Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

31.1.11

Antwerpen: Seminis Kinderen! - door Cois Geysen


Dit is een gast-post van Cois Geysen
met toestemming van de auteur overgenomen uit zijn boek

In het begin van onze jaartelling ontstond aan de oever van de Schelde het oudste gedeelte van Antwerpen. De eerste nederzetting die hier een tijdlang gevestigd was, verdween voor een betere locatie in meer zuidelijke richting, waar later de St. Michielsabdij werd gebouwd. In de zevende en achtste eeuw kwamen St. Eligius, Amandus en Willibrordus het christendom hier introduceren. In de tiende eeuw werd Antwerpen als een militaire versterking door de Duitse keizer opgenomen en vormde het Steen als keizerlijke burcht een onderdeel in de verdedigingslinie tegen Frankrijk. Hier bevond zich de burchtkerk, tevens de eerste kerk van de oude stad. In 1817 werd ze echter gesloopt, door het rechttrekken van de Scheldeoever. Er is niets meer van dit oude heiligdom overgebleven.

De geschiedenis beschrijft dat de kerk gesticht werd door St. Amandus in 660. Bij de inval der Noormannen zou ze echter verwoest en uitgebrand zijn. In de twaalfde eeuw lezen we over een burchtkerk met St. Walburgis als patrones. Walburgis was een Britse zendelinge die in de achtste eeuw onze streken kwam kerstenen en in een krocht verbleef aan de oude burcht. Ze werd schutspatrones tegen de vikingen en beschermster van de stad.

Zo vertelt de legende althans. Verschillende oude teksten geven echter volgende vreemde beschrijving over de eerste kerk. ‘De borchtkerk, was te voren den tempel van den afgodt priapus (vruchtbaarheidsgod).
In dese kerk heeft aleerst het christelijk geloof gepredict St. Eloy, den welke was Biscop Van Dornick...’. Er werd dus duidelijk verwezen naar een voorchristelijke cultusplaats.

De geschiedenis van die priapus vinden we terug in het Steen. Men vermoedt dat deze burcht met haar rotssterke omheining rond het jaar 1000 gebouwd werd. De oudste vermelding dateert dan ook uit 1008 wanneer het Steen beschreven werd als keizerlijke burcht. Een tweede datering uit 1303, beschrijft het Steen als gevangenis wanneer er gevangenen werden opgesloten na een gevecht op de Schelde tussen de Mechelse
en de Antwerpse vloot. Tijdens de zestiende eeuw had het Steen als gevangenis een afschrikwekkende reputatie en vonden er regelmatig executies van ‘ketters’ plaats. In 1864 werd het een museum van oudheden en paleontologie en in 1952 Nationaal Scheepvaartmuseum, waardoor het nog steeds van bekendheid geniet.

Van alle Antwerpse historische gebouwen behoort het Steen tot de meest bekende. De duizenden toeristen die jaarlijks door de Steenpoort wandelen hebben echter nauwelijks weet van deze bijzondere plaats. Belangrijk is echter een klein gedeelte van het bouwwerk, de vierkante nis boven de oude burchtpoort waar een sterk verweerd beeldje te zien is. Wat is de betekenis ervan?

Semini is de naam van dit oude bas-reliëf. In vorige eeuwen beschouwde men het beeldje als een vruchtbaarheidssymbool en stond het bijzonder in de belangstelling bij de Antwerpse jonge vrouwen die er een kindje kwamen afbedelen. In 1587 werd Semini door de jezuïeten zwaar verminkt want zijn tentoongestelde mannelijke kenmerken konden niet langer getolereerd worden door de toenmalige clerus. Uit gegevens van notaris Ketgen, werd Semini drastisch bewerkt wegens de onzedelijkheid van de voorstelling. In zijn beschrijvingen lezen we het volgende: ‘Boven dese poorte, aende zuytsyde stondt den affgodt PRIAPUS aende welcken de heydensche vrouwen dewelcke dat eenigen tyt onvruchtbaer bleven quaman heuren devotien houden, cussende zynen staff ende sy lieden daer naer bevrucht wordende lieten hun duncken dat zy liedendat benificie hadden van PRIAPO, den affgodt. Den staff van Priapus, zoo oock syne handen zyn by de PP Societatis Jhesu doen affhouden naer de reconciliatie der stadt geschiet anno 1584 ende deden zy lieden boven de figure van voors. Priapus stellen het beelt van de Maget Maria ende H. moeder Godts met dit omschrift: Den affgodt die g’hier ziet, en voorteyts hier aenbeden wort nu door desen maeght overtreden.'

In een ander deel van de notariële geschriften vinden we nog een verdere beschrijving: ‘ende de heydenen voor hunnen Godt gehoude Priapum van wien zy hadden staende ende noch voor een deel stondt anno 1638 ene figure in fatsoen van een helsch duyvelcken met een vrempt fatsoen DE GENITORIO, welck duyvelcken oft affgoyken de onvruchtbaere vrouwkens in dien tyt quamen aenbidden ende deden hem sacrificie om bevrucht te moegen worden, scriptor heeft dit afgoyken in syne volle posture noch sien staen, dwelck wattet was seer scandaleux hebbent de Patres Societatis Jesu anno 1587 oft 1588 onbegrepen,
doen affcappen aldaer noch wat voor een reliquium gelaten hebbende ende deden boven hem stellen eenen figuere van de Weerde ende H. Moeder Godts ende Maget Maria’.

Dat is één versie. Een andere vertelt dat de fallus zou verdwenen zijn door vrouwen die hem afschraapten om van het steenpoeder een middel tegen steriliteit van te maken. Zoals in het eerste deel te lezen is, zou dat
niet zo verwonderlijk zijn. Maar wie was nu deze ‘priapus’, dit ‘scandaleus afgoyken’? Zijn oorsprong is vrijwel onbekend en de meningen zijn erg verdeeld.

Floris Prims, de bekendste Antwerpse geschiedenisschrijver geeft de volgende (vrij onduidelijke) verklaring:
‘Boven de poort van het Steen steekt heden nog een steen waarop een figuurtje gebeeldhouwd is dat het meest gelijkt op een naakt jongetje met opgestoken armen. Voor andere geschiedkundigen was het oude beeldje een priapus en ter bestrijding van dezes eredienst had Godfried van Bouillon het uit Jeruzalem meegebracht. Ten gevolge hiervan zou men van het Antwerpse priapusbeeld gesproken hebben.’

Minder vergezocht is er een Keltische of Noorse godheid in te herkennen, want Semini of Jumini, werd als vruchtbaarheidsgod en behoeder van het menselijk geslacht, bij voorkeur op een maandag aangeroepen
in zijn tempel die op de berg Maranta in Noorwegen stond. Mogen we zijn oorsprong dan bij de Noormannen zoeken die op de plaats van het Steen een nederzetting bouwden? Werd hieruit bij onze Antwerpse voorouders de vandaag nog bekende verwonderinguitroep ‘God sjumenas’ afgeleid? Of
komt deze uitroep van de houding waarin het ventje staat? Het lijkt alsof hij aan het turnen is wat in het Antwerps dialect ‘jumenas’ (gymnastiek) genoemd wordt.

Het doet er niet toe. Algemeen wordt vermoedt dat het vruchtbare ventje veel ouder is dan het Steen zelf. Dan toch Keltisch en is Semini (zaad) als vruchtbaarheidssymbool in verband te brengen met Samhain, het heidense jaarfeest? Opvallend is dat gelijkaardige, maar naamloze beeldjes die terug te vinden zijn in Groot-Brittannië en Ierland, verwijzen naar de Keltische periode. Ze werden eveneens aangebracht naar de
zuidelijke richting, de plaats waar de zon haar hoogste punt bereikt. Net als zijn West-Europese soortgenoten is Semini dus zonneaanbidder en fallisch vruchtbaarheidssymbool, maar door de jezuïeten van zijn mannelijke kenmerken beroofd.

De lantaarn die men later boven de Steenpoort bevestigde, bracht een tweede verminking mee. Hij kreeg een verlichting alweer op dezelfde, ongelukkige plaats. In 1880 bij de afbraak van de oudste stadskern ontsnapte het Steen nog net aan de sloophamer, dank zij de toenmalige burgemeester. Semini die tot dan werd beschut werd door de huizenrijen aan beide kanten van de straat, werd blootgesteld aan storm en regen. Zelfs het afdakje boven zijn hoofd verdween en tot vandaag blijft enige vorm van conservatie ver te
zoeken.

Alle ingrediënten waren aanwezig om hier vruchtbaarheidsrituelen te houden vermits dit het enige restant was van de oude Priapustempel. De verwijzing naar een verbinding met een andere heidense cultusplaats vinden
we nogmaals in de getuigenis van notaris Ketgen. ‘Van dese poorte liep eenen rechten dijck naer Sinte Michiels clooster, alswair was den tempel van den afgodt Mars’.

Enkel de straatnamen herinneren nog aan de in 1833 afgebroken St. Michielsabdij. Volgens de oudste geschiedenis werd ze dus gebouwd op de plaats waar zich destijds de heidense tempel van Mars bevond. Bij opgravingen op de St. Michielskaai bevestigde Gallo-Romeins aardewerk de oudheid van deze plaats al wordt de Romeinse aanwezigheid in Antwerpen nog steeds in twijfel getrokken. Daar tegenover verwijst de vondst van een groot aantal neolithische silexbijlen en aardewerk naar prehistorische bewoning  in de omgeving...

28.1.11

Veurne: De Boeteprocessie



Dit is hoofdstuk 2 uit de roman De paus van Satan van Patrick Bernauw & Philip Coppens:

Robrecht II was de oudste zoon van Robrecht I van Vlaanderen, ook bekend als de Fries, en Gertrude van Holland. Zijn zus, ook een Gertrude, zou de moeder worden van Diederik van den Elzas, die het Heilig Bloed naar Brugge bracht. Robrecht de Fries was een raadselachtig personage: van 1085 tot 1091 was hij op een geheime missie in het Heilig Land – officieel was het een pelgrimage, officieus een verkenningstocht. Hij stierf een paar jaar voordat tot de eerste kruistocht werd opgeroepen door paus Urbanus II.
Zijn zoon trok samen met Godfried van Bouillon naar Jeruzalem. In Constantinopel moesten de kruisvaarders aan Keizer Alexius I Comnenus beloven al het land dat ze zouden veroveren terug te geven aan het Byzantijnse Rijk. Robrecht, wiens vader al onder Alexius had gediend gedurende zijn ‘pelgrimage’, had hier geen problemen mee. Sommige andere leiders van het kruisvaardersleger wel.
Jeruzalem werd veroverd in juli 1099. Ondertussen had ‘de Bevrijder van het Heilig Graf’ al een twijfelachtige roem vergaard als een kruisvaarder die een wreed genoegen schiep in moordpartijen en plunderingen. Zo leverde de buit die hij meebracht uit het Heilig Land hem nog een andere bijnaam op: Robrecht van Jeruzalem. Toen hij langs Constantinopel naar huis terugkeerde, weigerde hij het voorstel van de Byzantijnse keizer om in zijn dienst te blijven, maar aanvaardde hij een reliek als afscheidsgeschenk: de arm van Sint Joris.
Relieken. De middeleeuwers waren er gek op. Robrecht van Jeruzalem, Bevrijder van het Heilig Graf, keerde terug naar zijn graafschap Vlaanderen met een splinter van het Ware Kruis die hij aan Sint- Walburga van Veurne schonk. ‘Laat ieder jaar weer een Boeteprocessie door de straten van Veurne trekken,’ beval hij, ‘waarin het leven en het lijden van Christus worden uitgebeeld in een mysteriespel. En laat de splinter van het Ware Kruis het middelpunt zijn van het gebeuren.’
Onwillekeurig moest ik glimlachen toen ik die passage las. Want ik herinnerde mij de woorden van Johannes Calvijn, dat er tegen het eind van de middeleeuwen zoveel kerken beweerden een splinter van het Ware Kruis te bezitten dat ze voldoende hout moesten opleveren om een heel schip te bouwen. Maar goed… Het is natuurlijk het geloof van de mensen dat een stukje hout verandert in een kostbare reliek met bovennatuurlijke krachten. En wie durfde te zeggen dat zich onder de vele valse stukken niet het ene ware verborg?
Zo begaf ik mij dus naar Vlaanderen, naar het kleine stadje Veurne, om de Boeteprocessie te zien. Ik was toen nog niet afgedaald in de diepste krochten daar beneden; ik had de verdoemden nog niet in het wit van de ogen gekeken. Het was de laatste zondag van juli 1888 en mijn toekomstige biografen draaide ik een rad voor de ogen, zoals ik daarna zo vaak heb gedaan. Ik liet ze geloven dat mijn jaarlijks verlof aanving op 31 juli en dat ik Parijs verliet met bestemming Hamburg, Keulen, Berlijn… waar ik enkele Duitse Primitieven wilde bezoeken. Later tijdens die merkwaardige zomer van 1888 zag ik inderdaad de adembenemende Kruisiging van Matthias Grünewald, die zo geweldig tot mijn verbeelding sprak. Maar voordat ik naar Duitsland vertrok, ging ik eerst nog de Vlaamse Primitieven bekijken, in Veurne. En het Passiespel dat zich daar voor mijn verbijsterde ogen ontrolde, maakte een al even onvergetelijke indruk op mij als mijn eerste confrontatie met de Kruisiging van Grünewald.
Sommige taferelen waren gedramatiseerd: acteurs speelden personages uit het Oude en het Nieuwe Testament. Andere scènes werden geïllustreerd met behulp van houten poppen, die op platformen waren geplaatst en door boetelingen op de schouders werden gedragen. Engelen reciteerden verzen waarin werd beschreven wat het volgende tafereel uitbeeldde. Aan het eind van de stoet verscheen de Heilige Hostie, omringd door bisschoppen. Waar het Sacrament voorbij kwam, knielden de toeschouwers in aanbidding neer.
In de nabijheid van de kerk van de heilige Walburga werd de stoet gevormd, tussen dampende paarden van Romeinse soldaten. Maria zat op een ezel te wachten om naar Egypte te vluchten. Verderop stonden karren met de stal van Bethlehem en het Heilig Graf. Uit de kerk trad een lange rij maagden met rode konen en witte sluiers inaan het licht. Ah, de onschuld! Die duivelse Onschuld!
En toen, toen was het alsof er een rivier ging stromen door de straten van Veurne – een rivier van goud en zilver, van blauw en purper. En op die rivier voer een praalwagen waarop Abraham zijn Offer bracht, zoals hij dat ieder jaar deed, al vele eeuwen lang. En langs deze rivier profeteerden de Profeten over de Plagen van Oorlog, Pest en Hongersnood terwijl mannen, vrouwen en kinderen Jeruzalem binnen trokken, wuivend met palmen en het Hosannna zingend.
En zie, daar was J.K. tijdens het Laatste Avondmaal, en daar was J.K. in de Tuin van Olijven, en daar was J.K. tijdens de Geseling en J.K. met de Doornenkroon.
Ecce Homo.
En hier had je weer een andere J.K. – nog een tweelingbroer, nog een dubbelganger – die het Ware Kruis torste. Hij werd niet langer gevolgd door twaalf apostelen, maar door twaalf soldaten. En door zijn beulen die de Instrumenten van de Foltering droegen.
Het verhaal was bekend, ik had het al zo vaak gehoord, en ik had het gezien op vrome prenten. En zien was geloven. Maar hier, in Veurne, zag ik in een overtreffende trap. Hier werd ik een ziener in de bovennatuurlijke zin van het woord. Zodra je het kosmische patroon herkende, kon je de gebeurtenissen voorspellen. Werd je een profeet. Transformeerde het aloude sprookje plotseling in een onontkoombare realiteit. Alsof de geschiedenis zich herhaalde. En tastbaar werd. Zo tastbaar.
De opwinding van de menigte. De volmaakte stilte. De intensiteit waarmee mannen, vrouwen, kinderen baden, geknield, luid, de parels van een rozenkrans glijdend door de eeltige vingers van een hand krom van reuma. In alle ramen brandden kaarsen, terwijl arme oude vrouwtjes nederig een schamel handvol centen aan het Ware Kruis offerden, alsof het Maria en Magdalena kon troosten die huilend en weeklagend achter weer een andere J.K. aan strompelden.
Zijn hoofd van bloed en wonden. Veronica met de sluier, doordrongen van zijn bloed, zweet en tranen. Een engel die zei dat allen die hun lot beklaagdenoegen beter even zouden stilstaan bij het lijden van Onze Lieve Heer. En nogmaals de Arma Christi, de Werktuigen van de Passie, deze keer meegedragen door penitenten – spijkers, gesel en geselkolom, lans, dobbelstenen, rietstok, doornenkroon, emmer (voor azijn), spons, hamer, tang, het opschrift ‘INRI’. Kleine rouwende meisjes bij de kar van het Heilig Graf, Onze- Lieve- Vrouw van Smarten, de Opstanding en ten slotte…
De boetelingen.
De immense stilte die viel over deze angstaanjagende figuren in hun donkere pijen. Ze hadden een kap over het hoofd getrokken, zodat je hun gezicht niet kon zien. Dit waren geen acteurs. Ik zag bloeddoorlopen ogen door de gleuven gluren. Zij speelden niet, zij wáàren. Blootsvoets, toorts in de hand, deden zij boete voor hun zonden en voor die van ons en ze deden dat door ieder voor zich hun eigen zware houten kruis te dragen in de voetsporen van J.K., die het zijne droeg op weg naar Calvarie, Schedelberg, Golgotha.
Ah, hoe aangenaam is het, terwijl ik deze woorden schrijf, weer even in Veurne te vertoeven! In Veurne, waar ik voor het eerst volkomen werd uitgeveegd, zoals het nauwelijks enkele dagen later opnieuw gebeurde, toen ik voor het schilderij van Grünewald stond: weggeveegd, weg van de wereld, naar een andere plaats geslingerd, naar een andere tijd, waar ik geen kranten hoefde te lezen, geen pijn hoefde temoest verbijten… Ah, wat een droom!
Hoe goed was het nog even te verpozen tussen deze ware penitenten die boete deden voor de zonden van de mensheid, zowel voor de onbenullige en welhaast komische als voor de welhaast kosmische waarvan we de diepte, de omvang, de draagwijdte niet konden bevatten. En ik dacht aan Jack the Ripper die voor het eerst toesloeg tijdens diezelfde zomer van 1888, 31 augustus, Buck’s Row, Whitechapel.

Er stond een priester naast mij in de menigte, een grote en knappe man met koolzwart haar en levendige ogen. Hij vroeg me in het Frans of ik een journalist was en ik zei dat ik een schrijver was op zoek naar een thema.
Hij glimlachte vaag. ‘Misschien kunt u schrijven over de manier waarop de Boeteprocessie van Veurne langzaam maar zeker is… gedegenereerd?’ Bij dat laatste woord trok hij zijn zware wenkbrauwen op, als om het te voorzien van een onmiskenbaar vraagteken, en de ironie ervan te onderstrepen. ‘In de zestiende eeuw was de Processie niet veel meer dan een burleske, met als centrale figuur een gayant. Weet u wat een gayant is?’
‘Een van die oude Vlaamse reuzenpoppen?’
Hij knikte. ‘Ze hebben altijd een belangrijke rol gespeeld in de populaire festivals van de Lage Landen. Maar zeg nu zelf: Jezus Christus voorstellen als een gayant...? Enfin, op zeker ogenblik zouden twee Spaanse soldaten die de rol van de Romeinse bezetter op zich hadden genomen de heilige hostie gegrepen en op hun speer gestoken hebben… Of iets van die aard. Er werd een broederschap opgericht om een einde te maken aan dit soort profaniteiten, de Sodaliteit van de Gekruisigde Zaligmaker als ik me niet vergis, en die herstelde ook het primitieve mysterie. Zo ontstond de Processie zoals we ze nu kennen, in 1637 of daaromtrent.’
Het klonk nog steeds als het gebabbel over koetjes en kalfjes van twee vreemden die elkaar toevallig hebben ontmoet, maar ik kon mij niet van de indruk ontdoen dat hij mij iets zeer specifieks wilde vertellen, en dat hij mij niet toevallig had aangesproken.
‘Zeer interessant,’’, mompelde ik.
‘Men wil ons doen geloven dat de heiligschennis een ongeluk was. Maar daar geloof ik niets van. U zou hier over moeten over schrijven, het is een fascinerend verhaal. Volgens mij heeft het te maken met de Arma Christi… en met relieken, natuurlijk. Het heeft altijd te maken met relieken. In Brugge hebben ze een erg gelijkaardige Processie van het Heilig Bloed, in het Franse Perpignan kennen ze de La Sanch Processie en in het Spaanse Gerona La Sang. Telkens worden die mysteriespelen gestuurd door geheime genootschappen van penitenten en telkens duiken ook verhalen over oeroude ketterijen op, waarin de Arma Christi en andere relieken een rol spelen.’
‘U klinkt als een expert ter zake,’’, zei ik.
‘O nee,’’, glimlachte hij. ‘Het zou werkelijk te veel eer zijn mij een expert te noemen. De enige ware expert in deze aangelegenheden is mijn vriend, de abbé Van Haecke. Hij is de kapelaan van de Kapel van het Heilig Bloed in Brugge. Als u over deze onderwerpen wilt schrijven, moet u hem vast en zeker opzoeken.’
Dit kon geen toeval meer zijn, realiseerde ik me: deze vriendelijke en beschaafde priester had mij met opzet aangesproken. In feite had dit besef aanleiding moeten geven tot enige professionele ongerustheid, want het impliceerde dat ik werd geschaduwd, van de salons van Buet tot de Boeteprocessie van Veurne. Maar gek genoeg voelde ik mij nauwelijks geïntimideerd, misschien omdat ik ook wel inzag dat mijn gesprekspartner probleemloos had kunnen zwijgen over Van Haecke, als hij dat had gewild. Blijkbaar probeerde hij me in de eerste plaats duidelijk te maken hoeveel hij van me wist, en dat ik om een of andere reden dringend contact moest opnemen met de kapelaan van het Heilig Bloed.
‘Eerlijk gezegd,’’, zei ik, erover wakend de vanzelfsprekende toon van een beleefde conversatie tussen twee vreemde heren te handhaven, ‘heb ik daar ook aan gedacht toen ik Parijs verliet. Maar ik wilde zo’n Processie graag in levenden lijve meemaken, en die van Brugge vindt plaats in mei, vandaar dat ik voor Veurne koos. Straks reis ik af naar Duitsland, ik heb een treincoupé geboekt. Maar wellicht bent u daar ook van op de hoogte, meneer…?’
‘Saunière,’,’ antwoordde hij zonder enige aarzeling, ‘Bérenger Saunière is de naam. Ik ben de abbé van Rennes-le-Château, een piepklein dorpje in de Midi... Neem me niet kwalijk, meneer Huysmans, maar ik had u herkend en… vergeeft u mij, ik had me meteen aan u moeten voorstellen als een groot bewonderaar van uw werk.’
Terwijl ik hem verwonderd bleef aankijken, schudde hij me de hand. Hij had een droge, krachtige handdruk. Ik vroeg me af of ik aan achtervolgingswanen begon te lijden. De verklaring van abbé Saunière klonk vrij plausibel. Als Van Haecke zijn vriend was en als Saunière een bewonderaar was van mijn werk, was het allerminst onmogelijk dat hij ervan had gehoord hoe Van Haecke met mij in discussie was getreden. En dat hij me, op weg naar zijn vriend van het noorden, hier in de menigte had herkend, en ons gesprek de bekende richting had uit gestuurd… Het was mogelijk.
‘Verwondert het u?’ glimlachte Saunière – die charmante glimlach leek wel op zijn gezicht gebeiteld. ‘Verwondert het u dat een man van de kerk uw werk in zijn hart draagt?’
Ik haalde de schouders op. ‘Niet echt,’, zei ik.
En toen wilde ik hem nog een paar vragen stellen over zijn relatie tot Van Haecke en over mijn werk (om te horen of hij de waarheid sprak) – maar netjuist op dat moment ontstond er om ons heen enige commotie. Het paard van een gendarme was gaan steigeren en toen de menigte weer tot rust was gekomen, bleek abbé Saunière erin te zijn opgelost… zoals zijn vriend Van Haecke niet zo lang voordien ook opeens in het niets was verdwenen.
Het kostte me enige moeite uit te vinden waar Rennes-le-Château precies gesitueerd moest worden, maar toen ik het dorpje eindelijk had gelokcaliseerd, bleek het zich pal in het hart te bevinden van een van de grootste ketterse stromingen die de westerse wereld ooit heeft gekend: die van het katharisme.

17.1.11

Wachtebeke: De Vlaamse Kroonprins van Frankrijk

Franciscus Rombaut, alias Louis XVII?


In 2007 verscheen mijn historische thriller Nostradamus in Orval (die nu ook als online feuilleton loopt: klik op de link) waarin het verhaal wordt verteld van ene Karel Rombaut. Deze antiquair schrijft een boek waarin hij probeert te bewijzen dat hij als nazaat van Lodewijk XVII (1785-1795?) de troonpretendent van Frankrijk is. Maar nog voordat hij zijn levenswerk kan publiceren, wordt Rombaut vermoord door een mysterieuze man die hem de authentieke Profetie van Orval wilde verkopen. De visionaire tekst die bekend staat als De Profetie van Orval wordt gewoonlijk toegeschreven aan Nostradamus, en zou de sleutel bevatten tot de bergplaats van het Fortuin van de Bourbons dat tijdens de Franse Revolutie spoorloos verdween in de abdij van Orval. De moordzaak trekt de aandacht van Maarten Dejonckheere, researcher voor de televisieserie Great Mysteries. Algauw belandt mijn hoofdpersonage in het wespennest van de lustige weduwe van Rombaut en bankier Louis Lombard, die eveneens bezeten zijn door de verdwenen Franse koningsschat.


In de thriller kon ik een aantal thema’s kwijt die mij al jarenlang fascineerden. Moeten de voorspellingen van Nostradamus in alle omstandigheden als dusdanig geïnterpreteerd worden? Ligt er werkelijk een schat verborgen in de abdij van Orval? Slaagde de kroonprins Louis XVII erin uit zijn gevangenis in de Tempeltoren van Parijs te ontsnappen, stierf er een wisselkind in zijn plaats en overleefde hij de Franse Revolutie? Moeten we zijn nageslacht in Vlaanderen zoeken?

Die laatste vraag had alles te maken met een krantenartikel dat in mijn collectie verzeild was geraakt en waar ik ook naar verwijs in het nawoord van de roman: ‘Zo woont er in het Waasland een familie Rombout, die zich beschouwt als verwant aan Louis XVII. Er verscheen over deze familie een artikel in Het Laatste Nieuws van 29/30 april 2000 onder de titel Louis XVII stierf in het Waasland. Hoewel vele gebeurtenissen en personages beschreven in dit boek historisch zijn, blijft dit een roman en dus een werk van fictie. De “Karel Rombaut” en de “Louis Lombard” uit Nostradamus in Orval hebben geen uitstaans met deze familie uit het Waasland. Zij behoren allebei tot het rijk van de fictie.’

De feiten die aangehaald werden in het artikel gaven de aanzet en creëerden het kader om mijn fictie in Vlaanderen te situeren. Kort na de publicatie van het boek werd ik al gecontacteerd door Jurgen Schalck, met de melding dat hij tot de familie behoorde waar ik naar verwees in mijn nawoord. Hij vroeg me contact op te nemen, maar ik hield de boot af. Wanneer een boek waar ik soms heel erg lang aan gewerkt heb eindelijk is gepubliceerd, ontwikkel ik doorgaans enige tijd een aversie tegen het onderwerp. Zo duurde het uiteindelijk nog tot 2010 voordat ik naar Laarne trok om Jurgen Schalck en zijn moeder te interviewen. Tijdens dit eerste gesprek viel ik van de ene verbazing in de andere. Uiteindelijk beloofde ik hen een poging te doen hun verhaal – en dat van hun familie – op te schrijven en bezorgden zij mij al de documentatie waarover ze beschikten.





In de lente van 2000 maakte de Leuvense professor Jean-Jacques Cassiman honderden Franse troonpretendenten of dauphins een illusie armer. Genetisch onderzoek wees uit dat de zoon van Louis XVI en Marie Antoinette in 1795 wel degelijk was overleden in de Tempelgevangenis van Parijs, het oude hoofdkwartier van de middeleeuwse Orde van de Tempeliers. Twee jaar eerder waren zijn ouders onthoofd en nu, nauwelijks tien jaar oud, stierf Louis Charles in gruwelijke omstandigheden. De gerechtsarts dokter Pelletan werd belast met de autopsie. In het geheim nam hij het hart van het kind mee naar huis en bewaarde het daar als een kostbare relikwie. Ongeveer tegelijkertijd ontstond het gerucht dat de kroonprins door royalisten uit de Tempel was bevrijd en vanaf het begin van de negentiende eeuw doken er ontelbare dauphins op, van wie de bekendste – of alleszins de beruchtste – ongetwijfeld Karl Wilhelm Naundorff was, die als Louis Charles de Bourbon begraven ligt in het Nederlandse Delft.

Alleen DNA-analyse kon het historisch mysterie van Louis XVII ophelderen. In 1999 werd een deel van het hart vrijgegeven, dat beschouwd werd als het hart van Louis XVII. Het werd toen al bewaard in de koninklijke crypte van Saint-Denis. Het team van professor Cassiman onderzocht het staal en vergeleek de DNA-profielen met die van Marie Antoinette en haar verwanten. De conclusies van dit onderzoek waren ontnuchterend voor de vermeende nakomelingen die de persconferentie bijwoonden. Het Instituut Louis XVII, opgericht door de erfgenamen van Naundorff, eiste meteen een tegenexpertise, maar ook een man uit Laarne die speciaal naar Parijs was gekomen om de internationale pers toe te spreken, betwistte de resultaten. Deze man was Laurent Schalck, de vader van Jurgen. Vader en zoon Schalck zijn er nog steeds rotsvast van overtuigd dat Monique Van Rysseghem, respectievelijk hun vrouw en moeder, een afstammelinge is van Louis XVII. Het hart dat professor Cassiman heeft onderzocht, kan bijgevolg niet dat van Louis XVII geweest zijn.

Er valt ongetwijfeld iets te zeggen voor dit argument. De familie Schalck gelooft wel in de bevindingen van professor Cassiman, maar twijfelt aan het bewijsmateriaal. Het meer dan tweehonderd jaar oude hart bezat nu eenmaal geen identiteitskaart. Laurent Schalck trad in 2000 op als woordvoerder van de Vlaamse kroonprins van Frankrijk. Later zou Jurgen die rol op zich nemen. ‘Wie zegt dat het hart waarop professor Cassiman zijn onderzoek deed niet van een andere nazaat van Marie Antoinette afkomstig is?’ vroeg hij zich af in een interview. ‘De Franse koninklijke familie heeft altijd geweigerd dit hart in ontvangst te nemen. Men wist immers dat de echte dauphin nog leefde!’


De bekendste Louis XVII was Karl-Wilhelm Naundorff


Met minstens tweehonderd zijn ze, de nakomelingen van Louis XVII. Ze dragen namen als Rombout, Grijp en De Raedt, en het merkwaardigste is misschien nog wel dat de familiegeschiedenis nu al vele generaties meegaat en steeds nieuwe believers vindt. In de jaren ’70 van de vorige eeuw was het Jules De Raedt die onderzoek deed naar zijn voorouders, de media opzocht met zijn ontdekkingen en officieel op de voorgrond trad als woordvoerder van de Vlaamse kroonprins van Frankrijk. Nu lijkt Jurgen Schalck de fakkel min of meer van hem overgenomen te hebben.

Aan de bron van het verhaal ligt telkens weer die ene man van mysteries: Franciscus Rombaut, molenmaker. Hij overleed op 1 november 1875 in Wachtebeke, op de gezegende leeftijd van negentig jaar. Volgens de familielegende had hij een kindermeisje – of kamermeisje – dat luisterde naar de naam Brigitte Rombaut, en afkomstig was uit Kemzeke bij Stekene. Nu lijkt ‘Rombaut’ sterk op ‘Rambaud’, zeker als de naam wordt neergeschreven en niet uitgesproken. En dan komt meteen Agathe de Rambaud in beeld, de naam van het officiële kindermeisje van Louis XVII, van wie de biografie in tegenstelling tot die van Brigitte Rombaut vrij goed gedocumenteerd is. Maar het zou dus Brigitte geweest zijn die erin geslaagd is de jonge Louis XVII in de zomer van 1794 te bevrijden uit zijn kerker en het revolutionaire Parijs uit te smokkelen. En het was Brigitte die de dauphin onderbracht bij haar oom in Kemzeke.

Het verhaal van Franciscus Rombaut vertoont zoveel hiaten en hangt aan elkaar met zoveel ongerijmdheden, dat je er onmogelijk een geloofwaardige roman mee kunt schrijven. Waarbij ik mij als auteur van historische thrillers dan de vraag stel hoe het komt dat niemand gedurende de afgelopen halve eeuw de moeite heeft genomen de hiaten min of meer op te vullen en de ongerijmdheden een beetje weg te werken. Dat zou alleszins een stuk makkelijker en ook handiger geweest zijn dan telkens het antwoord schuldig te moeten blijven op altijd weer dezelfde kritische vragen. De nakomelingen van Franciscus Rombaut hebben de jongste veertig jaar letterlijk kosten noch moeite gespaard om hun afkomst te bewijzen: ze hebben naspeuringen gedaan in stoffige archieven en bijzonder moeilijk op te sporen documenten opgespoord, ze hebben fondsen vergaard om onderzoek te verrichten over heel Europa en ze zijn zelfs doorgedrongen tot in het Vaticaan. Maar informatie die zo voor de hand lag, sinds 1948 zelfs in het Nederlands voor het grote publiek beschikbaar was – ik denk dan aan het standaardwerk van André Castelot, Louis XVII – negeerden ze volledig. Jules De Raedt bijvoorbeeld kent en vernoemt dit werk wel, maar gebruikt het amper in zijn bewijsvoering. Nochtans kon het boek van Castelot zijn hypothese op een veel geloofwaardiger manier ondersteunen dan de avonturenromance The Lost King (1937) van de Italiaans-Britse schrijver van avonturenromances Rafael Sabatini, waaruit hij driftig citeert.

Jules de Raedt, en na hem vader en zoon Schalck, hadden het verhaal van hun voorouder Franciscus Rombaut zonder enige noemenswaardige moeite stukken waarschijnlijker kunnen maken. Ze hoefden alleen een beroep te doen op alom gerespecteerde en bekende standaardwerken om de hiaten op te vullen en de meest in het oog springende historische onzuiverheden weg te werken. Ze konden de naam ‘Brigitte Rombaut’ simpelweg verzwijgen, zonder dat de familiegeschiedenis er wezenlijk door veranderde. Ze konden zelfs listig verwijzen naar Agathe de Rambaud. Dat zij Karl-Wilhelm Naundorff als Louis XVII (h)erkende, mag geen probleem zijn: als het de bedoeling was van de echte kroonprins om anoniem te blijven, omdat zijn leven anders in gevaar zou zijn, dan was het tactisch precies een erg goede zet van haar om een oplichter aan te wijzen als de dauphin. Wat ook wordt aangetoond door de moordaanslagen waarvan Naundorff onmiskenbaar het slachtoffer is geweest.

Een schrijver van historische romans of zelfs een pseudologisch fantast zou de al te onwaarschijnlijke zijlijn verzwegen hebben, waarin de kleine Louis Charles de Bourbon samen met zijn oudere zus Marie Thérèse uit de Parijse Tempel ontsnapt en beide koningskinderen een schuilplaats vinden in Vlaanderen, waarna Marie Thérèse evenwel compleet uit beeld verdwijnt. Dat kan ook moeilijk anders, omdat het leven van de historische ‘Madame Royale’ maar al te goed gedocumenteerd is. Anderzijds bestaat er ook heel wat literatuur over een mogelijke verwisseling van Marie Thérèse. Het punt is dat Marie Thérèse in de vertellingen van Franciscus Rombaut niet meer dan een figurante is, en dat de op hun beurt weer zeer complexe legenden rond haar persoon de focus wegnemen van de kern van de zaak, de aandacht versnipperen, tegenstanders nog meer munitie verschaffen, enzovoort. Het is, met andere woorden, nergens goed voor.

De nakomelingen van Franciscus Rombaut hebben niet de modus operandi van de schrijver, de oplichter of de mythomaan gevolgd, die er alles aan zal doen om de fictie zo ‘feitelijk’ mogelijk voor te stellen. En dit naakte feit kan dan weer niet anders dan geïnterpreteerd worden als een blijk van goede trouw, zelfs als een bewijs – uit het ongerijmde, jawel! – dat zekere feiten zich hoe dan ook hebben voorgedaan. De manier waarop men binnen de familie al meer dan een halve eeuw bezig is geweest met historisch onderzoek, spreekt ook tegen dat hun handelswijze een gevolg zou zijn van domheid, naïviteit of een gebrekkige dossierkennis. Nee, de enige mogelijke conclusie kan zijn dat zij het verhaal van Franciscus Rombaut zo getrouw mogelijk hebben willen overleveren. Als believers, ongetwijfeld. Overtuigd rooms-katholieken gaan ook niet prutsen aan het Nieuwe Testament om een en ander wat geloofwaardiger voor te stellen. Morrelen aan het Evangelie volgens Franciscus Rombaut zou zoiets als heiligschennis geweest zijn. Of noem het: geschiedvervalsing.

Ik doorploegde de documentatie die Jurgen Schalck mij had bezorgd van links naar rechts en van boven tot onder. En ik kwam tot de slotsom dat Jules de Raedt het in de jaren 1970-80 nooit over een ‘Brigitte Rombaut’ heeft, maar over een ‘madame Rambeau’, ‘madame de Rambau’ of ‘madame de Rambaud’. Zag ‘Brigitte’ dan op een meer recente datum het levenslicht of was er alleen sprake van haar in een andere tak van de familie? Ik vroeg me af wat ik zou overhouden als ik alle onzin even buiten beschouwing liet en mij richtte op de kern van de zaak. Het leek Jules de Raedt leek het destijds vooral te doen om wat ik maar ‘het goud van de Bourbons’ zal noemen. Dertig miljoen louis d’or, of iets van die strekking. Stel dat er inderdaad een spoor kon gevonden worden van dit verdwenen fortuin bij de erfgenamen van Franciscus Rombaut...

En zo is er alweer een nieuw boek in wording, vrees ik...

10.1.11

Mysterieus België Quiz 4



In onderstaand recept om een Wassen Pop des Doods te maken
(een Vlaamse variant op de Voodoo Pop)
zit een plaats in een stad verborgen.



Welke plaats is dit? En welke stad?






 


Oplossingen hier!



3.1.11

Laarne: Behekst, een showproces



Een fragment uit Laarne Behekst,
een lichtelijk absurde historische musical
op teksten van Patrick Bernauw & het Academisch Kwartier
en met muziek van Fernand Bernauw & Jan Vanden Bergh
geschreven in opdracht van Toneelgroep Kattenheye (2006)




JUSTINE: Dames en heren, mag ik u voorstellen… aan mijn rechterkant de man die al tientallen mensen heeft doen opknopen, radbraken, vierendelen en verbranden… Hij maakt beklaagden af als was het zijn tweede natuur. Verkozen tot de Baljuw van het jaar 1607… Graag uw applaus voor Jan Schepens!


Applaus. Boegeroep van de heksen.

JUSTINE: En aan mijn linkerkant, de vrouw die een drievoudige moordenaar vrijgesproken kreeg… Ze staat zo scherp als een broodmes, de vleesgeworden Geest van de Wet… Francine Dewilde!

Applaus en luide toejuichingen van de heksen.

JUSTINE: De eerste ronde gaat nu in… Baljuw Schepens, aan u het woord!

JAN: Beklaagde Callens, sta op!

Janne staat op.

JAN: U beweert niks te maken te hebben met de zaak aangaande de beroepszot Jan-Frans Gillens, die alleen nog domme moppen kon vertellen, en zodoende door u werd gebroodroofd?

CALLENS: Ik heb die vent nooit gezien!

JAN: Maar toch zou hij uw zwarte kat omgetoverd hebben in een wit konijn!?

DEWILDE: Ik protesteer! Het werd niet bewezen dat de zwarte kat in kwestie het huisdier van Janne Callens was!

JAN: Ik heb hier een verslag van een ondervraging onder tortuur door scherprechter Boudewijn Waelspeck van de firma Waelspeck & Zonen…

DEWILDE: Ik protesteer! Wij hebben hier zelf de verklaring van de heer Boudewijn Waelspeck junior met onze eigen oren aanhoord! Hij heeft verklaard dat hij de drie beklaagden niet heeft ondervraagd, en al helemaal niet onder tortuur!

CELIS: Hij heeft zelfs geen lichaamsonderzoek gedaan! Volgens mij is ’t er één van de verkeerde kant!

HOOFD JURY: Beklaagden in deze laatste ronde alleen maar spreken als ze daartoe uitgenodigd worden, juffrouw Celis.

JURY 1 Ik kan daar zelfs aan toevoegen dat zij moeten zwijgen, behalve indien ze gevraagd wordt te spreken!

JURY 2 Ik zou nog meer kunnen zeggen, maar…

JAN: (triomfantelijk) Ik heb voor alle zekerheid, meester Dewilde, niet alleen een ondervraging bevolen aan Boudewijn Waelspeck junior… maar ook aan Boudewijn Waelspeck senior… Hij heeft u onderzocht op duivelsmerken en hij vond er niet één… Hij vond er twéé! Niet op uw schouders, zoals Maeyken van…

CELIS Lap, daar is ze weer!

JAN: … had verklaard, maar één onder uw oksel en een ander op uw arm! Hoe zijt gij aan die tekens gekomen, Callens?

CALLENS: Hoe moet ik dat nu weten!? Ik weet het niet!

JAN: Na twaalf uur foltering heeft u verklaard dat uw Duivel Lucifer heet en dat hij voor het eerst voor u verschenen is op de heide van Heusden in het jaar 1587, als een grote jongeman zonder baard…

CELIS: Wauw! Een grote jongeman… zonder baard!

JAN: Hij was geheel in ’t groen gekleed en had een zwarte vierkante muts op zijn hoofd! Hij deed u God verloochenen en verplichtte u tot geslachtsgemeenschap! Tot driemaal toe en dat allemaal tijdens uw middagdutje! Het gebeurde in de smidse van uw man, in uw zwingelkot en in uw tuin! En de penis van de Duivel was ijskoud!

CELIS: Amai!

JAN: U nam vijfmaal deel aan een nachtelijke heksenvergadering! De eerste bijeenkomst vond plaats op de heide in Heusden. Rondom een groot vuur zaten zeven vrouwen, die kaas en brood ronddeelden. Een tweede bijeenkomst ging door op een berg, u danste er met een kroon op uw hoofd. Er stonden allerlei spijzen op tafel, maar niemand durfde ervan te eten uit schrik voor de talrijke aanwezige boze geesten. Bij aankomst kuste iedere deelneemster de Satan op zijn achterwerk. Hij stond daarvoor recht en trok een soort priestertoga omhoog. Ge zijt naar die vergadering gekomen in het gezelschap van een afgrijselijk lelijke duivel, die u slechts een rok en een sluier liet dragen! Is het niet zo, Callens?

DEWILDE: Mag ik u eraan herinneren, baljuw Schepens, dat Janne Callens deze bekentenissen heeft afgelegd nadat ze urenlang aan zware martelingen werd onderworpen!

JAN: Dat mag u, meester Dewilde… Maar laten we niet vergeten dat ze deze bekentenissen daarna niet herroepen heeft!

DEWILDE: Omdat zij anders opnieuw gemarteld zou worden, natuurlijk!

JAN: Net zomin als zij haar bekentenissen over een bijeenkomst nabij het Galgeneed heeft ingetrokken na de tortuur, meester Dewilde! Dit is de plek waar zij haar Galgenaas heeft gevonden en waar zij ook Passcheyne Neyts heeft gezien!

NEYTS: Dat kan niet! Ik ben daar nooit geweest!

JAN: Passcheyne Neyts! Sta op!

Neyts staat op.

JAN: Ontkent gij dat het duivelsmerk een teken is dat de Satan ter bezegeling van zijn pact op het lichaam van zijn volgelingen aanbrengt, en dat men het kan opsporen door er met een priem in te prikken, en dat de heks op deze plaats geen pijn voelt?

NEYTS: Ik eh…

JAN: Om dit duivelsmerk te vinden werden de beklaagden volledig uitgekleed en al het hoofd- en schaamhaar en het ander haar werd ook weggeschoren, want het teken kon zich overal op het lichaam van de verdachte bevinden, zelfs tot in de meest intieme delen!

CELIS: Ja, zal ik dan nu mijn meest intieme delen aan een onderzoek…?

JAN: Boudewijn Waelspeck senior heeft bij u niet minder dan vier duivelsmerken gevonden, Passcheyne Neyts!

CELIS: Wauw!

JAN: Eén op uw rechterheup, één op uw rechterbeen net boven de knie en één op elk van uw voetzolen! Boudewijn Waelspeck senior heeft u vervolgens vijf dagen en nachten ononderbroken wakker gehouden in de nabijheid van een hoog oplaaiend vuur, en hij heeft u ook de halsband omgelegd… waarna u bekend hebt dat u de Duivel voor het eerst ontmoette in Laarne in 1605, dat hij zich “Hans Drinkt Uit” noemde en dat hij zich aan u vertoonde in de gedaante van een kalf! Hij troostte u voor uw vele tegenslagen en beloofde dat u geen gebrek meer zou lijden als ge hem trouw zwoer en God verloochende. En daarna hebt ge geslachtsgemeenschap gehad en heeft hij u een poedertje gegeven… en gij dit poedertje aan Janne Callens gegeven!

CALLENS: Dat is niet waar! Ik heb nooit iets van dat mens gekregen!

NEYTS: ’t Is wel waar! Ik heb u iets gegeven tegen de koppijn en…

CALLENS: Gij die mij iets zoudt geven!? Ha! Laat mij niet lachen! Gij zijt een gierige pinne, gij! Altijd geweest! En ge zijt jaloers ook, gij! Ge hebt mij nooit kunnen uitstaan! En daarom hebt ge mij valselijk beschuldigd!

NEYTS: Gij zijt begonnen met mij valselijk te beschuldigen! Ge zoudt mij gezien hebben op die bijeenkomsten van u met de duivel, waar gij de koningin van het heksenfeest mocht zijn… Maar ik ben nooit op een feest geweest waar gij de koningin waart! Ha! Ik ben niet onnozel hé!

JAN: Beklaagden! Stilte alstublieft! Of ik laat u de mond snoeren!

CELIS: Goh… Gij kunt toch ook wel een strenge zijn, gij…

JAN: Gij hebt twee heksenvergaderingen bijgewoond, beklaagde Neyts… Een eerste nabij het hof van Willem de Moerloose in Laarne, een tweede voor het hof van Pieter Dierickx in Kalken. De duivel haalde u uit uw bed, legde een blok hout in uw plaats en voerde u naar de sabbat. Gebeurde dit te voet, met paard en kar, of al vliegend door een venster, deur of schoorsteen?

NEYTS: Ik weet het niet… Ik weet het niet meer!...

JAN: Haha! Ze weet het niet meer!... Weet ge dan nog dat die goddeloze feestvierders rondom een tafel zaten waarop groene kaarsen en gekookte spijzen stonden, Passcheyne Neyts? Weet gij niet meer dat ge de opperduivel op zijn aarsgat gekust hebt? Hij lag plat op de grond en de heksen kropen één voor één naar hem toe… en om zijn gat niet te missen, werd dat door een andere duivel met een kaars belicht!

CELIS: Goh! Dat zijn toch wel straffe toeren!

JAN: En ’t is daar dat Josyne Celis…

CELIS: Aanwezig! (giechelt)

JAN: … met haar duivel danste! Gij waart bij die bijeenkomsten portierster, Passcheyne Neyts!

DEWILDE (smalend) Heks Portier!

JAN: En Janne Callens was kokkin!

DEWILDE: Maar Janne Callens kan helemaal niet koken! Soep die zeven jaar goed blijft, ha! We hebben het daarstraks toch zelf kunnen proeven, zeker? Al na zeven seconden smaakte dat naar… naar…

JAN: Naar wat, meester Dewilde? Naar een typisch heksenbrouwsel, misschien?

DEWILDE: Ik protesteer! Baljuw Schepens legt mij woorden in de mond die ik niet gezegd wil hebben!

JUSTINE: Protest toegestaan, meester. Ge moet een beetje beter uitkijken waar ge uw woorden legt, baljuw.

JAN: Josyne Celis!

CELIS: Ah! Is het eindelijk mijnen toer?... Dan zal ik u vertellen dat ik eerst elke aantijging ontkende… Maar toen werd ik eindelijk aan een lichaamsonderzoek onderworpen door de sinistere beul Waelspeck…

Ze begint aan een soortement striptease.

CELIS Zijn ogen gleden begerig over mijn prachtige lichaam dat ik geheel en al voor hem moest ontbloten, zijn handen gleden over mijn gloeiende huid en ik slaagde er niet in een huivering te onderdrukken… Een vinger streelde mijn rechteroor en vond daar één duivelsmerk… Toen gingen zijn handen over mijn rug, en daar, tussen mijn schouderbladen, vond hij een tweede merk…

Haar rug is nu helemaal ontbloot en we zien dat ze daar inderdaad een grote moedervlek heeft.

CELIS De brute beul deed mij een halsband om, zette mij voor een hoog oplaaiend vuur… en ik bekende alles wat hij wilde horen, alles wat hem maar kon plezieren, en ik schiep zelf een duivels genoegen in mijn sensuele verzinsels over mijn duivel die Daneel heette en die in 1605 omstreeks middernacht voor het eerst bij mij in bed kwam liggen, mij vastgreep en zijn ding deed met mij. Drie keer na elkaar. En zonder pauze.

JUSTINE: Dan verleen ik nu het woord aan u, meester Dewilde. Wat hebt u te zeggen ter verdediging van deze drie beklagenswaardige beklaagden?