Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

8.10.12

Affligem: Het Wondervogeltje



Vuur, sta stil!


 
Volgens sommigen zou de Kluiskapel van Affligem een restant zijn van de 'eerste Affligem abdij', gesticht door Sint-Ursmarus, die in het begin van de achtste eeuw in onze streken het evangelie verkondigde. Bij een machtige oude eik en een bron bouwde hij een kluis.  Anderen situeren de stichting van de Kluiskapel op de Boekhoutberg. Bos en kapel waren hoe dan ook al in het bezit van de abdij van Affligem, toen die een tweede keer, en nu officieel, gesticht werd in de elfde eeuw. Waarschijnlijk werd de kapel gebouwd voor monniken die zich tijdens het vesten wilden terugtrekken als kluizenaars. In 1758 werd de kapel vernieuwd; wat er nu nog staat, is het koor van dat gebouw. In de tweede helft van de 20ste eeuw, toen de kapel totaal vervallen was, werd ze gerestaureerd door de “Vrienden van de Kluis”, en door de Vlaamse Toeristenbond voorzien van twee prachtige glasramen, van Frits en Monica Kieckens, die een paar straffe abdijlegenden uitbeelden.

Op het glasraam aan onze rechterkant zien we de monnik Radulfus met opgeheven armen voor de brandende abdijkerk staan. Deze 12de eeuwse monnik had al 16 jaar niet meer gesproken, men noemde hem dan ook de Zwijger. Maar voor een brand in de abdijbrouwerij wilde hij nog wel eens wat zeggen. "Vuur, sta stil!' bijvoorbeeld - waarmee de brand prompt werd gedoofd. Radulfus werd begraven in de Kluiskapel en er zouden heel wat mirakelen op zijn graf gebeurd zijn.



Duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren...

 
Op het tweede glasraam zit een monnik geknield naar de hemel te staren. Achter hem zien we een boom met een vogeltje. Ooit zou een monnik namelijk door het Kluisbos gewandeld hebben, mediterend over het psalmvers: 'Want duizend jaren zijn in Uw ogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is.' - En plotseling hoorde de monnik toen een vogel zo lieflijk zingen, dat hij er alles en iedereen bij vergat. Toen hij naar het klooster terugkeerde, herkende hij niemand meer, en werd hij door niemand herkend... want hij was honderd jaar afwezig geweest.

De magisch-realistische legende van het Wondervogeltje herinnert onwillekeurig aan Rip van Winkle, een kort verhaal van de Amerikaanse auteur Washington Irving, dat zich afspeelt voor en na de Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog. De vriendelijke Rip van Winkle is van Nederlandse komaf. Hij leeft vreedzaam in de Catskill heuvels, waar hij geliefd is door iedereen, behalve zijn vrouw (omdat hij haar én zijn boederij nogal verwaarloost).  Om van haar gezeur af te zijn, loopt hij op een dag de heuvels in, waar hij na een ontmoeting met een vreemde geklede man die beweert de geest te zijn van een man die bijna twee eeuwen eerder leefde. Ze spelen een spel en drinken nogal wat alcohol, waarna Rip in de schaduw van een boom in slaap valt... en twintig jaar later ontwaakt.  Zijn vrouw is overleden, zijn vrienden hebben het dorp verlaten, er blijkt een revolutie plaatsgevonden te hebben en George Washington is nu president van een onafhankelijke staat.

Ik heb zelf nog een (korte) versie van de Legende van het Wondervogeltje gepubliceerd in de reeks Fantastisch Vlaanderen van A tot Z, die destijds verscheen in de Vlaamse Filmpjes. Maar op de site van Toerisme Affligem vertelt Ben Vermoesen een paar nog vollediger varianten na, onder de titel De monnik en het eeuwigheidsvogeltje.


 

De monnik en het eeuwigheidsvogeltje


De Vlaamse volksschrijver Jef Scheirs (Oudegem, 1885 - St. Agatha-Berchem,1960), bekend van onder meer De filosoof van Haegem, was afkomstig uit de streek en laat zijn versie van het verhaal beginnen in 1089, in een oud klooster op de Boekhoutberg. Broeder Hildebrand kan het wonder van de eeuwigheid maar niet vatten, en smeekt God hem dan toch 'een klein beetje eeuwigheid' te laten voelen. Meteen begint er 'een blinkend vogelken almachtig schoon' te zingen.  Wanneer het vogeltje weg vliegt, beseft Hildebrand dat hij zich moet haasten als hij nog op tijd in de kerk wil zijn. Maar in plaats van een klooster, vindt hij alleen nog een ruïne. Een eind verder ontdekt hij een ander klooster, maar daar herkent hij niets of niemand. Broeder portier denkt dat hij zwakzinnig is en brengt hem bij abt Fulgentius, aan wie Hildebrand uitlegt wat er is gebeurd. En bij vader abt gaat er een licht op: in zeer oude manuscript heeft hij inderdaad ooit gelezen over een broeder Hildebrand, die verdween op 2 november 850, de dag dat het klooster door de Noormannen in puin werd gelegd...
 
Een oudere versie verscheen in Gazet van Assche van zondag 16 en zondag 23 december 1906 en werd geschreven door 'een volksjongen van Meldert'. Deze keer heet de monnik Felix en begint het verhaal in 788. Op een keer stuurt de stichter van Affligem, de later heilig verklaarde Ursmarus, bij wijze van beproeving de arme pater Felix het holst van een winternacht in, om hout te hakken. Terwijl pater Felix aan het werk is, hoort hij opeens het 'zoete gezang' van een vogeltje. Betoverd door het vogeltje, volgt de monnik het dieper en dieper het bos in:

En weet wel, beste lezer, gij hebt misschien van uw ouders horen zeggen toen ter tijde was het hier bos van Asse tot Aalst, van Dendermonde tot Ninove, dus geen wonder dat daar iemand verdolen kon en dat hij onvindbaar was. Zo was het gegaan met de monnik-houtkapper, hij was in het bos verdoold en alle opzoekingen bleven vruchteloos. Doch God wilde een wonder in zijnen dienaar uitwerken, hem tonen dat het zalige genot der eeuwigheid niet kan vervelen en dat de tijd van duizend jaren waarlijk een nietigheid is, als men dien bij de eeuwigheid vergelijkt. Driehonderd jaar was de kloosterling in verrukking en als hij tot bezinnens kwam, bemerkte hij dat de zon reeds hoog geklommen was en dat het moest laat worden. Spoedig, en zonder iets verricht te hebben, wil hij naar het klooster; maar, o wonder, hij bekent zich in niets meer: de bomen die moesten dor en naakt staan, praalden nu in verrukkelijke weelde, vol bloem en lover, de vogelen zongen dat het een plezier was, in een woord, ’t was volle lente, en toch meende de kloosterling dat hij zich maar een uurken vergeten had en wilde beschaamd weg aan zijnen abt verschoning vragen omdat hij niets gedaan had en misschien nog in de kloostermis ging te laat komen. Maar neen, er is geen inkomen, hij bekent zich in niets en zoekt en blijft zoeken. Droomt hij of is hij zinneloos geworden? Hij betast zijn eigen zelven om tot de overtuiging te komen dat hij het toch is. Ja, er is geen twijfel, hij is het in persoon, hij zelf. Waar is hij? Hij weet het niet! Hij sukkelt voort, baant een weg door bramen en varing en gaat altijd maar voort met de overtuiging dat hij toch ergens uitkomen moet.

Na een hele tocht bereikt de monnik eindelijk een stad, en ziet hij daar een kerk. Hij klopt aan, en de zware poort gaat open. Een broeder, met sleutels beladen, doet hem teken binnen te komen en vraagt hem wie hij melden mag. In de spreekkamer van abt Fulgentius speelt zich vervolgens deze dialoog af:

'Hoogweerde ik ben verdoold, ‘k ken weet niet waar ik ben, of zelfs niet vanwaar ik kom.'
'Maar gij zijt pater van Affligem?'
'Gelijk gij zegt, Hoogweerde.'
'En wie is uw overste?'
'Fulcard, abt van Lobbes. Voor hem deed ik mijn professie in 780, en onder hem werd ik ook priester gewijd. Hij komt maar zelden naar Affligem en hij is ook van zin de weinige monniken die in Affligem verblijven, weder naar Lobbes te roepen.'
De abt biedt een stoel aan den wonderen monnik en verzoekt hem te gaan zitten.Hij verlaat de spreekplaats om oorkonden van Affligems eerste stichting te raadplegen. Daar op de zevende bladzijde is er waarlijk spraak van pater Felix, die den 2 december 788, na de nachtgetijden, naar het bos was gegaan om hout te kappen en nooit teruggekeerd was. (...)
De Eerbiedweerdige Abt kan zich niet meer weerhouden. Hij neemt de monnik in zijn armen, geeft hem de broederkus en verklaart hem dat hij in Affligem is en hem aanneemt als zijn zoon. (...)
'Mijn zoon,' zo spreekt de abt ten slotte, 'gij zijt drij volle eeuwen van uw klooster afwezig geweest – driehonderd jaren – en die tijd is voor u vervlogen als een niet; gij ziet dus dat de tijd, bij de eeuwigheid vergeleken volstrekt niets is...'

Geen opmerkingen: