Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

15.5.13

Mespelare: Van een Gouden Wieg die een UFO was





Zopas verscheen het nieuwe boek van Patrick Bernauw, Van Galgenberg tot Duivelsput, dat deel uitmaakt van het gelijknamige GPS-bosspel in Affligem. Hier volgt een uittreksel, dat betrekking heeft op een sterk verhaal uit Mespelare, over een Gouden Wieg... die best wel eens bemand kan zijn geweest door een Ufonaut. 



Beste Patrick Bernauw,

Tusschen Aalst en Dendermonde ligt een klein stil dorpke van amper drijhonderd zielen, en één zonder ziel, zeggen de geburenparochies: Mespelare, dat heel oud is.
Op dat klein dorpke staat maar een ding dat groot is: de toren en tegen dien toren staat weer een klein proper kerkje geplakt.
En op den toren, een ding dat ze maar in de steden hebben: een beiaard.
De toren, ontdaan van zijn top – zijn turksche muts, zeggen de menschen, – is heel en al de toren van een ouden burcht met vier slagtorentjes of kanteelen, en is gebouwd geweest in den tijd der Noormannen en misschien wel tegen de Noormannen (…). Nu nog wordt daar, en in de ronde, de legende van de gouden wieg verteld, alhoewel ze gevonden is geweest over bijkans tweehonderd jaar… gouden wieg die in het lommer van den toren begraven lag.

Zo start een verhaal voor de jeugd van de hand van Jef Scheirs, ’t Geheim van den Toren, samen met een ander kort verhaal van dezelfde auteur verschenen in 1931, als nummer 46 in een reeks die toen nog Vlaamsche Filmkens heette. De originele versie zat in het pakket dat ik je in 1989 heb bezorgd, als grote fan van de reeks radiodocumentaires Fantastisch Vlaanderen. Een van de nagelaten geschriften van de momenteel ook al totaal vergeten streek-schrijver Philippe Verbrugghen bleek een in diverse opzichten bijzonder merkwaardig essay te zijn over dit korte verhaal van nauwelijks 14 pagina’s.





De gouden wieg werd niet bijna 200 jaar geleden gevonden, merkt Philippe Verbrugghen op, maar nog geen 100 jaar geleden, in 1854, en wel door Eugène De Smet. En wat de ‘turkse muts’ betreft: een aanzienlijk aantal Vlaamse sagen en legenden heeft te maken met een ‘Turkenschat’ of ‘een schat van de Saracenen’. De volksmens heeft het nu eenmaal niet zo begrepen op historische nauwgezetheid en beseft niet dat de Turken zich nooit in deze contreien hebben opgehouden. Wel is het zo dat de geestelijke overheid er steeds de idee heeft ingehamerd dat ‘de Turk’ de Antichrist is. Van elke buitenissige indoctrinatie blijft nu eenmaal iets hangen en op die manier werden Saracenen en Turken, maar ook heidenen, vrijmetselaars en Tempeliers door de volksmens over één kam geschoren. Al is de Antichrist in onze gewesten voorlopig verslagen, zo luidt de boodschap van talloze volksverhalen, toch heeft hij hier talloze schatten verstopt, in de hoop die ooit te kunnen ophalen.
Verbrugghen vond het wel bijzonder intrigerend dat er zelfs een Gouden Maphomet  opdook in een sage uit het Oostvlaamse Wanzele, een gehucht bij Lede, gelegen op een paar stevige boogscheuten van Aalst, of Affligem. Het ging dan meer bepaald om een afgodsbeeld, verborgen  onder de kelder van een oud huis, dat daar voor vervelende Poltergeist-fenomenen zorgde. En nauwelijks vijf kilometer verder, in de schaduw van de kerktoren van Mespelare, met zijn ‘Turkse muts’, was dan weer een ‘gouden wieg’ begraven die werd bewaakt door een Turks spook. Telkens een schattenjager in de buurt kwam, deed het spook de schat nog dieper in de grond zinken. De geest leek er nog steeds heilig van overtuigd dat zijn Turkse broeders ze op een goeie dag zouden komen ophalen, vandaar dat de kerktoren een ‘Turkse muts’ had. Het was niet meer of niet minder dan een herkenningspunt.
Hierbij kan men zich de vraag stellen waarom de inwoners van Mespelare van hun kerktoren in godsnaam een herkenningspunt wilden maken voor de Antichrist. Maar op het eind van de 18de eeuw – niet toevallig tijdens de Franse Revolutie – zouden ze al eens een gouden klok uit de kerktoren gehaald en in de grond verborgen hebben, ‘in de schaduw van de kerktoren’. Om het vervolgens strikt geheim te houden of de gouden klok verborgen was in de schaduw die werd afgeworpen in de winter of in de zomer, en ’s ochtends, ‘s middags of ’s avonds.
Een en ander kan bijgevolg alleen verklaard worden door het feit dat sagen wel eens meer uitblinken in een gebrek aan logica… of als we er rekening mee houden dat de kerk van Mespelare een van die van oudsher gewijde plaatsen was, waar een christelijke eredienst werd geënt op een veel oudere heidense cultus, en waarbij elementen van beide strekkingen innig met elkaar verstrengeld raakten. Misschien is dit ook een van de redenen waarom ‘de schatten van Affligem’ – met onder meer het infame boek Necropolis – uiteindelijk in Mespelare werden verborgen, in de schaduw van die vreemde kerktoren met zijn idiote Turkse muts, nadat de monniken van Affligem door de Sansculotten uit hun abdij waren verdreven en hun heil hadden gezocht in het kasteel van Overham, en daarna in Dendermonde. Mespelare lag zo ongeveer halverwege.

