Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

22.2.11

Brugge: de Graal


Uit De Paus van Satan - en meer bepaald de notities van J.K. Huysmans: 




Chrétien de Troyes is een Frans dichter, geboren in de tweede helft van de twaalfde eeuw, waarschijnlijk in Troyes. Over zijn leven is weinig bekend. Omstreeks 1181 schijnt hij in dienst te zijn gegaan bij Filips van den Elzas, graaf van Vlaanderen. Op dat ogenblik had hij al vier belangrijke epische gedichten geschreven, waaronder een werk over Lancelot. Zijn laatste romance, Parsival of het Verhaal van de Graal, gecomponeerd tussen 1181 en 1191, bleef met zijn 9000 verzen onvoltooid. Latere schrijvers voegden er nog 50.000 verzen aan toe.

Chrétien blijft vaag over de bronnen die hij gebruikt heeft, maar de Keltische invloeden in zijn werk vallen gemakkelijk op te sporen. Samen vormen zijn romances de meest volledige uitdrukking van de wereld die hij zich droomde en van de idealen van de Franse ridderstand. Zijn geschriften waren zeer populair en werden vaak bewerkt en vertaald: in het Duits bijvoorbeeld, door Wolfram von Eschenbach (Parzival). Met Chrétien de Troyes komt de narratieve fictie tot bloei in Europa en gaan de Arthuriaanse legenden een genre op zich vormen.

Parsival, het Verhaal van de Graal – dit allereerste verslag van een Graalqueeste – is opgedragen aan de broodheer van Chrétien, Filips van den Elzas. Na de dood van zijn vader wordt Parsival opgevoed door zijn moeder, in een woud in Wales, ver weg van de beschaafde wereld. Wanneer het toeval een aantal ridders op zijn weg zet, realiseert Parsival zich dat hij – ondanks de protesten van zijn moeder – ook ridder wil worden. Hij reist naar het hof van koning Arthur, waar een meisje hem voorspelt dat hij grootse daden zal verrichten.

In volle wapenrusting trekt Parsival op avontuur… en wordt hij verliefd op prinses Blanchefleur. Nadat hij nog enkele lessen heeft gekregen van de wijze oude Gornemant, komt hij aan op het kasteel van de Visserkoning. Daar is hij getuige van een mysterieuze processie die onwillekeurig herinnert aan de Boeteprocessie van Veurne of – zo meen ik althans te mogen opmaken uit wat ik over het onderwerp heb gelezen – de Processie van het Heilig Bloed in Brugge. Bij iedere nieuwe gang van de maaltijd trekken namelijk een aantal jonge mannen en vrouwen aan Parsival voorbij. Ze dragen schitterende voorwerpen, die ongetwijfeld te maken hebben met de Passie van Christus, zoals de bloedige lans van Longinus waarmee op de Schedelberg de zijde van de Verlosser werd doorboord.

Het is een mysteriespel, een Passiespel. Het zijn de Arma Christi.

De processie wordt besloten met een kunstig versierd object dat Parsival niet goed kan plaatsen. Deze ‘graal’ wordt gedragen door een wondermooi meisje en bevat een enkele heilige hostie, die op een miraculeuze wijze de gewonde vader van de Visserkoning in leven houdt.

Men heeft Parsival gewaarschuwd dat hij niet te veel mag praten en hij doet er dan ook het zwijgen toe, voorlopig. Wanneer hij de volgende morgen ontwaakt, is het kasteel echter verlaten. Parsival blijkt de enige te zijn die achtergebleven is en hij kan niets anders doen dan terugkeren naar het hof van koning Arthur. Daar veegt een Keltische priesteres hem de mantel uit omdat hij zijn gastheer geen vragen gesteld heeft over de Graal; de juiste vraag zou de gewonde koning immers genezen hebben.

Nu hij weet dat hij een verschrikkelijke vergissing heeft begaan, zweert Parsival dat hij het Graalkasteel zal zoeken… en vinden. Hierop volgen nog enkele avonturen; Parsival ontmoet ook een kluizenaar die zijn oom blijkt te zijn en die hem een en ander leert over de Graal en allerlei zaken van spirituele aard. En op dit punt stopt het verhaal plotseling, tenminste toch in de versie die Chrétien de Troyes heeft nagelaten.



In de twaalfde eeuw begon Europa te ontwaken uit de duistere middeleeuwen. Het verhaal van de Graal maakt onmiskenbaar deel uit van dit proces. Chrétien liet zijn lezers – of, in zijn tijd, de luisteraars – in het ongewisse over de precieze aard van de Graal. Hij refereerde overigens niet naar het object als naar ‘dé Graal’, maar naar ‘een graal’, waarmee hij als het ware duidelijk wilde stellen dat er meer dan een van was. Pas later zou het die ene beker van het Laatste Avondmaal worden, waarin ook het bloed van Christus werd opgevangen op Golgotha, toen de Romeinse soldaat Longinus hem de zijde doorboorde.

Een deel van de aantrekkingskracht van Chrétiens Graal wordt naar mijn gevoel veroorzaakt door de raadsels waarmee de Graal wordt omringd en zijn mysterieuze verblijfplaats, de Graalburcht of het Graalkasteel.

Tegenwoordig bestaan er erg veel verschillende visies rond de oorsprong van de Graal. Een ervan, verdedigd door onder meer Jessie Weston, zegt dat het thema van de Graal zijn wortels heeft in aloude Keltische mythen en folklore. Roger Sherman Loomis wijst op parallellen tussen de Graalromances en middeleeuwse literatuur uit Wales of Iers materiaal: vertellingen over leven gevende ketels en magische schotels die symbool staan voor bovennatuurlijke krachten of voortdurend met voedsel gevuld worden. Soms beslissen ze er ook al eens over wie de volgende koning wordt, omdat alleen de ware soeverein ze vast kan houden. Maar de Graal kan van in het begin ook een christelijk symbool geweest zijn. Zo zijn er twaalfde eeuwse muurschilderingen in de Catalaanse Pyreneeën bekend, met afbeeldingen van de Maagd Maria die een kom in de handen houdt, vol stralende tongen van vuur. Algemeen wordt aangenomen dat het centrale thema christelijk is, maar dat veel van de setting en de beelden die gehanteerd worden van Keltische oorsprong zijn. Het woord ‘grial’ zou een Oudfranse adaptatie zijn van het Latijnse ‘gradalis’, wat ‘schotel’ betekent. Volgens de Katholieke Encyclopedie, zouden laat- middeleeuwse schrijvers nadat de cyclus van Graalromances was voltooid met een valse etymologie op de proppen zijn gekomen, waarbij ‘sangréal’ (koninklijk bloed) leidde tot ‘san gréal’ (heilige graal).


Voor Chrétien was de Graal een diepe en brede schotel die geen zalm bevatte, maar een hostie: het enige voedsel voor de kreupele vader van de Visserkoning. Dit ‘mystieke vasten’ treffen we ook aan bij vele heiligen, van wie vaak gezegd wordt dat zij het kunnen stellen zonder enig ander voedsel dan de Heilige Communie. Chrétien zag de hostie blijkbaar als een belangrijk deel van het ritueel, waardoor niet alleen het lichaam, maar ook de geest wordt gevoed. Hoewel de praktijk van de communie door theologen al werd gedefinieerd in de eerste eeuwen na Christus, begon de Roomse kerk pas ten tijde van de eerste Graalromances meer aandacht te besteden aan het ceremonieel en de mystiek van dit ene sacrament. De hostie symboliseerde daarbij het lichaam van Christus, zoals de wijn stond voor zijn bloed…

Zowel met betrekking tot de Graal van Chrétien de Troyes als het Heilig Bloed van Christus speelde de stad Brugge een vooraanstaande rol. Chrétien vermeldde uitdrukkelijk dat hij bij het schrijven van zijn verhaal een boek als bron hanteerde, dat hem was geschonken door zijn patron Filips van den Elzas, graaf van Vlaanderen. Dat Filips de zoon was van Diederik, die het Heilig Bloed naar Brugge bracht, kan onmogelijk als een toeval terzijde worden geschoven. Is het dan té ver gezocht als we ook de Graalburcht zoeken aan de Burg van Brugge, waar het Heilig Bloed wordt bewaard, in plaats van ergens in Engeland of in Frankrijk?

Parsivals zoon was overigens Lohengrin, de Zwaanridder. In Terug naar Stonehenge wijst Hubert Lampo erop dat Wolfram von Eschenbach hem op het einde van zijn Parzival naar Antwerpen stuurt, zonder daar voor de rest wat essentieels mee te vertellen of iets af te ronden. ‘Vanuit Munsalvaesche werd nu gezonden en door de zwaan tot hier geleid, wie hiertoe door God was uitverkoren,’ staat er. ‘Te Antwerpen zette hij voet aan land.’ – Bestaat er een verband tussen Zwaanridder Lohengrin en de Zwaanridder van Brugge? In 1488 werd de schout van Maximiliaan van Oostenrijk, Pieter Langhals, door revolterende Bruggelingen gevierendeeld. Het wapenschild van Langhals was getooid met een zwaan; men noemt hem dan ook nog steeds de Zwaanridder. Als straf voor de moord op Langhals moest de stad Brugge van Maximiliaan ‘ten eeuwigen dage’ voor de zwanen zorgen die toen reeds bijzonder talrijk op haar wateren rondzwommen, en dat nu nog altijd doen, bijvoorbeeld op het Minnewater.

De regering van Filips begon in 1157, toen hij optrad als regent voor zijn vader. Hij huwde Elisabeth van Vermandois, hun huwelijk bleef kinderloos. Toen Filips zijn vrouw betrapte op overspel, liet hij haar minnaar doodslaan. Een tijdje later vertrok hij op kruistocht.

Boudewijn IV, koning van Jeruzalem, was melaats en eveneens kinderloos. Hij bood Filips het regentschap van het koninkrijk Jeruzalem en het bevel over zijn leger aan, maar Filips weigerde beide. ‘Ik ben hier uitsluitend als pelgrim,’ zei hij.

De graaf van Vlaanderen keerde in 1179 terug uit Palestina. Een zieke Louis VII stelde hem aan als raadsman van zijn jonge zoon. Zijn vrouw Elisabeth overleed kort daarna en in 1190 toog Filips voor de tweede keer op kruistocht. Hij stierf het jaar nadien als gevolg van een ziekte die opliep tijdens het beleg van Acre; zijn lichaam werd op transport gezet naar de abdij van Clairvaux – het cisterciënzer klooster dat was gesticht door Bernardus, die de regel van de Tempel had geschreven – en hij werd daar ook begraven.

Vlaanderen leefde inmiddels in een nooitgeziene welvaart. Ondanks allerlei dure oorlogen viel de economische expansie niet te stoppen. Chrétien droeg zijn Parsival op aan Filips, zeggend dat hij hiermee ‘het zaad van een verhaal heeft gezaaid in een zodanig goede grond dat de grootheid ervan verzekerd is’. Filips was dan ook ‘de beste man van het hele Roomse Rijk, zelfs groter dan Alexander’. Dichterlijke overdrijvingen van deze orde horen ongetwijfeld thuis in de opdracht aan een broodheer, maar op een merkwaardige manier lijken deze regels ook iets van waarheid te bezitten. En bevatten ze als het ware een voorspelling, of moet ik het veeleer een ‘plan’ noemen, waarbij ‘het zaad van dit verhaal’ met opzet en dus ook met een duidelijk doel werd gezaaid in vruchtbare Vlaamse grond.

Eveneens eigenaardig geformuleerd, is Chrétiens verklaring dat de graaf gelooft in rechtvaardigheid en loyaal is ten opzichtige van de Heilige Kerk. Alsof men daar op dat ogenblik zou durven aan te twijfelen! Maar toch, denkt Chrétien, zal precies om die redenen zijn werk niet vergeefs zijn. Om een wens van de graaf te vervullen, heeft hij – in versvorm en op basis van een boek, hem door de graaf ter hand gesteld – het beste verhaal verteld dat ooit gehoord werd aan een koninklijk hof…

Het is het verhaal van de Graal, dat misschien op een zeker niveau ook het Verhaal van het Heilig Bloed van Christus, naar Brugge gebracht door de Vader van mijn Broodheer zou zijn geworden, indien Chrétien in staat was geweest het eigenhandig te beëindigen.

Tenzij ons wel degelijk een afgewerkt stuk werd overgeleverd, dat het niet te miskennen doel – vruchtbare grond vinden om tot de verbeelding van de westerse wereld te spreken – met verve heeft bereikt…


  

Geen opmerkingen: