftigd. Wat in dit verhaal wel zou kunnen kloppen is zeker en vast de leeftijd van Ernest d’Ursel. Hij was geboren in 1866 en behoorde ongetwijfeld tot de generatie van prins Boudewijn (°1869). Voorts was Ernest d’Ursel ook militair onderlegd en was hij vastberaden carrière te maken in het leger. Het is geweten dat prins Boudewijn actief was bij de grenadiers en carabiniers en dat hij een groot hart had voor het leger.

B. Odilon de Heusch

Het tweede verhaal is het verhaal van baron Odilon de Heusch (1869-1893). Odilon de Heusch was de neef van baron en luitenant-generaal Waldor de Heusch. De telgen uit de familie de Heusch waren echte militairen en hun voorvader had zijn sporen verdiend te Waterloo. Waldor de Heusch had een mooie carrière gemaakt in het leger en gaf ook les aan de Koninklijke Militaire School. Waldor gaf ook privélessen aan prins Boudewijn in krijgskunst. Waldor de Heusch kende prins Boudewijn dus zeer goed. Ook zijn neefje Odilon de Heusch wou carrière maken in het Belgische leger. Hij was van hetzelfde geboortejaar van prins Boudewijn en gezien hun gezamenlijke band met Waldor de Heusch is het mogelijk dat zij bevriend waren met elkaar. Ook Odilon de Heusch werd omstreeks 1891-1892 naar Congo gestuurd. Volgens familielid en auteur Luc de Heusch zocht hij in Congo echter geen eeuwige roem maar wel de dood. De dood omwille van het feit dat hij meer wist omtrent de dood van prins Boudewijn op 23 januari 1891.  Dit familieverhaal geeft verder nog enkele merkwaardige details. Volgens Odilon was de prins verwikkeld geraakt in een duel met een jonge, hoge aristocraat, “mari jaloux”. Het duel zou plaats gevonden hebben in een zogenaamd “hotel” of stadspaleis dat later dienst deed of nog steeds doet als Amerikaanse ambassade. Odilon de Heusch was een van de getuigen van dit duel. Deze zaak moest op bevel van het Hof echter geheim blijven en de getuigen of betrokkenen aan deze zaak werden weggepromoveerd of naar Congo op missie gestuurd. Voordat hij vertrok werd Odilon nog benoemd tot luitenant. Hij overleed te Congo in de strijd tegen de Arabische slavenhandel op 17 november 1893. Luc de Heusch stelt in zijn boek ook vragen bij het vertrek in april 1891 (enkele maanden na de dood van Boudewijn) van 2 jonge “adellijke” officieren naar Congo met als opdracht dezelfde missie. Ongetwijfeld een verwijzing naar d’Ursel en de Croy.