In de jaren 1745 deed de pastoor van Mespelaere een horlogiemaker uit Brussel komen om zijn beiaard met zijn zestien kleine klokjes erin, weer te doen spelen.
Jaren en jaren was het kerkhorlogie kapot en meteen het mekaniek dat de deuntjes uit de klokken sloeg als het uur of half uur was.

‘In werkelijkheid,’ schreef Philippe Verbrugghen, ‘gebeurde dit niet in 1745 maar in 1854, en was het de heer Eugène De Smet die geheel op eigen initiatief zijn diensten aanbood aan de pastoor van Mespelare, om de kapotte beiaard te herstellen. Hij was in het gezelschap van een “horlogiemaker”, die dadelijk de kerktoren in kroop en het oude raderwerk van de horlogie begon los te vijzen.’
Nadat de monniken door de Franse revolutionairen in 1796 uit de abdij van Affligem waren verdreven, was het klooster vervallen tot een ruïne. In deze kritieke periode gingen zij op zoek naar andere manieren om het Kwaad te beteugelen, dat sluimerde onder het ondoorgrondelijke water van de Zwarte Vijver. Uiteindelijk leidde dat tot de stichting van een naamloos geheim genootschap, dat onder de leiding van Eugène De Smet zelfs overging tot het bouwen van het Kasteel van Boechout. Maar blijkbaar hield deze heer er een dubbele agenda op na, en besloot hij op zeker ogenblik voor eigen rekening te gaan werken.
Wat er vervolgens gebeurde, beschrijft Scheirs met deze woorden:

Lijk hij den beitel op den muur zet en gereed is er met den hamer op te slaan, ziet hij letters en teekens in den muur en het geheel leek wel op een ouden zonnewijzer, zooals op ’t eerste blad geteekend staat. Hij laat beitel en hamer vallen, grijpt een van zijn lanteerns en belicht er het vreemde schrift mede.
Lang staarde hij erop en las de verschillende woorden, die hij heel goed verstond, alhoewel het Latijn was. Want het waren meestal zeer ontwikkelde en geleerde menschen die horlogiemaker waren en die stiel werd in dien tijd aanzien als iets dat groote wetenschap veronderstelde.

‘In werkelijkheid,’ schrijft Philippe Verbrugghen, ‘stuurde mijnheer De Smet zijn gezel meteen weg, want horlogiemakers waren inderdaad zeer ontwikkelde mensen… die Latijn kenden. En hij wilde de vreemdsoortige schatkaart waarvan hij wist dat ze hier te vinden moest zijn, geheel alleen ontleden.’
Erg moeilijk was het niet. Onderaan in de cirkel stond: ‘restituas deo’. Het ging dus om iets dat aan God diende te worden teruggegeven, en bijgevolg ooit van Hem was geweest. Blijkbaar werd deze heilige schat, of dit gewijde geheim, verstopt in Mespelare op 25 december van het jaar 754, met andere woorden tijdens de Kerstnacht van het jaar dat de kluizenaar Radulfus werd geconfronteerd met een toverfluit die hem in een paar uur tijd een periode van 300 jaar liet overspannen. En dat gebeurde in umbra turris, in de schaduw van de toren, afgeworpen om twaalf uur ’s nachts… want het pijltje wees naar de nacht. En het wees niet naar het oosten, het westen of het zuiden vanwaar respectievelijk het licht, de regen en de zon afkomstig waren, maar naar het noorden, vanwaar de sneeuw kwam. Daar, op XX CUB(ITUS) – of 20 ellen van de torenmuur – en III CUB P – of 3 ellen diep – moest iets te vinden zijn.
Eugène De Smet liet zijn horlogiemaker de klok herstellen, zodat de beiaard weer kon tinkelen. Ieder uur weerklonk in de toren hetzelfde wijsje, en alle kinderen van Mespelare zongen het mee:

Ik kom van onder de aarde,
Isa Belle, Isa Belle!
Ik kom van onder de aarde,
Lisa Belle Fonteyneke!

Ongetwijfeld heeft De Smet het daarna op een akkoordje gegooid met de pastoor van Mespelare, die wellicht niet op de hoogte was van de werkelijke draagwijdte van het geheim waarop zijn kerk was gebouwd, en zonder dit geheim – waarvan ook hij slechts zeer onvolledig was ingelicht – te onsluieren. Anders valt het niet te verklaren hoe hij erin slaagde ongestoord de schatten van Affligem op te graven, die in de schaduw van de kerktoren waren verborgen.
Hoe dan ook, die nacht ging Eugène De Smet daar aan het werk, vergezeld van een paar hondstrouwe knechten, en voorzien van spade, koevoet en houweel.
Jef Scheirs heeft het nog steeds alleen over Judas Hanket, en hij beschrijft het zo:

Het zweet droop weldra van zijn kop, maar hij vertraagde niet. Af en toe mat hij de diepte uit en op twee meters diepte stootte zijn spade op een steen.
Zijn hert bonsde weerom; hij was vlak op den steen gekomen die den schat bedekte.
Met koortsachtige haast smeet hij de laatste aarde ervan weg en deed zijn lanteern nu branden in den kuil.
Weldra zag hij dat in plaats van een er drij langwerpige arduinen lagen, en dat ging zijn taak merkelijk verlichten.
Hij klauterde den kuil uit en zocht naar zijn koevoet – een lang en zwaar breekijzer dat hij mede gebracht had (…). Dan wipte hij terug den kuil in, stak de snee van den koevoet tusschen de twee arduinen en wrong er een uit den weg. Met zijn lanteerne in zijn hand, hurkte hij neer en keek in de opening.
Een zwartachtige stof die er uitzag lijk klammigen grond, lag tot tegen de steenen; hij tastte eraan en hij voelde dat het vlas was, rot en zwart geworden van jaren en geslotenheid en hoe hij er los door neep.
Met zeven haasten scharrelde hij een laag weg en toen flikkerde er in het licht van zijn lanteerne goud en zilver.

In het verhaal van Scheirs vindt Hanket een kerkschat van goud en zilver en een ‘monstrans van een meter hoogte, van ’t zuiverste goud’; er hangen ‘zes gouden engelen’ aan en in het midden, waar het heilig Sacrament rustte, ‘was het ééne schittering van kostelijke steenen.’ Hanket neemt de kelken en kruisen van goud en zilver mee, en hij verstopt de ‘gouden wieg’ – die te groot en te zwaar is om ook nog mee te nemen – in de kerktoren onder het raderwerk van het horloge, waar hij ze later kan komen halen.

Op een bamisavond laat, als het gierde en stormde en water goot, dook hij weer op in het dorpke. De deurkes van de huizen waren al toe en gesloten, de lampen uitgedraaid en de menschen pas te bed.

Merkwaardig is de nadruk die Scheirs legt op de ‘bamisavond’. Bamis betekent eigenlijk ‘Baafmis’; het is een samentrekking van Bavo-mis, en dus de feestdag van Sint-Bavo, op 1 oktober. De ‘Bamismaan’ is de eerste volle maan van de herfst en ‘Bamisweer’ typisch herfstweer: regen met hevige windstoten. Bavo werd overigens geboren als Allowin, een roofridder met een bijzonder duistere reputatie, die in verband wordt gebracht met de sage rond de middeleeuwse seriemoordenaar Heer Halewijn. Onder invloed van de heilige Amandus bekeerde hij zich, nam de naam Bavo aan en trok hij zich als kluizenaar terug in een boom, om ten slotte een christelijke heilige te worden.

Behoedzaam ging hij naar de kerkdeur, opende deze met zijn nagemaakten sleutel, sloot ze weer vast achter hem en ging den bekenden weg op naar den toren. Boven deed hij een dievenlanteern branden, klauterde nu de trap op naar het bovenste verdiep, waar het raderwerk der horloge stond en vergewiste zich snel of de monstrans nog altijd achter het ijzeren beschot lag, waar hij ze had weggestoken.
Een blijde zucht ontging hem; ze lag er nog zooals hij ze er gelegd had.
Met ’n haaste greep hij het pronkstuk op, bekeek het welgezind, vees het ijzeren beschot terug vast en daalde naar beneden.
Onder in de kerk deed hij zijn lanteerne uit en meende naar de deur te stappen toen een zware harde stem in den donkeren hem toeriep: ‘Sta!’
Een oogenblik schrok Hanket, maar zijn hand had reeds een dolk vast om neer te steken wie hem den uitgang mocht beletten.
Zijn oogen boorden door de donkerte, maar zagen niemand; zijn ooren luisterden, of hij geen stap hoorde die naar hem toekwam…
Niets bewoog… niets!
Hanket begreep dat hij in den donkeren niet vooruit kon; en… zou hij den andere, die hem opwachtte, den tijd geven om licht te maken?...
Maar het was niet noodig… Plots kwamen uit het donkere portaal twee helle stralen en Hanket liet zijn dolk vallen…
Daar stond groot en vervaarlijk een reusachtig menschengeraamte met den knokigen schouder tegen de kerkdeur geleund; in de groote oogholten draaiden glinsterende bollen, die vuur uitstraalden en het gansche portaal verlichtten. Tusschen de beenderige vingers hing de kerkdeursleutel te bengelen dien Hanket er had laten opsteken.
Hanket versteef van schrik, meende te vluchten dieper de kerk in, maar kon niet meer; hij was als verlamd. Traag kwam het geraamte naar hem toe; de arm kwam dreigend vooruit en uit de holle mond klonk weer bevelend zwaar en hard: ‘Zet neer, wat ge gestolen hebt!’
De monstrans ontviel hem vóór hij ze neerzette. Toen lei het spook zijn koude vingers rond de keel van Hanket, sleurde hem naar de kerkdeur, opende deze en stootte hem buiten…
Daar viel hij dood neder. ’t Was middernacht en de beiaard tinkelde in den bamisstorm… en een zware harde stem zong hoog in de lucht het vooizeken mee:

Ik kom van onder de aarde,
Marelle gezel, Marelle gezel,
Ik kom van onder de aarde,
Marelleken!

’s Anderendaags vond de koster den doode en herkende den horlogemaker. Seffens was heel ’t dorpke te been, maar de verrassing ging nog hoger toen men de groote kostelijke monstrans vond in het midden van de kerk.

‘De waarheid klinkt uiteraard anders,’ besluit Philippe Verbrugghen. ‘In Mespelare heeft men de legendarische Gouden Wieg nooit gevonden, niet in 1854 en niet in 1745. De enige schat die er ooit werd opgedolven, in april 1607 door een arme boer die in de schaduw van de kerk een stukje grond omspitte, was een aarden kruik gevuld met gouden munten, edelstenen en bewerkt ivoor uit de 2de eeuw na Christus. Vermoedelijk werd die daar inderhaast begraven door een rijke bewoner van een Romeinse villa, toen er een pestepidemie heerste in de streek.’
Sinds 754 was er wel altijd een Gouden Wieg geweest, in Mespelare. In ‘de Franse tijd’, op de vlucht voor de Sansculotten, hadden de monniken van Affligem er ook die andere occulte schat in ondergebracht. ‘Gewone’ kerkschatten – gouden en zilveren kelken en kruisen, bezet met edelstenen – werden er door mijnheer De Smet niet aangetroffen in Mespelare. Best mogelijk dat die in Liedekerke, Mazenzele of ergens langs de Aalsterse Dreef in Moorsel werden verstopt, waar de monniken van Affligem vervolgens gretig voedsel hadden gegeven aan legenden rond verzonken klokken en schatten, om mogelijke schattenjagers op een dwaalspoor te brengen. En dan lag het voor de hand dat de monniken van Affligem Eugène De Smet in vertrouwen genomen hadden – dat was zelfs noodzakelijk, als hij in het nieuw gebouwde Kasteel van Boechout de zeer wereldse bewaker van de Duivelsput moest worden – en dat hij hun vertrouwen had beschaamd, en geen weerstand had kunnen bieden aan de lokroep van de Necropolis, Het Boek van Verboden Kennis.
Volgens een artikel dat Philippe Verbrugghen publiceerde in De Gazette van Assche van 6 maart 1937 deed Eugène De Smet er twee nachten over om de Gouden Wieg – met inhoud – uit Mespelare te smokkelen en naar het Kasteel van Boechout over te brengen. De Gouden Wieg had wel degelijk de vorm had van een wieg, was ongeveer een meter hoog, en er kon een volwassen man in plaatsnemen. Ze was echter niet gemaakt van goud, maar van een volslagen onbekende, goudachtig glanzende en zeer lichte metaallegering.
De schetsen die De Smet later van de Gouden Wieg zou maken, doen ons onwillekeurig denken aan een ontdekking die werd gedaan door het team archeologen van Alberto Ruz L’Huillier, dat tussen 1949 en 1952 door de Mexicaanse regering naar de oude Maya site van Palenque werd gestuurd. Onder de Tempel van de Inscripties vond dit team de tombe van Pakal de Grote, een Meso-Amerikaanse tijdgenoot van de Heilige Amandus, met op het deksel van een sarcofaag een raadselachtige tekening.


Erich Von Däniken vergeleek de pose van deze man met die van een astronaut van Project Mercury: de Maya zit in het midden van een merkwaardig toestel, voorovergebogen, draagt een masker, manipuleert een controlepaneel, en de hiel van zijn linkervoet rust op een soort pedaal. Hij zit in een nogal gecompliceerde stoel… al kun je het ook zo interpreteren dat hij ligt in een vliegende wieg, een kleine éénpersoons-UFO (je ziet zelfs de vlam van de uitlaat).
In deze Gouden Wieg zat echter geen Maya, en ook geen astronaut – hoewel…
In het merkwaardige toestel zat een mansgrote automaat – nu zouden wij het een robot noemen – en in zijn handen hield hij het verdoemde boek Necropolis.
Hij was lang en smal, en hij had een donker uiterlijk, als van een Moor, en een volstrekt kale knikker. En hij droeg de zwarte pij van de benedictijner monniken van Affligem.
En deze ufonaut was niets (of niemand?) meer of minder dan de Robot Radulfus.

Geen opmerkingen: