Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

1.12.10

Nismes: Het Huis van de Baljuw


Spiritisten geloven in een hiërarchie van geesten en in de onsterfelijkheid van de ziel, die na het afsterven van het materiële lichaam in een immateriële, 'astrale' dimensie van de ons bekende werkelijkheid zou vertoeven. Het spiritisme baseert zijn reden van bestaan op het vermogen tot communicatie en het tweerichtingsverkeer tussen de wereld der geesten en de wereld waarin u en ik leven.
In feite gaat het om een zeer oud geloof, dat in de achttiende eeuw nieuw leven kreeg ingeblazen en tijdens de negentiende eeuw een ware explosie kende. Nadat de twee Amerikaanse zussen Fox naar aanleiding van primitieve klopsignalen tussen henzelf en een kennelijk onstoffelijk wezen - de zogenaamde Mister Spitfoot - in New York de moderne Spiritistische Beweging oprichtten, werd de doctrine over de gehele wereld verspreid en groeide het spiritisme zelfs uit tot een regelrechte religie.
De experimenten van de zusjes, die waren gestart in 1848, zorgden voor de nodige verwarring in de publieke opinie. Ze werden meerdere malen van bedrog beschuldigd, maar slaagden er ondertussen toch in het wetenschappelijke, positivistische tij van de negentiende eeuw te doen keren in de richting van een sensitieve en irrationele metafysica. Paradoxaal genoeg, telde de beweging ook heel wat aanhangers onder de intellectuelen van die dagen: dokters en schrijvers, astronomen, fysici en filosofen wierpen zich op als de theoretici en de meest verwoede experimentators van de nieuwe leer.
Al gauw was er in de Verenigde Staten en Europa geen stad meer te vinden zonder een club die zich wijdde aan het organiseren van seances waarin op allerlei manieren geprobeerd werd in contact te treden met de astrale wereld. De belangstelling voor àlle soorten paranormale fenomenen steeg in die periode trouwens zienderogen. Studenten van Cambridge en Oxford stichtten verenigingen die zich tot doel stelden de studie van deze problematiek aan te wakkeren.
In 1882 werd de Britse Vereniging voor Parapsychologisch Onderzoek opgericht, die niet alleen aanhangers van de evolutieleer, paleontologen en professor in de filosofie onder zijn leden telde, maar ook natuurkundigen van aanzien, zoals sir William Crookes. De vereniging stelde zich tot doel 'het onderzoek, zonder vooringenomenheid of vooroordeel en in de geest van de wetenschap, van die gaven van de mens, werkelijk of verondersteld, waarvoor via geen enkele erkende hypothese een verklaring gevonden kan worden.' Drie jaar later werd een Amerikaanse pendant opgericht.
De theosofe H.P. Blavatsky die beweerde op een telepathische wijze berichten te ontvangen van Tibetaanse 'mahatma's' werd door de Vereniging ontmaskerd als 'één van de meest bedreven, vindingrijke en belangwekkende oplichtsters uit de geschiedenis'. Verscheidene mediums bleken trompetten of zekere goocheltruuks te benutten, om tijdens een seance stemmen van geesten, dansende tafels en vreemde geluiden voor te wenden, tot zelfs de materialisaties toe, én het 'ectoplasma' dat daarbij werd geproduceerd.
Ian Wilson, die een boek heeft gewijd aan enkele belangwekkende case-study's van de Vereniging, schrijft dat deze tot dusver duidelijk gefaald heeft, waar het haar voornaamste doel betrof: het verschaffen van overtuigende bewijzen van paranormale fenomenen. 'Maar,' gaat hij verder, 'louter het feit van het honderd jaar lang bijeenbrengen van verslagen van vermeende bovennatuurlijke verschijnselen, heeft geleid tot een archief van ongeëvenaard materiaal. In het eenvoudige, maar uitstekend onderhouden kantoorgebouw van de Vereniging vlak bij Londens drukke Kensington High Street staan in een bovenvertrek zonder ramen stalen archiefkasten vol verslagen van vermeende spookgevallen, verschijnselen als bezetenheid en telepathie, verschijningen van kwelgeesten, hekserij en nog veel meer.'
Het hoofdstuk 'België' in de annalen van het spiritisme - dat in Brazilië tussen haakjes door 5% van de bevolking als godsdienst wordt beleefd - is veeleer bescheiden. Hier geen stalen archiefkasten vol verslagen. Bij mijn weten is/was (?) er in dit land met zijn ongemeen bloeiend verenigingsleven nog slechts één vereniging actief, die min of meer de vergelijking met de Britse Society for Psychical Research kan doorstaan. En dat is de Association Belge pour l'Etude de la Parapsychologie, gegroeid uit Solidarité Spirituelle, die kort na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht. In Luik bestaat ook nog de officieel erkende Union Spirite Belge, die in het begin van de twintigste eeuw het licht zag. Over het ontstaan, de groei en de bloei van het spiritisme in België is trouwens ook weinig bekend. Omstreeks 1860 zou er in de streek van Charleroi voor het eerst enige interesse voor dat onderwerp vertoond zijn.
Mijn verbazing was dan ook groot toen een lezer van mijn boek Sterke Verhalen mij eind 1995 in een brief het volgende mededeelde:

Geachte Heer,

Enkele dagen voor zijn dood te Brussel in 1953, overhandigde mijn grootvader Hervé Agneessens mij een verzegelde doos, waarop hij de volgende woorden had geschreven: 'Mag uitsluitend geopend worden na mijn dood door een lid van mijn familie, die zich op die manier op zijn woord van eer zal engageren om zijn leven te wijden aan het onderzoek dat hier vluchtig wordt belicht.'

Toen ik een paar dagen na zijn begrafenis de doos opende, bleek deze een groot aantal oude schoolschriften te bevatten, die waren volgepend in het precieuze handschrift van mijn grootvader. Nu moet u weten dat mijn grootvader in 1906 secretaris is geworden van de Société Métapsychique, die het jaar voordien in Brussel werd opgericht. Hij heeft deze functie, met uitzondering van de oorlogsjaren 1914-1918, uitgeoefend tot in 1923, toen de vereniging werd opgeheven. Later is hij ook nog actief lid geweest, tot de Tweede Wereldoorlog, van de Cercle Métapsychique te Ukkel en van de Conseil De Recherches Métapsychiques de Belgique in Loupoigne.

De doos bleek de verslagen te bevatten van een aantal merkwaardige zaken die mijn grootvader in zijn hoedanigheid van secretaris en lid van deze verenigingen van nabij heeft gevolgd. Ik ben nu zelf een oude man geworden, die niet lang meer te leven heeft. Ik zou u dan ook, als kritisch auteur en verteller van 'sterke verhalen', willen verzoeken deze dossiers openbaar te maken, op een wijze die u het meest gepast lijkt.

Met de meeste hoogachting,

Henri Agneessens.

Na nog wat heen en weer geschrijf en ook twee persoonlijke contacten met Henri Agneessens, werden mij de in het Frans gestelde verslagen van zijn grootvader Hervé ter beschikking gesteld. Henri Agneessens overhandigde mij tevens een paar dossiers die hij, zoals zijn grootvader hem in zijn testament had verzocht, zélf had onderzocht. In 1953 stapte hij namelijk in de voetsporen van zijn vader en werd hij een actief lid van de Cercle Métapsychique te Ukkel.
De Brusselse Société Métapsychique was, zoals dat hoorde voor een Belgische vereniging, zowel in het Nederlandse als het Franstalige landsgedeelte actief. Merkwaardig is dat Hervé vooral geïnteresseerd leek voor zaken die zich in Vlaanderen afspeelden, terwijl kleinzoon Henri zich meer om Wallonië bekommerde. De dossiers van Henri zijn ook minder uitgebreid dan die van Hervé.
Henri overleed op 24 februari 1996 en heeft de publikatie van zijn werk en dat van zijn grootvader dus niet meer mogen beleven.
Voor publicatie op de site Mysterieus België  heb ik uit de talloze interessante dossiers die behoren tot de hierboven beschreven verzameling, een wel bijzonder curieus verhaal gekozen. In 'het huis van de baljuw' zou volgens de contactpersoon van Hervé Agneessens - een jongeman die als gevolg van een weddenschap de nacht wel eens in een spookhuis wilde doorbrengen - een museum gehuisvest zijn. Hervé merkt in een naschrift bij dit ongedateerde script op dat hij deze informatie heeft gecheckt en dat ze niet klopt. Dit is slechts ten dele waar, maar dat kon Hervé Agneessens op dat ogenblik natuurlijk nog niet weten. Hij overleed immers in 1953 en het 'huis van de baljuw' zou pas in 1977 geklasseerd worden en omgebouwd tot... een plaatselijk museum.
Toen ik kleinzoon Henri hieromtrent aan de tand voelde, verklaarde hij er net als zijn grootvader van overtuigd te zijn dat er zich op bepaalde plaatsen niet alleen beelden uit het verleden kunnen vertonen, die daar onder zekere omstandigheden als het ware 'bewaard' kunnen worden, maar dat een dergelijke plek vaak ook uitermate geschikt is voor 'projecties uit de toekomst'. Voor 'proscopische visioenen', met andere woorden. Blijkbaar werd de jongeman in het huis van de baljuw niet alleen geconfronteerd met een beeld uit het verleden, maar ook met een visioen van de toekomst die deze plek te wachten stond. Al blijft het natuurlijk ook mogelijk, zoals voor ieder dossier in dit boek, dat er een mystificatie in het spel is.
Net zoals kleinzoon Henri noteerde Hervé zijn verslagen in het Frans, maar Hervé deed dit bovendien in een stenografie van eigen vinding. Wat stijl en vertaling betreft, heb ik mij dan ook de noodzakelijke vrijheden veroorloofd. Inhoudelijk heb ik de verslagen echter zo correct mogelijk gevolgd. Waar ik dat nodig achtte, werden ten slotte verklarende voetnoten ingelast.

Patrick Bernauw
Erembodegem, april 1996



Het Huis van de Baljuw
 
 
 
Pas toen David besefte dat hij onmogelijk nog op zijn passen terug kon keren, drong het ook tot hem door dat hij een verschrikkelijke dwaas was geweest.

Okee, spookhuizen bestonden uitsluitend in de verhitte verbeelding van een stuk of wat debiele bijgelovige zielen. En bijgevolg hoorden spoken ook alleen dààr thuis. Maar dat was nog altijd geen geldig excuus om je te laten opsluiten in een huis dat je totaal onbekend was, omdat je nu eenmaal wilde doorgaan voor een stoere jongen.
Het was een domme weddenschap geweest, en daarmee basta.
Misschien had dat gevoel van onbehagen ook veel te maken met de drukkende atmosfeer van die late namiddag in augustus. Er hing onweer in de lucht. Door het raam in de hall keek hij naar de vreemde, bijna doorschijnende duisternis daarbuiten, naar de gruisbruine wolken die het blauw van de lucht langzaam maar zeker verdreven.
Hoewel het nog geen zeven uur was geworden, leek de schemering al ingetreden. Het spel van licht en schaduw deed de bomen op het grasperk voor het huis van de baljuw er onwezenlijk uitzien, alsof ze alleen maar geschilderd waren op het doek van een gek geworden impressionistische meester. Eén die zijn oor had afgesneden of zo.



De beminnelijke suppoost liet de laatste bezoekers uit. Eustache Cerbère was zijn naam. Hij had de uitstraling van een moderne kluizenaar. Liever dan zich in de rumoerige buitenwereld te wagen, zo stelde David zich voor, voerde hij urenlange gesprekken met de voorwerpen die hem omringden. Hij was de met magische krachten begiftigde bewaker van een eeuwenoud koningsgraf, die de op goud en juwelen beluste grafschenners ver moest houden van de schatten van het verleden.
Net vóór zeven uur nam monsieur Cerbère de ouderwetse horloge aan de zilveren ketting uit zijn borstzak. Traag en met een zekere regelmaat liet hij de horloge heen en weer slingeren.
'Dames en heren!' zei hij. 'Het is zeven uur!'
Behalve David was er alleen een ouder koppel aanwezig in het museum dat was ondergebracht in het huis van de baljuw. Een ouder koppel en een gastvrouw van de gemeente Nismes. Theresa was haar naam en David had haar bij een eerste, verkennende bezoek reeds vluchtig opgemerkt. Haar aanwezigheid verzoende hem min of meer met zíjn aanwezigheid hier. David logeerde samen met handvol vrienden in een herberg in Couvin, enkele kilometers verderop. Daar was ze na zijn eerste bezoek aan het huis van de baljuw een paar keer in zijn dromen verschenen, als een nimf van de nacht. Net als bij die gelegenheden, droeg ze ook nu een verschrikkelijk kort plooirokje, sexy nylons en een hagelwit bloesje. Om haar hals had ze een zwartfluwelen bandje, waarin één of ander juweel fonkelde, en op haar hoofd stond een charmant hoedje. Voor de rest had ze gitzwarte haren en donkere ogen die gloeiden als kooltjes in haar knappe, bleke gezichtje.
De suppoost zette zijn tocht verder. Hij bewoog zich net als zijn horloge slingerend voort, merkte David. Net een schoothondje dat vriendelijk met zijn staart kwispelde terwijl het op je schoenen kwam plassen. Uit zijn ooghoek zag hij dat Theresa verveeld in een toerististische brochure bladerde, die geheel gewijd was aan het huis van de baljuw.
'Wij hebben u alles getoond wat er te tonen valt, dames en heren. Het is vijf uur. Kijk naar de horloge aan de ketting. Het is de hoogste tijd. Straks, als ik drie maal met de vingers knip...'
David was monsieur Cerbère gevolgd en stond nu achter hem, vlak bij een reusachtige antieke reiskoffer die ooit wel van de baljuw zou zijn geweest - wie dat dan ook wezen mocht, want David had nergens de naam van dat heerschap gevonden.
Terwijl de suppoost zich omdraaide om de gastvrouw aan de uitgang te vervoegen, kroop David in de koffer.




David voelde zich daar als een welgekomen gast die zich gezellig in een gemakkelijke fauteuil had genesteld en wachtte. Waarop wist hij niet precies. Op het moment dat hij ontdekt werd? Of tot de volgende ochtend, wanneer hij omstreeks het openingsuur het huis van de baljuw zou verlaten, breed glimlachend omdat hij zijn weddenschap had gewonnen? Zijn vrienden zouden hem opwachten op het grasperkje voor het huis van de baljuw. Zo hadden ze het tenminste afgesproken.
Binnenin was de koffer bekleed met fluweel. Ook dat had David bij zijn eerste bezoek opgemerkt. Nee, hij was niet over één nacht ijs gegaan. Toen hij de uitdaging van zijn vrienden had aangenomen en besloten had de nacht door te brengen in het huis van de baljuw, had hij eerst een verkenningstocht ondernomen en daarna had hij zijn plan tot in de puntjes uitgewerkt. Als hij erin slaagde de suppoost en - hoe heette zo'n dame officieel? - enfin, de gastvrouw dus (1), te verschalken, en zodra hij in die koffer zat, kon er niks meer verkeerd lopen.
Het was donker en stil, daar in de koffer. Om hem heen was alles in volmaakte rust gedompeld, in diepe duisternis. David wist niet of er een nachtwaker was aangesteld in het huis van de baljuw, en daarom had hij voor alle zekerheid besloten in de koffer te blijven slapen. Het was een goede plek om de nacht door te brengen.
Hij lag hier zo knusjes, zo warm. Al gauw was David in een diepe slaap verzonken. Al gauw droomde hij van dat dorpje tussen Samber en Maas, van Nismes bij Couvin, een zeer oud dorpje, waar men nog sporen had gevonden van mensen die daar meer dan 15.000 jaar geleden hadden geleefd (2).
David droomde van het beroemde spookhuis dat zich daar nu bevond, het huis van de heer, van de baljuw. Het was opgetrokken in de vijftiende eeuw. Iedereen kon het gaan bezoeken, sinds men er een jaar terug een museum in had ondergebracht (3). In het huis van de baljuw hadden in de loop der eeuwen de families Horne, de Martin en de Baillet gewoond. In de zeventiende eeuw werd er een zekere dame du Moustier in vermoord. Sindsdien vonden er eigenaardige verschijnselen plaats. Was het de geest van deze dame du Moustier die ze veroorzaakte? Dame du Moustier, die er nog altijd rondspookte?
Er deden al jarenlang geruchten de ronde over het huis van de baljuw... Als men de houten trap besteeg of over de planken van de zoldervloer liep, was er soms een vreemd gekraak te horen. Het was niet het soort kraken dat voortgebracht wordt door planken waar men over loopt. Dit soort kraken leek veeleer op het geluid dat wordt gemaakt als men iemand de schedel inslaat... En was het niet zo dat een inbreker, die door de jongedame du Moustier was verrast, haar de schedel had ingeslagen?
Kritische geesten merkten op dat de inbreker dame du Moustier inderdaad met een stomp voorwerp te lijf was gegaan. Maar dat had haar dood niet veroorzaakt. Ze had zich heftig verweerd en toen had de razend geworden inbreker naar een vlijmscherp slagersmes gegrepen, waarmee hij - zo beweerde men destijds - in één haal haar hoofd van haar romp had gescheiden.
Een paar jaar terug, zo had David het in een brochure gelezen, bewoonde de moeder van een gemeentebediende het gebouw (4). Op een goeie avond trok ze naar de zolder om er het linnen op te hangen. Een jongedame, gekleed volgens de mode van driehonderd jaar geleden, zweefde haar toen voorbij zonder het minste geluid te maken. Ze verdween in de trapgang. De geest werd daarna nog meerdere malen waargenomen, meestal op de zolder en in de trapgang, waar het destijds tot een dodelijke confrontatie was gekomen tussen dame du Moustier en de naamloze inbreker.
Deze vreemde fenomenen konden de autoriteiten er niet van weerhouden het huis van de baljuw om te bouwen tot een museum. Dat was opgevat als een soort bloemlezing van het leven in Nismes, door de eeuwen heen. De bezoeker moest er als het ware een wandeling door de tijd kunnen maken, van de prehistorie tot vandaag de dag. Zo waren er in het huis van de baljuw onder meer kelders met versterkte muren te zien, een wapenzaal met schietgaten, een oude oven, een privékapel met muurschilderingen en een typische keuken uit vroeger tijden, met een enorm haardvuur (5).
Dat er nu veel mensen over de vloer kwamen, leek het spook allerminst af te schrikken. Soms gingen plotseling alle lampen branden (6). En dat terwijl er geen levende ziel in het huis van de baljuw aanwezig was!
In de winter was het museum gesloten, bij gebrek aan centrale verwarming. Maar op een Kerstdag, nog niet zo lang geleden, had één van de beheerders van het museum alle lampen opnieuw zien oplichten.
De dorpelingen van Nismes fluisterden zelfs dat het spook het huis beschermde. Was het niet zo dat er al een paar keer werd ingebroken in het huis van de baljuw, en dat de inbrekers hals over kop het hazepad kozen zonder ook maar iets mee te nemen? (7) 
'Logisch,' zeiden de mensen van Nismes. 'De jongedame du Moustier heeft het niet zo voorzien op inbrekers. Dat zult u wel begrijpen, nietwaar?'




Theresa leek allerminst verrast, toen ze David uit de koffer zag kruipen. Een vaag gerucht, als van muizen op zolder, had hem gewekt. Toen David door het sleutelgat van de reiskoffer keek, had hij nog net een glimp kunnen opvangen van een stukje nylon. Als hij het uniform van een nachtwaker in het oog had gekregen, zouden de zaken er helemaal anders voorgestaan hebben. Maar nu meende David dat het beter was zijn schuilplaats te verlaten.
Theresa glimlachte verlegen. 'Ik wist wel dat u achtergebleven was,' zei ze.
David schonk haar op zijn beurt een glimlach, de meest schuldbewuste die hij in huis had. 'Die domme weddenschap ook,' antwoordde hij. 'Ik heb met mijn vrienden gewed dat ik de nacht durfde door te brengen in het huis van de baljuw en vandaar...'
'Je hoeft je niet te verontschuldigen,' zei Theresa. 'Zoiets brengt wat leven in de brouwerij, en dat kun je hier in zo'n godvergeten gat wel gebruiken.'
'Dan laat je mij niet arresteren wegens nachtelijke inbraak?'
'Nee.'
'Waarom ben jij dan eigenlijk achtergebleven?'
Opnieuw glimlachte Theresa verlegen. 'Omdat ik er zeker van wilde zijn dat je nergens mee aan de haal zou gaan, natuurlijk.'
Daar geloofde David geen sikkepit van. Maar waarom zou Theresa dan wél achtergebleven zijn? Omdat ze hier met hem... sàmen wilde zijn? Omdat hij wat leven bracht in de brouwerij, en ze dat in zo'n godvergeten gat wel kon gebruiken?
'Ondertussen vrees ik wel dat we hier vastzitten voor de rest van de nacht,' ging Theresa verder. 'Monsieur Cerbère heeft alles afgesloten. Hij bewaart een stel dubbele sleutels in zijn kantoor, maar dat heeft hij ook op slot gedaan. Het ziet er dus naar uit dat we gewoon op de ochtend moeten wachten...'
'Komt er dan geen nachtwaker?'
'Ik ben de nachtwaakster,' zei Theresa.


En zo brachten David en Theresa samen de nacht door, maar wat er daarbij allemaal gebeurde, kon hij zich later vreemd genoeg niet meer herinneren. Dat vond hij wel jammer. Hij wist alleen nog dat hij op zeker ogenblik in haar armen in slaap viel, en dat hij droomde van monsieur Cerbère die zijn handen en voeten ontwrichtte en scheef op zijn polsen en enkels zette, zodat David niet langer meer achter de lieftallige assistentes van monsieur Cerbère aan kon zitten. Toen stopte de suppoost hem in de koffer en deed die op slot. Door het sleutelgat kon David zien hoe monsieur Cerbère de sleutel achteloos weggooide.
David huilde. Waar was Theresa? Zou zij ook gestraft worden? En moest hij hier in deze reiskoffer van de baljuw dan verhongeren en verdorsten, door iedereen vergeten? David voelde zich in zijn droom opnieuw een kleuter van een jaar of vijf, die was weggelopen van zijn vader en zijn moeder en nu was verdwaald in de grote, vijandige stad. Hij wérd opnieuw die kleuter van vijf, alleen op een wereld die plotseling zo oneindeloos groot was geworden, dat hij alleen maar kon huilen en huilen tot hij er onderbewusteloos van werd, misschien zelfs bijna dood. Mors.
Zou zijn magere geraamte in de flarden van zijn halfvergane kleren dan op zijn beurt door het huis van de baljuw gaan spoken?
Ergens galmde een klok zeven maal. Was het al zo laat? David schrok wakker uit zijn lichte sluimer en zijn onrustige dromen en vond zich terug op een bankje tegen de muur, de armen voor de borst gekruist, even eenzaam en verlaten als de triestelaar uit zijn droom.
Blijkbaar was hij hiér ingedut, en waar was Theresa...?
Theresa lag te maffen in de reiskoffer van de baljuw, waarvan ze het deksel had laten openstaan. Zoals ze daar lag, eveneens met de armen over de borst gekruist, leek ze wel opgebaard te liggen in een doodskist. Haar bleke huid stak scherp af tegen het zwart van haar haren en het fluwelen halsbandje, gesloten met een broche waarvan David zich eerder die nacht had afgevraagd of het een échte diamanten broche was.
David stond op en streelde haar wang, om haar zachtjes wakker te maken. Geschrokken stelde hij vast dat hij huid ijskoud was. Had zij vannacht ook zo koud aangevoeld? David kon het zich niet voorstellen.
Onwillekeurig raakte hij het hoedje aan, dat ze nog steeds op het hoofd had en dat hij voorheen zo charmant had gevonden. Nu vond hij het alleen maar antiek. Ze had het de hele nacht opgehouden, meende hij zich te herinneren.
Het hoedje schoof van Theresa's hoofd, het viel op haar borst en David begon te gillen, want er zat een gapend rood gat in het hoofd van Theresa.
Zijn gegil maakte haar niet wakker. Wél leek het alsof de golven van geluid haar hoofd aan het trillen maakten. Het deed David denken aan de legendes uit lang vervlogen tijden die hier in Nismes verteld werden, en waarin rotsen menselijke vormen konden aannemen en plotseling konden gaan spreken, gaan zingen of gewoon gaan trillen.
De diamanten broche die het zwartfluwelen bandje om de hals van Theresa gesloten hield, sprong plotseling open. David gilde nog harder toen zijn oog viel op de bloedrode cirkel die om de hals van Theresa lag en die voordien bedekt was geweest door het fluwelen bandje. Het hield het afgehakte hoofd van Theresa nu niet meer op zijn plaats, zodat dit trillend van haar romp afrolde en in haar schoot tot stilstand kwam. Haar donker gloeiende ogen waren weer open gegaan en staarden David beschuldigend aan.
David zette het op een lopen en rende recht in de armen van monsieur Cerbère. In zijn ene hand hield de suppoost de zeventiende eeuwse kandelaar waarmee een inbreker ooit de jongedame Thérèse du Moustier te lijf was gegaan. Er hingen nog wat plukjes gitzwart haar in de armen van de kandelaar. Met zijn andere hand zwaaide monsieur Cerbère met het slagersmes waarmee hij de jongedame eeuwen geleden het hoofd had afgesneden.
Het was niet alleen de geest van Thérèse du Moustier die nog rondspookte in het huis van de baljuw, flitste het door David heen in de fractie van een seconde voordat het hem zwart werd voor de ogen. Het was ook de geest van haar moordenaar - Eustache Cerbère of wie dan ook -, die nu voor eeuwig boete deed voor zijn wandaad in de gedaante van een bewaker van dit museum. Ooit had monsieur Cerbère hier ingebroken, maar toen werden de rollen omgedraaid en nu joeg híj op inbrekers.
En was David niet een inbreker geweest?
Domme weddenschap! dacht hij nog, voor hij definitief het bewustzijn verloor.



De horloge van de man in de witte jas slingerde aan een zilveren ketting zachtjes heen en weer.
'Kijk naar m'n horloge, David,' fluisterde de man in de witte jas. 'We hebben je één en ander getoond, we hebben je vragen gesteld, we hebben voor je gespééld... Maar straks, als ik met m'n vingers knip en je wordt wakker... Straks, als ik drie maal met de vingers knip, wil ik dat je je niks meer herinnert van dat alles... Wil ik dat je je niks meer herinnert, David... Niks meer... Niks...'
David legde zijn hoofd tegen de schouder van de verpleegster met de gitzwarte haren en keek naar de horloge van de man in de witte jas. Ze hield op met slingeren en de man knipte drie maal met z'n vingers en de nachtmerrie vervaagde op slag tot een bleke vlek met wazige contouren op de landkaart van zijn geheugen.
De man met de witte jas nam hem bij de ene elleboog en de verpleegster met de gitzwarte haren bij de andere. Zo leidden ze hem naar hun wagen die op het grasperkje voor het huis van de baljuw met draaiende motor op hen wachtte. Ze deden hem op de achterbank neerzitten en spreidden een deken uit over zijn knieën. David rolde zich op onder de deken.
'Waar logeert hij?' vroeg de man in de witte jas.
'In een herberg in Couvin, met een stel vrienden,' antwoordde de verpleegster.
'Zijn ze al verwittigd?'
David kon het antwoord niet meer verstaan, maar alles was rustig en hij zat daar zo goed in het donker onder de deken. Het was daar zo knusjes en warm...


 
 
 
 
(1) Het woord hostess raakte in België pas ingeburgerd in de jaren zestig, na de Expo.


(2) Later woonde er, net als in de stripverhalen van Asterix, een stam van onoverwinnelijke Galliërs: Aduatiekers, die verbeten stand hielden tegen de Romeinen. En nog later werd er een klooster gebouwd, dat gedurende een hele eeuw toebehoorde aan de beroemde abdij van Saint-Germain-des-Prés.

(3) Zoals in de inleiding reeds vermeld werd, werd 'het huis van de baljuw' pas in 1977 geklasseerd en omgebouwd tot een museum.

(4) De anecdote waarop hier gezinspeeld wordt, vond volgens een luxueuze gids van Reader's Digest (Ongewoon en Mysterieus België) plaats 'in de vroegere jaren vijftig'. In dit boek staat verder te lezen dat er nog in de jaren zeventig voetstappen werden gehoord op de zolder. Gedurende een tijdje kon men er elke avond weer getuige van zijn. Op zo'n avond slaagde men er zelfs in, met behulp van een apparaat met infrarode film, een soort witte schaduw op een foto vast te leggen - een lichtkegel van ongeveer 1 meter 60 hoog, waarvan de aard en de oorsprong geheel onbekend en onverklaarbaar was -, en die ook in de publikatie van Reader's Digest werd opgenomen.

(5) Deze beschrijving die dateert uit de vroege jaren vijftig klopte perfect met de toestand en inrichting van het museum op het moment dat ik het bezocht, in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw.

(6) In 1980 gingen alle lampen in het huis van de baljuw plotseling branden, zonder dat iemand ze aangeknipt had en terwijl de teller niet eens werkte! Bepaalde leidingen werkten zelfs zonder dat er zekeringen waren!

(7) Het spontaan 'oplichten van de lampen' en inbrekers die op de vlucht slaan zonder iets mee te nemen, zijn fenomenen die zich volgens de reeds geciteerde publikatie van Reader's Digest het laatst hebben voorgedaan in 1985.



De foto's die Het Huis van de Baljuw illustreren, behoren tot het stadsspel De Spoken van Brugge, dat u zowel kunt spelen met een handig doe-het-zelf pakket als geheel voor u georganiseerd met een professionele spelleider. Vraag hier vrijblijvend alle info.

Geen opmerkingen: