Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

28.12.10

Dendermonde: De 4 Heemskinderen




Deze vertelling, beste lezer(es), vangt aan op een kille winterse dag in december, ergens in de vroege middeleeuwen, zo rond zestien uur dertig. In die machtige tijd dus, die ook wel eens ‘de duistere middeleeuwen’ wordt genoemd, omdat het toen telkens aardedonker werd op kille winterse dagen in december, zo rond zestien uur dertig[1].
Keizer Karel de Grote regeerde in die dagen roemrijk over onze gewesten en zwaaide zijn scepter af en toe zelfs over de rest van de wereld. Op een keer zwaaide hij zo vervaarlijk met die scepter van hem dat hij een sauspannetje aan scherven stootte, en dat de inhoud het blazoen van heer Aymon van Dendermonde bevlekte. Aangezien heer Aymon een ridder was zonder vrees noch blaam, en ook omdat hij niet over vrouw of wasmachine[2] beschikte, kwam daar uiteraard oorlog van. Een smet op een blazoen, daar werd niet mee gelachen, in die duistere middeleeuwen!
De oorlog tussen heer Aymon van Dendermonde en keizer Karel de Grote duurde vele, vele jaren. Hun ridders en gewone manschappen en ook zijzelf waren immers aan elkaar gewaagd, hadden allen plusminus dezelfde opleiding genoten, bezaten min of meer dezelfde kracht en waren ongeveer even behendig in de edele kunst van het splijten van schedels met de strijdbijl, of het afhakken van ledematen met het blanke zwaard. Het pleit raakte dus maar niet beslecht en na een aantal jaren was de pret er ook volledig af.
‘Heren!’ riep heer Aymon toen uit, van wie de schedel er al behoorlijk gespleten begon uit te zien. ‘Dat kan hier zo niet doorgaan! Een andere oplossing is aangewezen!’
Alle krijgsmakkers lieten de wapens zakken, en ze luisterden vol overgave naar de ridder die deze wijze woorden had gesproken. Er viel een eerbiedige stilte.
‘Waarom bekijken jullie me allemaal zo?’ vroeg Aymon, toen hij vond dat die eerbiedige stilte lang genoeg had geduurd. Zijn voorraad wijze woorden was namelijk beperkt en na de vorige uitspraak geheel uitgeput.
Op dat ogenblik redde keizer Karel de Grote – zoals dat wel eens meer gebeurde – de situatie. Hij schreed plechtstatig naar voor en sprak: ‘Heren! Heer Aymon heeft gelijk! Dat kan hier zo niet doorgaan! Laten wij een einde maken aan deze vreselijke oorlog en vrede stichten in mijn rijk! Laat de ledematen van onze ridders en andere trouwe onderdanen niet langer door de lucht zeilen en onze tenten bespatten met het bloed van onze broeders! Voor de zon twee maal is gezakt naar de westelijke einder en voor de haan twee maal drie keer heeft gekraaid – kortom, tegen overmorgen dus – wens ik dat er vrede heerst in mijn rijk, en daarmee basta!’
Zo gezegd, zo gedaan. Want als keizer Karel de Grote plechtstatig naar voor schreed en vervolgens sprak, dan werd er niet tegengeprutteld.
Het vredesbedrag dat na moeizame onderhandelingen tot stand kwam, bepaalde dat heer Aymon de zuster van keizer Karel de Grote tot vrouw mocht nemen, om eindelijk de smet van zijn blazoen te wassen, en aangezien hij nog steeds niet beschikte over een wasmachine.
Zo geschiedde.
Het huwelijk tussen heer Aymon en de zus van keizer Karel de Grote was God bijzonder welgevallig, en Hij schonk Aymon vier flinke zonen: Reinaud, Ritsaard, Writsaard en Adelaard. Die doopte Aymon aldus omdat hij nu eenmaal een grondige hekel had aan namen als ‘Jan’, ‘Piet’, ‘Joris’ of ‘Korneel’.
Hoe dan ook, Reinaud, Ritsaard, Writsaard en Adelaard waren nauwelijks hun wiegje ontgroeid, of zij begonnen zich al zo dapper te gedragen dat Aymon zich verplicht zag hen tot ridder te slaan, omdat hij anders wellicht zelf een pak slaag zou hebben gekregen. Bij die gelegenheid schonk Aymon aan elk van zijn vier zonen ook, nog voor zij hun rijbewijs hadden gehaald, een edel en vurig ros. Reinaud, zijn oudste zoon, kreeg de beste draver uit de stal.
‘Zo’n paard rij jij nog in geen mensenleven dood!’ sprak Aymon fier.
Maar Reinaud sloeg het paard in kwestie met één geweldige vuistslag knock-out en het stortte met behoorlijk gespleten schedel zieltogend ten gronde.
‘Ah nee?’ lachte hij.
In plaats van de ridders van de Dierenbescherming te bellen[3], om zijn oudste zoon een wat beschaafder omgang met dieren bij te brengen, haalde heer Aymon een tweede paard. Ook dit dier werd door Reinaud met één geweldige uppercut naar de eeuwige jachtvelden gemept. Met het derde ros reed hij dan weer zo onstuimig uit dat hij een bocht miste en tegen de eerste de beste boom knalde. Hijzelf hield er een slechts lichtjes gespleten schedel aan over, maar het paard was wel – zoals men dat in het dialect van die dagen uitdrukte – ‘een peird totale’[4].
‘Luister, mijn zoon,’ sprak Aymon toen. ‘Dat kan hier zo niet doorgaan! Een andere oplossing is aangewezen, zoniet zullen wij ons bij gebrek aan paarden straks moeten verplaatsen met het openbaar vervoer!’
Dat waren wijze woorden en daar had Reinaud niet van terug. ‘Wat stelt u dan voor, vader?’ informeerde hij gedwee.
‘Beiaard!’ gromde heer Aymon in zijn baard. ‘Jij bent de man om het Ros Beiaard klein te krijgen! Die knol is zo sterk als twee maal vijf paarden[5] en hij is zo vlug als een sperwer[6]. Met zijn ijzeren gebit[7] maalt hij stenen als haver!’
Reinaud had eerbiedig naar de wijze woorden van zijn vader geluisterd, maar nu hield hij het niet langer uit.
‘Dat Ros Beiaard wordt het mijne!’ gilde hij opgewonden.
‘Zo weze het!’ gilde heer Aymon terug. ‘Gord dan je zwaarste slagzwaard om, mijn zoon, om het Ros Beiaard mores leren!’
Er viel opnieuw een eerbiedige stilte.
‘Met uw permissie, pa…’ mompelde Reinaud toen, nadenkend in zijn kruin krabbend. ‘Maar waarom?’
‘Ja, dat weet ik ook niet,’ gromde heer Aymon. ‘Omdat het zo goed klonk, zeker? Het zal de macht van de gewoonte wel zijn, vrees ik. Per slot van rekening word ik ook al een dagje ouder…’

Maar goed, waarde lezer(es), Reinaud trok dus naar het verre slot waar het Ros Beiaard op stal stond. Een bont gevolg van ridders en edelvrouwen begeleidde hem. Het waren allemaal trouwe supporters van Reinaud en ze droegen dan ook zonder uitzondering toeters en bellen mee, en spandoeken waarop allerlei hartversterkende leuzen geschilderd waren[8].
Zodra Reinaud was aangekomen bij de bewuste burcht, beukte hij de poort in.[9] Brullend van ‘olééé! olé! olé! olééé!’ stormde hij vervolgens op het Ros Beiaard af, en hij benaderde het gevreesde paard daarbij vanuit z’n dooie hoek, met de bedoeling het ongezien en bij verrassing te overvallen. Jammer genoeg werd hij verraden door zijn eigen strijdkreet, en het ros vloerde hem dan ook met een simpele hoefslag.
Versuft krabbelde Reinaud overeind. Vlug van besef als hij was, realiseerde hij zich meteen dat zijn tactiek niet helemaal de juiste was. Bij zijn tweede poging om het ros te breidelen en te bestijgen, ging hij bijgevolg frontaal op het paard af, uit volle borst zijn gekende strijdkreet schreeuwend. Ook deze poging mislukte jammerlijk.
U en ik, waarde lezer(es), of zelfs de gemiddelde koene ridder uit die duistere middeleeuwen, zou het hierbij gelaten hebben. Maar Reinaud gaf de moed niet op! Hij wist immers heel goed dat de held in dit soort legenden altijd drié pogingen diende te ondernemen, voordat hij slaagde in zijn opzet!
En ja hoor, bij zijn derde poging, na een langdurige en wisselvallige worsteling, lukte het Reinaud eindelijk het Ros Beiaard te breidelen en te bestijgen.
Reinaud joeg zijn scherpe sporen in de jagende flanken van Beiaard en zo stormden paard en ruiter de stal uit. Daarbij werden een paar supporters vertrappeld, maar een kniesoor die daarom treurde. Nee, kleinzerig waren die duistere middeleeuwers bepaald niet.
Reinaud en zijn ros haalden tijdens hun eerste proefritje samen 100 kilometer per uur in 8 seconden, 9 tienden en 77 honderdsten, waardoor de persoonlijke records van zowel ros als ruiter nog een ietsje scherper werden gesteld, en de schare supporters van Reinaud ver achter hen werden gelaten. Toen hun ‘Olé’s’ aan de einder al fel begonnen te verzwakken, legden Reinaud en zijn ros zich in een bocht en knalden vervolgens tegen een boom, die prompt en vervaarlijk krakend doormidden brak. Zwijmelend gaf Beiaard zich nu voorgoed gewonnen aan Reinaud, en zo reed de koene ridder met zijn dapper ros fier terug naar het slot, waar alleen de hofdichter van heer Aymon was achtergebleven.
‘Het wordt zo stilaan tijd voor één of andere historische uitspraak,’ sprak Reinaud tot hem. ‘Schrijf maar iets op. Een paar gevleugelde woorden heb ik wel verdiend, dacht ik zo.’
De hofdichter dichtte vervolgens de volgende onsterfelijke woorden:

Reinaud vond een paard,
Het was zijn ruiter meer dan waard,
Geen schat op aard was Beiaard waard,
Ja Reinaud vond een paard…

Wie onder u nu dacht dat de oude vete tussen heer Aymon en keizer Karel de Grote, waarmee wij deze vertelling hebben aangevangen, ondertussen al lang was vergeten, wel… die moet ik teleurstellen. Hoewel de zus van keizer Karel het bevlekte blazoen van heer Aymon keurig had gewassen en van alle smetten gereinigd, hoewel er een vredesverdrag en een huwelijk aan te pas waren gekomen, loerden zowel keizer Karel als heer Aymon nog steeds op een kans om hun vijand van weleer een stevige poets te bakken. Het ging zelfs zo ver dat het geschil tussen keizer Karel en heer Aymon werd voortgezet door hun nazaten: Reinaud, Ritsaard, Writsaard en Adelaard – ook wel eens ‘de vier Heemskinderen’ genoemd[10] - aan de ene kant en aan de andere kant Lodewijk, de zoon van Karel.
Zo gebeurde het dat Reinaud op een zonnige dag een testritje deed met zijn ros Beiaard aan het hof van de koningszoon. Daarbij trappelden ze de moestuin tot moes en ploegden ze diepe voren door de met veel zorg aangelegde perkjes. Ze legden zich bovendien in een paar bochten en knalden tegen een stuk of wat bomen, die prompt vervaarlijk krakend doormidden braken.
Niks bijzonders, zult u zeggen, maar toch begon dit onschuldig spelletje danig op de zenuwen van prins Lodewijk te werken. Hij schreed dan ook plechtstatig naar voor en sprak met luide stem: ‘Wie zal dat vergoeden!?’
‘Stuur de rekening maar naar mijn papa!’ wedervoer Reinaud rustig.
‘Geen haar op mijn hoofd dat daaraan denkt! Geef Beiaard aan mij, en we spreken er niet meer over! Okee?’
‘U bent niet goed wijs, zeker? Beiaard is van mij en blijft van mij!’
‘Deze brute weigering kan u de kop kosten, heer Reinaud!’
‘Pas maar op dat ik ù geen kopje kleiner maak, prins Lodewijk!’
Enfin, het ene woord bracht het andere mee, en om een lang verhaal kort te maken: Reinaud en Lodewijk trokken hun zwaard en begonnen zo’n beetje te duelleren op leven en dood, zoals dat gebruikelijk was wanneer een ridder was beledigd door een andere ridder, of omgekeerd.
Reinaud sloeg tijdens het duelleren het hoofd van Lodewijk af. Per ongeluk eigenlijk, want hij had de hebberige Lodewijk alleen de schedel willen klieven - niet te diep, gewoon om hem een lesje te leren. Of als het echt niet anders kon, zou hij hem wel een minder belangrijk lichaamsdeel afgehakt hebben. Maar kijk, daar rolde het hoofd al in het stof en gedane zaken nemen nu eenmaal geen keer. Dus legde Reinaud het hoofd zorgzaam bij de rest van Lodewijks ontzielde lichaam op een eenvoudige boerenkar, die hij vergezeld van een boodschap - om uit te leggen[11] hoe het jammerlijk ongeval was kunnen gebeuren - naar het hof van keizer Karel de Grote stuurde.
Karel ontstak in een afschuwelijke woede toen zijn zoon Lodewijk zo thuiskwam zonder hoofd. Op staande voet rustte hij een troep ridders uit om Reinaud en zijn drie broers op hun beurt het hoofd af te slaan. Zo gruwelijk was zijn woede, dat hij er speciaal op drukte geen genoegen te zullen nemen met het afhakken van een minder belangrijk lichaamsdeel van één van de Vier Heemskinderen.
Het werd een bitsige en bloedige strijd, dat kunt u zich wel voorstellen. De ridders van Keizer Karel de Grote mikten voortdurend naar de hoofden van de Vier Heemskinderen, maar die hadden al gauw begrepen welk lichaamsdeel hier op het spel stond, en zij trokken hun hoofden telkens in zodra zij een slagzwaard hun richting zagen uitkomen. Bijgevolg waren het de hoofden van hun paarden die al meteen na het eerste treffen van hun romp werden gescheiden.
Ritsaard, Writsaard en Adelaard zagen zich nu genoodzaakt bij hun broeder Reinaud achter op het Ros Beiaard te wippen.
‘De overmacht is iets te groot, denk ik!’ zei die. ‘Ik heb zonet 11.235 tegenstanders geteld en wij zijn maar met z’n vieren. In die omstandigheden kunnen we maar beter het zekere voor het onzekere kiezen.’
En met machtige schreden koos het Ros Beiaard het Hazenpad[12] - een drukke verkeersader die naar het zonnige zuiden leidde. Het ros draafde door verscheidene landen, over hoge rotsen en galoppeerde verder nog naar het vreemde land van de verschrikkelijke Moren.
Jarenlang streden de vier Heemskinderen daar tegen allerlei goddeloos gespuis en beschermden ze weduwen en wezen. Waar zij verschenen, was de zege aan hen. Toen zij het strijden en beschermen zo stilaan even beu waren als koude pap, sprak Reinaud tot zijn drie broeders: ‘Drie broeders! Dat kan hier zo niet doorgaan! Een andere oplossing is aangewezen!’
‘Wijze woorden!’ knikten die, en er viel een eerbiedige stilte om de draagwijdte van deze boodschap even te laten bezinken. Toen dat was geschied, wendden de Vier Heemskinderen eensgezind de teugel en keerden ze terug naar hun vaderland, naar hun slot in de Ardennen, om er rustig te genieten van de jacht en de visvangst.
Misschien denkt u dat nu het ogenblik is aangebroken om te vertellen dat de Vier Heemskinderen stuk voor stuk een wilde boerendochter vonden en nog lang en gelukkig leefden, daar in hun slot in de Ardennen. Niets is evenwel minder waar! Want het nieuws van de terugkeer van de Vier Heemskinderen kwam de immer wrokkige keizer Karel de Grote ter ore, en hij rustte op staande voet een sterk leger uit om de burcht van de Vier Heemskinderen te belegeren en hen vervolgens het hoofd af te slaan.
Andermaal werd het een bloedige en bitsige strijd, waarbij Reinaud en zijn broers ten slotte moesten zwichten voor de overmacht[13] . Ze stonden net op het punt hun hoofd te verliezen, toen hun moeder – de zuster van de keizer, weet u nog wel – zich aan Karels voeten wierp om genade af te smeken voor haar kroost.
‘Accoord,’ gromde keizer Karel de Grote in zijn baard, ‘op één voorwaarde…Dat zij mij Beiaard geven! En daarmee basta!’
‘Als ik daarmee het hoofd van mijn broeders kan sparen… en ook een beetje dat van mezelf, natuurlijk,’ sprak Reinaud edelmoedig, toen hij over de beslissing van keizer Karel de Grote hoorde, ‘dan weze het maar zo!’
Maar zijn hart brak wel toen hij zijn geliefde Ros Beiaard aan de keizer afstond.
Nog had de wraak van de wrokkige keizer zich hiermee evenwel niet voltrokken… ‘Ik wil het Ros Beiaard persoonlijk en in het gezelschap van ridder Reinaud naar die plek leiden,’ sprak hij, ‘waar de Dender zich donderend in de Schelde stort!’[14]
‘Waarom, heer keizer?’ waagde Reinaud het te vragen.
‘Dààrom, heer Reinaud!’ antwoordde keizer Karel de Grote. ‘En daarmee basta!’
Op de bewuste plek aangekomen, beval keizer Karel de Grote het ros zware stenen en gewichten aan te binden, om het zo voor de ogen van Reinaud tot zinken te brengen. Maar het ros zonk niet, zo lang het Reinaud kon zien… Het kwam steeds weer het water uit gezwommen, naar Reinaud toe. Tot het een laatste keer hartverscheurend hinnikte en – een molensteen om de hals gebonden – voor eeuwig en altijd verzonk in de afgrondelijke diepten van de donkere stroom…

De herinnering aan het fiere Ros Beiaard heeft de eeuwen goed doorstaan. Nog stapt het jaarlijks in een stoet door de straten van Dendermonde, met de Vier Heemskinderen op zijn rug. En die van Dendermonde zingen dan een lied, dat elk hart in deze stad in brand jaagt:

’t Ros Beiaard doet de ronde
In het land van Dendermonde…


Patrick Bernauw
Aalst, 1999




[1] En ook omdat het elektrisch licht nog niet was uitgevonden, natuurlijk.
[2] De wasmachine zou pas enkele eeuwen later uitgevonden worden.
[3] Dit was op de keper beschouwd praktisch onmogelijk voor heer Aymon, aangezien de telefoon pas een slordige tien eeuwen later werd uitgevonden.
[4] Wij kennen deze uitdrukking vandaag de dag nog altijd in licht gewijzigde vorm, wanneer wij met de auto een bocht missen en de wagen door de garagist van dienst ‘een perte totale’ wordt genoemd.
[5] 10 PK, kortom.
[6] Het was een sportief model dat moeiteloos optrok van 0 tot 100 kilometer per uur in 10 seconden.
[7] Het Ros Beiaard bezat inderdaad een vals gebit, sinds het eens opgetrokken was als een ware raket, van 0 tot 100 kilometer per uur in 9 seconden 2 tienden 3 honderdsten, en daarbij uit een bocht was gevlogen en tegen een boom was geknald.
[8] Bijvoorbeeld: ‘Olééé-olé-olé-olééé… we are the champions! We are the champions!’
[9] Want de bel deed het niet.
[10] Niemand wist waarom, maar geef toe: het klonk goed.
[11] De tekst van deze historische brief is bewaard gebleven. Hij luidde aldus: ‘Geachte Heer, Uw zoon Lodewijk heeft zich een beetje verwond bij het spelen. Gelieve contact op te nemen met de agent van uw familiale verzekering. Hoogachtend, Reinaud… u weet wel, van de Vier Heemskinderen.’
[12] Ook bekend als de ‘Route du Soleil’.
[13] 347.987 tegen 4.
[14] Dendermonde dus.

23.12.10

Meise: De Keizerin van Mexico


Hij komt. O ja. Ik weet zeker dat hij komt.
Hij is altijd gekomen, le fils de père et mère dont les noms sont ignorés du déclarant. De eerste zondagavond van de maand, altijd om dit uur. U moet er de Brusselse archieven van de Burgerlijke Stand maar eens op nakijken. Daar bewaren ze zijn geboorte-akte.
Hij komt. Zeker en vast.
Eerst hoor je ’t snuiven van zijn automobiel, dan zijn voetstappen op het grind. Breed, zwaar, mannelijk. Hoort u ze al?
Hij heeft de martiale pas van een militair. Hij ís een militair. Hém zullen ze niet voor het vuurpeloton slepen. Hém niet. Hij zou het niet laten gebeuren. Hoort u hem al?
Nee, ik zie hem nog niet. Ik zie alleen de loodgrijze lucht. Maar hij komt, ik weet het zeker.
O ja.

Mathilde nom de dieu!
Of was het Thérèse? Maria-Hendrika? Was het Eugénie?
Mathilde! Koffie, koekjes en suikerklontjes! Twéé!

Boulevard de Waterloo, numéro 59. In dat huis werd hij gevonden. Maxime, schoon kind. Drieëntwintig januari 1867. Aangegeven op de Burgerlijke Stand door een dokter… een Franse dokter… Le docteur Louis… Louis… Laussedat, précisement… Accoucheur âgé de cinquante sept ans, domicilié rue des Comédiens, numéro 59.
Rué des Comédiens, ohlala! Rue des Comédiens et Rue des Comédiennes de la Comédie d’Eugénie!
Oh la la Comédie Française et les comédiennes, Rue des Comédiens et d’Eugénie!
Oh Napoleon le Troisième, la Comédie Française, Rue des Comédiennes… et d’Eugénie!

Napoleon, you son of a bitch!
Lieve brieven van jouw keizerin Eugénie enerzijds en laffe daden van jou anderzijds! Louis Laussedat, ex-député, was ook al bang voor jou! Was ook al een bangeling door jou! Banneling, pardonnez-moi…
En jou hebben ze aan een voedster gegeven, hé Maxime?
Heeft zij je gevoed zoals ik dat zou hebben gedaan, Maxime? Maar ik kon niet, petit Maxime Maximilien, ik mocht niet. Ik niet.
De komedianten hebben mij van jou afgenomen, mij van jou, jou van mij… En ik kan je alleen maar achter de coulissen voeden en behoeden Maxime Maximilien… Mij van jou, jou van mij… Voeden en behoeden Mexime Maximilien…



En nu het boertje, Maxime. Laat maar komen, petit Maxime. Kom maar boertje! Kom maar!
Bravo, mon petit Maxime! En wat zeg je nu?
‘Pardon maman!’ zeg je nu. Pardon maman!
Dan zal ik een slaapliedje voor je zingen, mijn kind schoon kind… Een wiegeliedje voor Maxime, Maximilien… Luister maar, luister… Maximilien Max-Max Max-Max… Maximilien-Max-Max Max-Max… Oh Maximilien… Oh Mexime!… Oh Maximilien-Mexime!
Mooi zo, baby Maxime… Baby Maxime slaapt al… Slaapt al…
Je begrijpt toch dat ik je moest laten gaan, hé Maxime? Natuurlijk heb je dat begrepen, mooie jongen verstandige jongen! Toen je zes was misschien nog niet, toen je naar Frankrijk moest en ik er niet was om het je uit te leggen – maar later, later heb je het vast wel begrepen. O ja.
Een joodse voogd die je een christelijke opvoeding zou geven. Cohen. David Cohen was zijn naam. Ja, ik ken hem nog wel. Ik ken zijn naam. Verwondert je dat?
Groothandelaar uit Marseille. Gewezen reder en bankier. Ik weet het wel, Maxime. Ik… wéét… àlles.
Monsieur Cohen hertrouwde met Thérèse Denimal en zij gaf jou een tweede naam: de Nimal. Maxime de Nimal. Zie je dat ik het weet? Dat ik àlles weet?
Maxime de Nimal op de lagere school in Cannes… Hier sta jij, Maxime. Zie je?
Mais oui, le beau garçon met het ronde snoetje, dat ben jij! Het mooie jongetje dat zo triest in de lens kijkt, dat ben jij!
‘Wat hoor ik!?’ riep de leraar aan het lyceum Louis Le Grand uit. ‘Uw enige ambitie is een stukje officier van niks te worden!?’
‘Liever een klein stukje officier van niks dan een groot stuk leraar van niks!’ antwoordde je bedaard.
Dat heb je goed gezegd, Maxime. Oh la la, dat heb je goéd gezegd!
En natuurlijk, natùùrlijk ben ik daarvan op de hoogte! Natuurlijk mijn kind schoon kind! Het verbaasde je, hé? Dat ik het wist? Dat ik dit überhaupt wíst?
Je was een vreemdeling… Overal een vreemdeling… Altijd een vreemdeling… Net zoals ik… En toch werd je ingeschreven in de militaire scholen van Saint-Cyr en Saumur… Met je mannelijk, met je hoekig gezicht… Met je donker gezicht en je geprononceerde jukbeenderen leek je zo goed op… op mij. En met je verzorgde snor leek je zo goed op… op hém. Maxime Maximilien…
Je hebt de harde trekken van de herinnering… aan een sombere jeugd… Al was er niets om je te herinneren… niets sombers… De jaren hebben ze niet verzacht, zullen ze ook niet verzachten. Dat kunnen ze niet. De herinnering zit immers… in je bloed. In je vlees en bloed.



Je moet nu gauw komen, Maxime. Het is tijd. De storm van vannacht heeft een stuk of wat bomen omgewaaid – Donnerwetter! – maar de oprijlaan is vrij gebleven. Maxime komt nooit te laat. Hij komt altijd op tijd. Waar blijf je, Maxime? Het dienstmeisje – Mathilde? Of is die al dood? – heeft de koffie en de koekjes en de suikerklontjes al aan de deur gezet, ik heb het wel gehoord. Als jij komt, mag het personeel van de keizerin van Mexico haar vooral niet storen. Iedereen moet downstairs blijven en wie zich na vijf uur nog upstairs laat zien, gaat de laan uit, zo simpel is dat. Het is een geheim dat ik iedere eerste zondagavond van de maand jouw bezoek ontvang, een staatsgeheim.
Je droomde van een loopbaan in het leger, ik weet het wel. Maar daarvoor was de Franse nationaliteit vereist, n’est-ce pas? De heren die alles beter weten hebben zich vaak afgevraagd waarom een bediende van Cohen je officieel als zijn zoon erkende, waarom François Weygand je op zijn beurt adopteerde. Dààrom natuurlijk. Omdat ik het wilde. Omdat Maxime Weygand droomde van een loopbaan in het leger en Fransman moest worden.
Ik heb de weg voor jou open gelegd, Maxime. Geen omgewaaide bomen op de baan. Zo is je carrière bij de cavalerie voor een klein stukje ook mijn werk geworden. En dat weet je best, dankbare jongen, brave Maxime.
Of wilt u ontkennen dat Maxime Weygand het in ’14 al tot luitenant-kolonel had geschopt en in ’18 tot hoofd van de generale staf du maréchal Foch bij het Negende Leger aan de Ijzer en de Somme? Tot rechterarm et fils spirituelle du maréchal Foch, le fils de père et mère dont les noms sont ignorés du déclarant? Tot bestendig afgevaardigde van Frankrijk bij de Hoge Raad van Versailles en majoor-generaal der geallieerde legers? Het was Maxime Weygand, mesdames et messieurs, die in de spoorwegen… pardon wagen… van Compiègne de Duitsers zijn voorwaarden dicteerde voor de Wapenstilstand! En tijdens het grootse overwinningsdéfilé in Brussel zag ik hem staan! Zag ik hem stààn aan de zijde van de maréchal en de Franse president Poincaré! Zag ik hem stààn, Maxime Weygand, Maxime Meximilien, mijn kind schoon kind! Zag ik hem stààn en hij…
… zag hij míj staan?
Straks. Zo dadelijk kom je. Waarom zou je vandaag niet komen en al die andere dagen wel? Je bezocht toch ook Gent, Mechelen, Antwerpen in het gezelschap van le roi Albert en wie meer over de beroemde generaal wilde vernemen, kreeg alleen zijn geboorteplaats- en datum te horen want straks, zo dadelijk bezoekt hij mij, fils de père et mère dont les noms sont ignorés du déclarant. Straks komt hij zoals hij al jaren komt en gaat wanneer de avond valt en ik op hem wacht zoals ik altijd wacht, iedere dag. De zon komt op en ik wacht tot ze weer ondergaat, ik wacht op hém en hij keert terug, keert terug bij mij, keert terug nu de zon ondergaat. En het geheim van zijn afstamming en de mysterieuze machten die vele hindernissen voor hem opruimden en de poorten van Saumur voor hem openden, zal hij... zal ik meenemen in het graf.
U moet weten dat de Maxicanen prompt hun onafhankelijkheid uitriepen toen Napoleon – le premier, veronderstel ik – Spanje binnenviel. Lees het maar na in de geschiedenisboekjes: er brak een uiterst woelige tijd aan. Een president greep de macht, maar vele Mexicanen droomden van een monarchie. Ah, de monarchie!
Vanaf 1842 peilden de Franse, Engelse en Oostenrijkse koningshuizen naar een geschikte kandidaat. Ten slotte vonden Frankrijk, Engeland en Spanje dat de anarchie in Mexico hen schade toebracht en besloten ze een gezamenlijke actie te ondernemen. Maar alleen Frankrijk ging tot het uiterste. Seulement la France et la Comédie Française! In Mexico-Stad stelde een Franse generaal een junta van notabelen samen, die op aanraden van Napoleon III de kroon van Maxico aanbood aan Meximilien d’Autriche. Hij had wat goed te maken ten opzichte van de Oostenrijkers en de aarshertog was een valabele keizer en ik een valabele keizerin, n’est-ce pas Mexime Maximilien? Prinses Charlotte, dochter van le roi Leopold I de la Belgique, fleur de son coeur, voor wie hij een essentieel goede echtgenoot wilde kiezen, maar die zich ten slotte door haar eigen opinie mocht laten leiden en viel voor de nonchalante, voor de noodlottige charme van Maximiliaan die zij in de lente van 1856 ontmoette – of was het de herfst? Het jaar daarop traden we in het huwelijk… et voilà Miramar! Mijn paleis van witte kalksteen in een baai van het Italiaanse Triëste, met een granieten terras en marmeren trappen, met vazen van porfier en zwijgende sfinxen, verscholen tussen sparren en cypressen, magnolia’s en olijfbomen. Fonteinen ruisten zachtjes tussen de bloemen en vanuit de bibliotheek liet mijn innig geliefde de blik rusten op de diepblauwe zee, op de witte dorpen die langs de rotsen omhoog klommen, op het oude kasteel van Dino, terwijl ik in het boudoir piano speelde of schilderde of honderden brieven schreef in alle Europese talen.
Een sprookje.
Maar wij leefden niet lang en gelukkig, Maximiliaan en ik.
Toen er een eerste keer sprake was van Mexico, kon de idyllische charme van Miramar ons niet langer voldoen… Wij waren niet langer voldaan en wij hadden het zo nodig: een roekeloze, een ambitieuze opdracht, een bliksemafleider voor de eenzame nachten… Want Max moet u weten, le Grand Mex op wie ik als meisje van zestien stormachtig verliefd ben geworden… Grand Max met je edele trekken, blonde haren en eerlijke ogen… Grand Mex met je beroemde in het midden gescheiden baard van aarshertog, je vlotte en onberispelijke manieren… Dié Grand Max, míjn Grand Mex… Hij lijdt aan een ziekte, een ziekte van het geslacht Max… Die je onmogelijk bij mij kunt opgedaan hebben en die van jou een petit Mex heeft gemaakt, n’est-ce-pas? De l’impotence et de la stérilité, mesdames et messieurs! Et qu’il est petit! Qu’il est devenu petit mon Grand Mex! Qu’il est petit!
De eeuwige tweede, dat ben je Max… Altijd te laat!
Te laat om mij te voeden en te behoeden! Je bent er niet langer toe in staat!
En als je dan toch een poging doet, dan gruw ik… gruw ik van je gelig vel waarop ik het zure zweet van de slet nog kan ruiken die jij voedde en behoedde terwijl ik… mijzelf… in de lege ledikanten van Miramar…
Laat mij nu Max! Laat mij! Van het Oostenrijkse imperium krijg je geen kruimel en laat… àf! Het is niet alleen de exotische bestemming die je bekoort, n’est-ce pas? Lààt!… mij!… Màx!… Het is ook de keizerskroon, n’est-ce pas? Die je de gelijke zal maken van je broer, n’est-ce pas Max Meximilien!?
Wenen reageert koel op het Franse aanbod. Wenen reageert koel en mijn vader is voorzichtig. ‘Een Aztekenkroon, papa!’ roep ik uit. ‘Een Aztekentroon zal toch ook uw naam meer luister bijzetten en hebt u niet uw leven lang geijverd voor koloniale afzetgebieden?’ Hij geeft toe, papa… Het is nu oktober ’64… Een Belgisch vrijwilligersleger… zeshonderd man… vertrekt naar Maxico… Met luitenant-kolonel Vandersmissen aan het hoofd, ja… Ah Vandersmissen! Voed mij en behoed mij!
Nepoleon III en keizerin Eugénie nodigen petit Mex et la belle Charlotte uit in Parijs… We worden met alle mogelijke comédie française ontvangen… Ach so? Sind sie bereid 25.000 soldaten plus het Vreemdelingenlegioen achter te laten in Maxico? Onder het bevel van maarschalk Bazaine? Ach so? De Maxicaanse staat – mon petit Mex dus – dient voor uw militaire steun te betàlen?
Zo gaat dat, Mex Maximilien… Zo gaat dat…
In werkelijkheid was de hele onderneming een vrouwenzaak die ter harte werd genomen door mannelijke fantasten… Keizerin Eugénie werd gedreven door godsdienstige sentimenten en ik door het verlangen naar een man… naar een man die ik beminde… hem te laten regeren…
Et Nepoleon? Et Meximilien? Hen dreef la Comédie Française, mesdames et messieurs! Het avontuur! Het ridderlijk ideaal van vervlogen kruistochten!… En politieke belangen natuurlijk.
Twaalf juni ’64… De keizer en de keizerin van Maxico arriveren in hun gloednieuwe keizerrijk. Vive el rey Belgica! Wij nemen onze taak bijzonder ernstig, maar petit Max is niet opgewassen tegen de chaos. Wat zegt u? Vandersmissen in een republikeinse hinderlaag gevallen? Ernstige verliezen, zegt u? Je hebt gelijk Mex… Het gevaar komt vooral van die Indiaanse generaal… Hoe was zijn naam ook weer? Juarez, juist. Le maréchal Bazaine is te zwak om hem het hoofd te bieden. Je hebt gelijk Emperador Max die mij weer bemint in dit uur van strijd, die ik weer liefheb in dit uur van lijden en dood… al kom je nog niet bij mij, al kun je nog niet komen maar als nader je al Mex, je benadert mij al Max, komt tot mij… nog niet ín mij als toen in Miramar op het granieten terras bij de porfieren vazen… op de marmeren trappen tussen de cypressen en magnolia’s… in je bibliotheek met uitzicht op de diepblauwe baai, links de witte dorpen die langs de rotsen omhoog klimmen, rechts het oude kasteel van Dino… Ich liebe dich Max, ik speel piano op je ribben, schilder mijn lichaam in de kleuren van Miramar Max mon grand Mex vive el rey Max Meximilien!
Vertrekken naar Europa? Steun zoeken voor mijn wankel keizerrijk? De paus overreden ons te helpen? Nepoleon smeken zijn onwaardig gedrag van komediant te staken? De Verenigde Staten bewegen zich niet langer met de zaak te bemoeien en nieuwe vrijwilligers vragen aan de Belgen en de Oostenrijkers? Goed. Prima. Geen probleem, Mex. Maar als ik in Parijs aankom, staat er mij niemand op te wachten… Scheisse! Keizerin Eugénie kan mij ontvangen om met haar te praten over de prachtige Maxicaanse panorama’s, maar de keizer niet… Over onze paleizen en feesten, maar de keizer niet… Over mijn prachtige nieuwe satijnen japon, vers gekocht in Parijs, maar de keizer niet... Als ik eindelijk oog in oog sta met de keizer is hij de moedeloosheid in persoon: ziek, uitgeput, verslagen. Behendig schuilt hij achter de brede ruggen van zijn ministers en de sentimenten van zijn onderdanen bij wie l’affaire Maxicaine allerminst populair is vanwege het vergoten Franse bloed, het verloren Franse geld… ah cette Comédie Française! Toujours la Comédie Française!
En doe maar fils de pute! Stort maar bittere tranen om je eigen zwakheid en mijn meelijwekkende verschijning, mijn jeugd en schoonheid verdronken in zorgen en verdriet, wanhopig vechtend voor mijn leven en dat van Maximiliaan, voor míjn eer en zíjn kroon, maar hélpen? Nee, helpen doe je niet. Integendeel.
Hij laat een lakei komen met een glas sinaasappelsap want ik drink ’s middags altijd een glas sinaasappelsap maar nu… Probeer mij niet te voeden met vergif! Ik heb de uitdrukking op je gezicht wel gezien Nepoleon! Je afstotelijke grimas! De duivel leeft in jou Nepoleon! Jij bént al in de hel! Ik vervloek jou Nepoleon! Hoor je? Mama Carlota van Maxico vervloekt jou!
Ik vlucht van het Comomeer naar Verona, Padua en Triëste… nog steeds achtervolgd door kwade boodschappen, nog steun zoekend, hulp vragend… en brakend mijn God mon petit Maxime!
Rome… In de Albergo di Roma heeft men voor de keizerin van Maxico en haar gevolg een kamer in gereedheid gebracht want morgen wordt zij in audiëntie ontvangen door paus Pius… die op al haar vragen ‘neen!’ antwoordt. Ten slotte schopt zij de deur van zijn privé-vertrekken open, waar hij zich verschanst heeft voor de Maxicaanse furie, maakt zich meester van de chocolademelk die hij tot zich zou nemen, doopt haar vingers in het glas en likt ze gretig af, want ik sterf van honger en dorst Heilige Vader, want er is niemand om mij te voeden en te behoeden Heilige Vader; ik kan alleen nog drinken van het water uit de fonteinen van Rome, alleen nog eten van het voedsel dat voor u wordt bereid Heilige Vader laat mij in uw Vaticaan overnachten gooi mijn voltallig gevolg in uw kerkers want de Comédie Française plus l’Emmerdeur de la France heeft hen betaald om mij te vergiftigen!
Men sluit mij op in een hotelkamer met mijn kamermeisje – Mathilde? Ja, Mathilde! – en een koppel kippen en een mand eieren die alleen Mathilde – Ja Mathilde! – voor mij mag bakken op een draagbaar fornuisje. Ik weiger brood en vruchten en slaap nietmeer maar loop slaapdronken heen en weer tot de Belgische erfprins verschijnt, Filips, en de graaf de Bombelles. Zij nemen mij mee en sluiten mij op in het Gartenhaus van Miramar, maar ik moet steun zoeken heren! Steun zoeken in de salons van Brussel en Wenen!
En al wat ik dacht naar de hand te kunnen zetten… het is als zand door mijn vingers geglipt… en ik ben pas zesentwintig, mijn schoonheid verwelkt, vel over been, ramen en deuren van het Gartenhaus vergrendeld, bewaakt door hofdames en dokters, Oostenrijkers en Maxicanen, schamele restanten van mijn keizerlijk gevolg en ziek! De keizerin van Maxico is ziek! Doodziek in het Gartenhaus van Miramar! Hare Majesteit lijdt! Lijdt beslist aan waanzin, hare majesteit! Dwanggedachten! Vervolging! Geestesziek! Ernstiger dan we aanvankelijk konden vermoeden!
Maar Charlotte is niet gek… De keizerin van Maxico is zwanger… Zwanger van verlangen naar le Grand Max die niet meer is, nooit geweest is, nooit zal zijn – waarom droeg zij anders een zwarte mantilla in het snikhete Parijs? Waarom moest zij tijdens de overtocht naar de Oude Wereld voortdurend braken? Waarom werd zij in de privé-vertrekken van paus Pius opeens bevangen door een welhaast blasfemische begeerte naar chocolademelk? Zwanger was zij! Zwanger van verlangen, zwanger van verlangen naar een kind en zwanger van een kind mijn kind schoon kind! Maar als dit kind aan het licht komt, vrucht van mijn spel, mijn overspel, als mijn verraad aan het licht komt, mijn snode daad, het resultaat van mijn verlangen, als mijn schoon kind aan het licht komt en als men hoort dat petit Mex eindelijk vader geworden is, vader van een zoon, petit Mex die mij niet langer kan voeden en behoeden uit zijn zaad ontkiemen geen vruchten meer, als men verneemt dat ik een zoon heb gebaard en men weet niet dat hij nog niet tot mij kan komen, dat ik een bestaard heb gebaard, een hoerenjong voor een hoerenloper dat rechten bezit, rechten op de troon van Oostenrijk, le fils de Maximilien, als men hoort dat de keizerin van Maxico een troonpretendent van Oostenrijk draagt dan zal het beter zijn haar kind haar schone zoon spoorloos te laten verdwijnen…
Petit Mexime, als jij aan het licht komt, petit Maxime, zullen ze jou wegnemen van mij, jou van mij, mij van jou, en zal ik je niet langer kunnen voeden en behoeden, mij van jou, jou van mij, want ver weg zul je zijn, ver weg, en men zal namen noemen, vele namen, ver weg, van Maxicaanse officieren, ver weg, Franse officieren, ver weg, Belgische officieren, ver weg, en alleen nog jouw naam petit Maxime, alleen nog jouw voornaam zal mij aan jou herinneren, jou aan mij petit Maxime die men l’affaire Maxicaine zal noemen, waarvan men ooit zal opmerken dat zij niet over de hele lijn een mislukking was omdat ze la Comédie Française tenminste één briljant officier heeft opgeleverd, mijn verloren zoon die ik heb opgespoord en teruggevonden, gevoed en behoed want ik ben niet zot Maxime, ik ben zwanger en ik was ziek, ziek van verdriet, uitgeput door het vele reizen, het vele vruchteloze smeken om hulp, het zoeken naar steun, voed mij en behoed mij, maar niemand die mij voedt en behoedt, niemand…
Er zijn alleen stemmen van dokters – ‘… alle maatregelen om de doorluchtige zieke te behandelen…’ – witte jassen die komen en gaan – ‘… om Sa Majesté te behandelen met alle zorgen die de toestand van Sa Majesté vereisen, c’est pourquoi Sa Majesté zich nu in het Gartenhaus bevindt…’ – bewaakt en afgezonderd en omringd door schimmen die zeggen dat de vooruitzichten droevig zijn – ‘… dat de agitatie toeneemt!…’ – en graaf de Bombelles, bent u dat? Bent u zo vriendelijk, graaf van het Gartenhaus? Privé raadgever van petit Max die op me past? Die me voedt? Die me behoedt? Die me verzorgt en zorgzaam beschermt zoals nog nooit iemand, zoals niemand ooit, en zo is het goed mon cher zo is het goed en mag ik u vragen, mon très cher, mag ik u smeken mon trésor, fleur de mon coeur, mag ik u verzoeken essentieel goede comte de Bombelles… où est mon trésor? Où est mon beau garçon? Où est le fleur de mon coeur? Zeg mij waar is mijn kind schoon kind graaf van het Gartenhaus en dag mag u! Mag u op de marmeren trappen! Dan kunt u! Kunt u tussen de cypressen en de olijfbomen! Dan zult u! Zult u op het boudoir onvermoeibaar! Waar ik piano schilderde! Spelen! Op mijn lichaam! In alle Europese talen! Ich liebe dich! I love you! Ik heb u lief! Je t’aime! Ti amo! Te chièro!




Eind ’67… na tussenkomst Belgische koningin en Oostenrijkse keizer Frans Jozef… hebben mij met geweld… uit Miramar verwijderd… Ik keer terug naar Belgiê… Laken… Daarna: kasteel van Boechout, Meise. ‘Je hebt nooit een kind gebaard,’ zeggen ze. Bertrouwbare, gewetensvolle geschiedkundigen bevestigen het. ‘Je hebt nooit een kind gebaard.’ Maar ik vraag u met aandrang… wie zijn dan de ouders van de zogenaamde vondeling die zo’n verzorgde opvoeding kreeg en die, zodra hij meerderjarig werd, over buitengewoon veel geld beschikte? Wie is de moeder van de man die zo royaal leefde dat hij er een renstal kon op nahouden? Ik zeg u: de man die u kent als Maxime Weygand, hij werd geboren terwijl ik gevangen zat in het Gartenhaus van Miramar! De keizerin van Maxico verzond geen brieven meer in alle Europese talen tot dat berichtje verscheen waarin gemeld werd dat de geneesheren die de keizerin van Maxico behandelden haar volmaakte genezing hadden vastgesteld… en waarvan was ik genezen? Van wie was ik genezen? Van jou, mijn zoon! Van jou!
Nee, niet Bombelles… Om het even welke vader voldeed. Bombelles was uitsluitend schakel tussen jou en mij, mij en jou en mij kreeg hij als beloning om jou te voeden en te behoeden, om mij niet voorgoed van jou, jou niet voorgoed van mij te scheiden…
Kolonel Vandersmissen… Je hebt de trekken van de kolonel, mon petit Maxime… En was het niet de broer van le maréchal Bazaine die le docteur Laussedat de papieren verschafte waarmee hij naar België kon vluchten? Was het niet le docteur Laussedat die baby Mexime aangaf bij de Brusselse Burgerlijke Stand, fils de père et mère dont les noms sont ignorés du déclarant?
Pas een half jaar later achtte men mij sterk genoeg om me het nieuws te melden. Maximiliaan werd gevangen genomen door de troepen van Escobedo en op 19 juni 1867 gefusilleerd in Queretaro, op bevel van generaal Juarez. De man van wie ik verwachtt dat hij ooit heer en meester zou zijn in een Nieuwe Wereld, gefusilleerd door een stinkende Indiaan… Zeldzaam moedig en ridderlijk stond hij voor het vuurpeloton en keek zijn moordenaars vastberaden in de ogen… Ik had altijd trots op mon petit Max willen zijn… Hij stierf als le Grand Mex van wie ik heel die tijd had gedroomd… Is het mogelijk een christelijker einde te aanschouwen? Een einde dat, permettez-moi, veel gelijkenis vertoont het met offer van Golgotha?
Je moest nu maar eens komen, Max. Kom nu maar naar Boechout in Brabant, waar ze de keizerin van Maxico achter slot en grendel houden opdat de ouwe taart haar mond niet voorbij zou praten. Ik verwacht je met spanning, Maxime. Ik verwacht je… Nù!
Ze hebben alle sporen uitgewist – administratie, magistratuur, diplomatie, politie en het kabinet van de koning gemobiliseerd om te verbergen wie je bent… maar ze kunnen nooit verbergen wàt je bent, Maxime: eerlijk en goedhartig, discreet en bescheiden, mijn kind schoon kind… En zo, op een onmogelijke manier, bleef je mij herinneren aan le Grand Mex die instemde met de hervormingen van Juarez, de slavernij afschafte, het inzetten van soldaten door grootgrondbezitters en de Kerk tegen vluchtende pachtboeren verbood… en toch werd terechtgesteld, mijn keizer schone keizer… Niet alleen door Escobedo, maar ook door àlle Verenigde Staten… door de laffe Belgen, de zwakke Oostenrijkers… en niet in het minst door la Comédie Française de l’Empereur Satanique et Sa Sainteté de l’Albergo di Roma die mij het geloof in de Goede God hebben ontnomen! De dood van Grand Max op de heuvels van Queretaro is het beste bewijs dat het Kwaad de aarde regeert!
Eindelijk!
Daar heb je ’m! De zwarte automobiel! Hoor hem snuiven als de paarden van Queretaro! Of waren het muilezels? Hoort u ‘m al? Zijn martiale pas op het grind? Het kraken van de trap onder zijn zwaar bespijkerde laarzen? God en ik ben vergeten de mantilla aan te trekken waarmee ik destijds uit Maxico ben gevlucht, ik ben vergeten mijn witte hoed op te zetten en mijn neus te poederen – waar ben ik in ’s hemelsnaam met mijn gedachten geweest de afgelopen vijftig jaren?
Nu zien jullie wel dat het geen fantaisie is, hé? Geen fantaisie du roi Leopold II! Mijn zoon mag dan wel een jaarrente van het Belgische hof genieten en 300.000 goudfranken als huwelijkscadeau gekregen hebben en mijn broer mocht dan wel berucht zijn vanwege zijn amoureuze affaires, de vader van le Grand Maxime is hij niét! Om de doodeenvoudige reden dat ik – Mama Carlotta van Maxico! – zijn moeder ben!
Nooit zul je met zekerheid weten wie je vader was, jongen… Om de doodeenvoudige reden dat je moeder niet weet wie haar minnaar was, die nacht in Miramar… of was het Mexico? Voor petit Max was het water nog veel te diep en de kolonel, ah le colonel… Zwart en twee klontjes suiker, n’est-ce pas? Ja ik weet het, mon fils, je hebt gelijk… al de draden… al de draden die misschien tot een oplossing konden leiden van het geheim… van ons geheim… zijn op een meesterlijke wijze tot een kluwen verstrengeld mon beau garçon… Nee, ik weet niet door wie, par la Comédie Française peut-être? Soms kan ik het zelf niet geloven… dat ik de vurige dochter was van Leopold I, die God dankte voor zoveel weldaden… dat ik huwde met le Grand Max en dat er een oorlog om mij werd gevoerd als om la belle Hélène… dat er een boulevard naar mij werd genoemd, Boulevard de l’Impératrice Charlotte… Keizerin van Maxico… Iedere eerste zondagavond van de maand één kop koffie, één. Drink maar Maxime, toe drink maar… Twee klontjes suiker, twéé. En blazen hé. Blazen. Mathilde maakt ‘m bloedheet.
Het sneeuwt. Dikke witte vlokken. Ze dalen neer op het zwart van je automobiel en maken hem tot een witte molshoop in een wit landschap. Jaja, ga nu maar. Het is tijd. Je adem zal witte wolkjes vormen in de zwarte nachtlucht. Mooie witte wolkjes in het zwart van de nacht, Maxime.
Dag Maxime. Dag mijn lieve Mexime. Dag Maxime le Grand.
Hij drinkt zijn koffie zwart, mét suiker. En heet. Bloedheet. Maar nu is de koffie koud geworden en is dat niet vreemd? Zeer vreemd? Hij heeft er toch van gedronken? En wat doet dit uniform hier? Het hoort dààr… aan de kapstok! Mathilde nom de dieu!… Moet ik je dan wéér een standje geven!? Waarom heb je me niet verwittigd dat er koffie was gezet en waarom heb je dat uniform over die stoel gehangen?
Ze zal al slapen, zeker? Och, het heeft geen betekenis… Uniform of geen uniform, heet of koud, wat maakt het uit? Betekenisloze dingen… betekenen niets.
Och, het is alles zonder betekenis…



(Gebaseerd op La Comédie Française, het hoorspel van Patrick Bernauw dat in 1994 bekroond werd met de Provinciale Paul de Montprijs voor Toneel en in 1995 gerealiseerd werd door de BRTN, in een regie van Frank Van Laecke, en met Chris Lomme als de keizerin van Mexico.)




16.12.10

Ligneuville: Monsieur et Madame Hawarden


Harry Kümel verfilmde de roman van Filip de Pillecijn


Vlak bij Malmédy, op het kleine kerkhof van Ligneuville, zult u het graf vinden van ‘mejuffrouw Meriora Gillibrand, overleden op 1 maart 1863 in de leeftijd van 58 jaar’. Nochtans had men op 2 maart van dat jaar op het gemeentehuis niet het overlijden van een dame aangegeven, maar van ene Arthur Hawarden, 52 jaar oud en van onbekende origine. Een paar weken later verkreeg een familielid dat de vermelding van de heer Hawarden werd geschrapt en vervangen door die van mejuffrouw Meriora Gillibrand, al wist die persoon blijkbaar ook niet hoe oud Meriora precies was.
Voor haar familie was Meriora een excentrieke dame die havana’s rookte, graag in mannenkleden gekleed ging en altijd uit was op een vechtpartij. Meriora had een echtgenoot en talloze minnaars die tot de dood toe vochten voor haar gunsten. Vaak regelde ze haar hartsaangelegenheden zelf, op een soms nogal bloedige wijze. Eén van haar aanbidders – een ongewenste – zou ze met een dolk gestoken hebben, en terwijl hij zijn laatste adem uitblies, joeg hij haar nog een kogel door de borst. Vandaar dat Meriora nogal eens bloed spuwde, al kon dat ook het gevolg van tering zijn.
In 1848 stond ze tijdens het oproer in Parijs op de barricaden, als ‘monsieur Hawarden’ – omdat Meriora Gillibrand werd gezocht door de politie. Toen ze werd gearresteerd, had ze haar redding dan weer te danken aan het medisch onderzoek dat haar als vrouw identificeerde. Nu op de vlucht voor de Franse autoriteiten, dook ze onder in het hartje van de Ardennen, in Ligneuville – nog steeds als monsieur Hawarden. Daar kon men deze mysterieuze meneer bij nacht en ontij wel eens over de venen zien draven, om dan halt te houden van één of ander vervallen kasteel. Een jongen van twaalf vergezeld monsieur Hawarden en schreef hun vertrouwelijke gesprekken neer in een boekje.
Hawarden ging door voor een rijk man, hoewel niemand ooit navraag deed naar de inhoud van zijn beurs, aangezien hij altijd twee pistolen in zijn gordel droeg en geen jager was, maar wel een echte scherpschutter. Monsieur Hawarden stierf echter alleen en in ellendige omstandigheden. De dokter die de dood vaststelde, toonde blijkbaar geen enkele belangstelling voor de arme overledene, die zelfs niet eens werd afgelegd…

In Monsieur Hawarden (Stavelot, 1931) hangt Henri Pierre Faffin nog een ander beeld op van Mériora Gillibrand/Arthur Howarden. Zijn verhaal is gebaseerd op notities van Jean Marbourg die hij dankzij diens zoon heeft kunnen bemachtigen. Volgens dit verslag zou juffrouw Gillibrand de moordenaar van haar aanstaande echtgenoot hebben gedood en vervolgens op de vlucht zijn geslagen. In Pont en Ligneuville heeft ze heel veel liefdadigheid verricht. Ze is er dan ook nu nog steeds geliefd.


Mysteries alom, dus...

12.12.10

Boeken Cois Geysen: Krachtplaatsen en Leylijnen in Vlaanderen / De Oude Wijsheid
























KRACHTPLAATSEN EN LEYLIJNEN IN VLAANDEREN  
auteur Cois Geysen      220 pag.
Uitgeverij Aspekt  ISBN 9059118111       24,95 euro                          
Heilige plaatsen of krachtplaatsen, bewust of onbewust wordt men er toe aangetrokken en al eeuwen werken ze harmoniserend en transformerend. In het verleden werden ze gemerkt door oude heilige stenen, bronnen en bomen, later vooral door kerken en kapellen. Trefzeker geplaatst, als uiting van volkse devotie, als bakens van hoop en angst.

Ze zijn aanwezig als acupunctuurpunten in het landschap en de aarde laat er zich duidelijk gevoelen. Onze voorouders maakten er dan ook duizenden jaren gebruik van voor hun rituelen, inwijdingen en vieringen.

In De oude wijsheid: esoterisch erfgoed in Belgie en Nederland, verschenen begin 2008, werd het verschijnsel krachtplaatsen en leylijnen uitvoerig beschreven en verklaard. In het boek werd eveneens een aantal in Nederland en Belgie gelegen locaties beschreven. In dit werk gaan we verder op reis in Vlaanderen. We zoeken de waarheid achter de legenden die rond sommige plekken bestaan en de betekenis van de symbolen die we er vinden.

Reis mee en kom tot de conclusie dat de werkelijkheid soms fantastischer kan zijn dan de wildste verbeelding.

DE OUDE WIJSHEID
auteur Cois Geysen      246 pag.
Uitgeverij Aspekt  ISBN 9059115317       19,95 euro                         
Te bestellen via e-mail


Hoewel wetenschap en techniek onze nuchter denkende samenleving beheersen, is er in Nederland en België de laatste decennia een alsmaar groeiende belangstelling voor de oude natuurreligies. Het herontdekken van oude tradities als seizoenfeesten tot magische rituelen rond planten of stenen gaan steeds meer mensen boeien. Zon en maan worden terug aanzien als de Goddelijke lichtbrengers en de aarde als de moedergodin. Bronnen en heilige stenen worden terug vereerd, waarbij vooral de plaats waar ze zich bevinden belangrijk is.
Verschillende plaatsen in het landschap maken het bijzonderste deel van uit van deze heropleving. Archeologische restanten en de verborgen symboliek in oude bouwwerken tonen nog steeds de verborgen tekenen van de relatie tussen mens en aarde die in een ver verleden ontwikkeld werd.
Dit boek laat je kennis maken met de oude wijsheid van onze verre voorouders. Het neemt je via geschiedenis, legenden, folklore, esoterie en wetenschap mee op een ontdekkingstocht door Nederland, Vlaanderen en Wallonië. Ga mee op tocht naar oude mystieke plaatsen waar we kennis maken met de aardse energievelden en de vreemde heidense en vroegchristelijke praktijken die er plaatsvonden.

BOEK BESTELLEN
Na ontvangst van de overschrijving op rekeningnummer 735-0216860-53 wordt het bestelde boek u onmiddellijk toegestuurd. Voor Nederland; IBAN: BE53 7350 2168 6053 - BIC: KREDBEBB.
Graag uw bestelling en adresgegevens eveneens via e-mail.
Meer info:
Nederlandse Boekenlijst Cois Geysen / Open Mind

6.12.10

Mysterieus België Quiz 3


In welke stad speelt dit verhaal zich af?



Er zit een plein verborgen in het verhaal. Welk plein?



Het verhaal is niet af… Verzin hier zelf een pakkend slot:

















1.12.10

Nismes: Het Huis van de Baljuw


Spiritisten geloven in een hiërarchie van geesten en in de onsterfelijkheid van de ziel, die na het afsterven van het materiële lichaam in een immateriële, 'astrale' dimensie van de ons bekende werkelijkheid zou vertoeven. Het spiritisme baseert zijn reden van bestaan op het vermogen tot communicatie en het tweerichtingsverkeer tussen de wereld der geesten en de wereld waarin u en ik leven.
In feite gaat het om een zeer oud geloof, dat in de achttiende eeuw nieuw leven kreeg ingeblazen en tijdens de negentiende eeuw een ware explosie kende. Nadat de twee Amerikaanse zussen Fox naar aanleiding van primitieve klopsignalen tussen henzelf en een kennelijk onstoffelijk wezen - de zogenaamde Mister Spitfoot - in New York de moderne Spiritistische Beweging oprichtten, werd de doctrine over de gehele wereld verspreid en groeide het spiritisme zelfs uit tot een regelrechte religie.
De experimenten van de zusjes, die waren gestart in 1848, zorgden voor de nodige verwarring in de publieke opinie. Ze werden meerdere malen van bedrog beschuldigd, maar slaagden er ondertussen toch in het wetenschappelijke, positivistische tij van de negentiende eeuw te doen keren in de richting van een sensitieve en irrationele metafysica. Paradoxaal genoeg, telde de beweging ook heel wat aanhangers onder de intellectuelen van die dagen: dokters en schrijvers, astronomen, fysici en filosofen wierpen zich op als de theoretici en de meest verwoede experimentators van de nieuwe leer.
Al gauw was er in de Verenigde Staten en Europa geen stad meer te vinden zonder een club die zich wijdde aan het organiseren van seances waarin op allerlei manieren geprobeerd werd in contact te treden met de astrale wereld. De belangstelling voor àlle soorten paranormale fenomenen steeg in die periode trouwens zienderogen. Studenten van Cambridge en Oxford stichtten verenigingen die zich tot doel stelden de studie van deze problematiek aan te wakkeren.
In 1882 werd de Britse Vereniging voor Parapsychologisch Onderzoek opgericht, die niet alleen aanhangers van de evolutieleer, paleontologen en professor in de filosofie onder zijn leden telde, maar ook natuurkundigen van aanzien, zoals sir William Crookes. De vereniging stelde zich tot doel 'het onderzoek, zonder vooringenomenheid of vooroordeel en in de geest van de wetenschap, van die gaven van de mens, werkelijk of verondersteld, waarvoor via geen enkele erkende hypothese een verklaring gevonden kan worden.' Drie jaar later werd een Amerikaanse pendant opgericht.
De theosofe H.P. Blavatsky die beweerde op een telepathische wijze berichten te ontvangen van Tibetaanse 'mahatma's' werd door de Vereniging ontmaskerd als 'één van de meest bedreven, vindingrijke en belangwekkende oplichtsters uit de geschiedenis'. Verscheidene mediums bleken trompetten of zekere goocheltruuks te benutten, om tijdens een seance stemmen van geesten, dansende tafels en vreemde geluiden voor te wenden, tot zelfs de materialisaties toe, én het 'ectoplasma' dat daarbij werd geproduceerd.
Ian Wilson, die een boek heeft gewijd aan enkele belangwekkende case-study's van de Vereniging, schrijft dat deze tot dusver duidelijk gefaald heeft, waar het haar voornaamste doel betrof: het verschaffen van overtuigende bewijzen van paranormale fenomenen. 'Maar,' gaat hij verder, 'louter het feit van het honderd jaar lang bijeenbrengen van verslagen van vermeende bovennatuurlijke verschijnselen, heeft geleid tot een archief van ongeëvenaard materiaal. In het eenvoudige, maar uitstekend onderhouden kantoorgebouw van de Vereniging vlak bij Londens drukke Kensington High Street staan in een bovenvertrek zonder ramen stalen archiefkasten vol verslagen van vermeende spookgevallen, verschijnselen als bezetenheid en telepathie, verschijningen van kwelgeesten, hekserij en nog veel meer.'
Het hoofdstuk 'België' in de annalen van het spiritisme - dat in Brazilië tussen haakjes door 5% van de bevolking als godsdienst wordt beleefd - is veeleer bescheiden. Hier geen stalen archiefkasten vol verslagen. Bij mijn weten is/was (?) er in dit land met zijn ongemeen bloeiend verenigingsleven nog slechts één vereniging actief, die min of meer de vergelijking met de Britse Society for Psychical Research kan doorstaan. En dat is de Association Belge pour l'Etude de la Parapsychologie, gegroeid uit Solidarité Spirituelle, die kort na de Tweede Wereldoorlog werd opgericht. In Luik bestaat ook nog de officieel erkende Union Spirite Belge, die in het begin van de twintigste eeuw het licht zag. Over het ontstaan, de groei en de bloei van het spiritisme in België is trouwens ook weinig bekend. Omstreeks 1860 zou er in de streek van Charleroi voor het eerst enige interesse voor dat onderwerp vertoond zijn.
Mijn verbazing was dan ook groot toen een lezer van mijn boek Sterke Verhalen mij eind 1995 in een brief het volgende mededeelde:

Geachte Heer,

Enkele dagen voor zijn dood te Brussel in 1953, overhandigde mijn grootvader Hervé Agneessens mij een verzegelde doos, waarop hij de volgende woorden had geschreven: 'Mag uitsluitend geopend worden na mijn dood door een lid van mijn familie, die zich op die manier op zijn woord van eer zal engageren om zijn leven te wijden aan het onderzoek dat hier vluchtig wordt belicht.'

Toen ik een paar dagen na zijn begrafenis de doos opende, bleek deze een groot aantal oude schoolschriften te bevatten, die waren volgepend in het precieuze handschrift van mijn grootvader. Nu moet u weten dat mijn grootvader in 1906 secretaris is geworden van de Société Métapsychique, die het jaar voordien in Brussel werd opgericht. Hij heeft deze functie, met uitzondering van de oorlogsjaren 1914-1918, uitgeoefend tot in 1923, toen de vereniging werd opgeheven. Later is hij ook nog actief lid geweest, tot de Tweede Wereldoorlog, van de Cercle Métapsychique te Ukkel en van de Conseil De Recherches Métapsychiques de Belgique in Loupoigne.

De doos bleek de verslagen te bevatten van een aantal merkwaardige zaken die mijn grootvader in zijn hoedanigheid van secretaris en lid van deze verenigingen van nabij heeft gevolgd. Ik ben nu zelf een oude man geworden, die niet lang meer te leven heeft. Ik zou u dan ook, als kritisch auteur en verteller van 'sterke verhalen', willen verzoeken deze dossiers openbaar te maken, op een wijze die u het meest gepast lijkt.

Met de meeste hoogachting,

Henri Agneessens.

Na nog wat heen en weer geschrijf en ook twee persoonlijke contacten met Henri Agneessens, werden mij de in het Frans gestelde verslagen van zijn grootvader Hervé ter beschikking gesteld. Henri Agneessens overhandigde mij tevens een paar dossiers die hij, zoals zijn grootvader hem in zijn testament had verzocht, zélf had onderzocht. In 1953 stapte hij namelijk in de voetsporen van zijn vader en werd hij een actief lid van de Cercle Métapsychique te Ukkel.
De Brusselse Société Métapsychique was, zoals dat hoorde voor een Belgische vereniging, zowel in het Nederlandse als het Franstalige landsgedeelte actief. Merkwaardig is dat Hervé vooral geïnteresseerd leek voor zaken die zich in Vlaanderen afspeelden, terwijl kleinzoon Henri zich meer om Wallonië bekommerde. De dossiers van Henri zijn ook minder uitgebreid dan die van Hervé.
Henri overleed op 24 februari 1996 en heeft de publikatie van zijn werk en dat van zijn grootvader dus niet meer mogen beleven.
Voor publicatie op de site Mysterieus België  heb ik uit de talloze interessante dossiers die behoren tot de hierboven beschreven verzameling, een wel bijzonder curieus verhaal gekozen. In 'het huis van de baljuw' zou volgens de contactpersoon van Hervé Agneessens - een jongeman die als gevolg van een weddenschap de nacht wel eens in een spookhuis wilde doorbrengen - een museum gehuisvest zijn. Hervé merkt in een naschrift bij dit ongedateerde script op dat hij deze informatie heeft gecheckt en dat ze niet klopt. Dit is slechts ten dele waar, maar dat kon Hervé Agneessens op dat ogenblik natuurlijk nog niet weten. Hij overleed immers in 1953 en het 'huis van de baljuw' zou pas in 1977 geklasseerd worden en omgebouwd tot... een plaatselijk museum.
Toen ik kleinzoon Henri hieromtrent aan de tand voelde, verklaarde hij er net als zijn grootvader van overtuigd te zijn dat er zich op bepaalde plaatsen niet alleen beelden uit het verleden kunnen vertonen, die daar onder zekere omstandigheden als het ware 'bewaard' kunnen worden, maar dat een dergelijke plek vaak ook uitermate geschikt is voor 'projecties uit de toekomst'. Voor 'proscopische visioenen', met andere woorden. Blijkbaar werd de jongeman in het huis van de baljuw niet alleen geconfronteerd met een beeld uit het verleden, maar ook met een visioen van de toekomst die deze plek te wachten stond. Al blijft het natuurlijk ook mogelijk, zoals voor ieder dossier in dit boek, dat er een mystificatie in het spel is.
Net zoals kleinzoon Henri noteerde Hervé zijn verslagen in het Frans, maar Hervé deed dit bovendien in een stenografie van eigen vinding. Wat stijl en vertaling betreft, heb ik mij dan ook de noodzakelijke vrijheden veroorloofd. Inhoudelijk heb ik de verslagen echter zo correct mogelijk gevolgd. Waar ik dat nodig achtte, werden ten slotte verklarende voetnoten ingelast.

Patrick Bernauw
Erembodegem, april 1996



Het Huis van de Baljuw
 
 
 
Pas toen David besefte dat hij onmogelijk nog op zijn passen terug kon keren, drong het ook tot hem door dat hij een verschrikkelijke dwaas was geweest.

Okee, spookhuizen bestonden uitsluitend in de verhitte verbeelding van een stuk of wat debiele bijgelovige zielen. En bijgevolg hoorden spoken ook alleen dààr thuis. Maar dat was nog altijd geen geldig excuus om je te laten opsluiten in een huis dat je totaal onbekend was, omdat je nu eenmaal wilde doorgaan voor een stoere jongen.
Het was een domme weddenschap geweest, en daarmee basta.
Misschien had dat gevoel van onbehagen ook veel te maken met de drukkende atmosfeer van die late namiddag in augustus. Er hing onweer in de lucht. Door het raam in de hall keek hij naar de vreemde, bijna doorschijnende duisternis daarbuiten, naar de gruisbruine wolken die het blauw van de lucht langzaam maar zeker verdreven.
Hoewel het nog geen zeven uur was geworden, leek de schemering al ingetreden. Het spel van licht en schaduw deed de bomen op het grasperk voor het huis van de baljuw er onwezenlijk uitzien, alsof ze alleen maar geschilderd waren op het doek van een gek geworden impressionistische meester. Eén die zijn oor had afgesneden of zo.



De beminnelijke suppoost liet de laatste bezoekers uit. Eustache Cerbère was zijn naam. Hij had de uitstraling van een moderne kluizenaar. Liever dan zich in de rumoerige buitenwereld te wagen, zo stelde David zich voor, voerde hij urenlange gesprekken met de voorwerpen die hem omringden. Hij was de met magische krachten begiftigde bewaker van een eeuwenoud koningsgraf, die de op goud en juwelen beluste grafschenners ver moest houden van de schatten van het verleden.
Net vóór zeven uur nam monsieur Cerbère de ouderwetse horloge aan de zilveren ketting uit zijn borstzak. Traag en met een zekere regelmaat liet hij de horloge heen en weer slingeren.
'Dames en heren!' zei hij. 'Het is zeven uur!'
Behalve David was er alleen een ouder koppel aanwezig in het museum dat was ondergebracht in het huis van de baljuw. Een ouder koppel en een gastvrouw van de gemeente Nismes. Theresa was haar naam en David had haar bij een eerste, verkennende bezoek reeds vluchtig opgemerkt. Haar aanwezigheid verzoende hem min of meer met zíjn aanwezigheid hier. David logeerde samen met handvol vrienden in een herberg in Couvin, enkele kilometers verderop. Daar was ze na zijn eerste bezoek aan het huis van de baljuw een paar keer in zijn dromen verschenen, als een nimf van de nacht. Net als bij die gelegenheden, droeg ze ook nu een verschrikkelijk kort plooirokje, sexy nylons en een hagelwit bloesje. Om haar hals had ze een zwartfluwelen bandje, waarin één of ander juweel fonkelde, en op haar hoofd stond een charmant hoedje. Voor de rest had ze gitzwarte haren en donkere ogen die gloeiden als kooltjes in haar knappe, bleke gezichtje.
De suppoost zette zijn tocht verder. Hij bewoog zich net als zijn horloge slingerend voort, merkte David. Net een schoothondje dat vriendelijk met zijn staart kwispelde terwijl het op je schoenen kwam plassen. Uit zijn ooghoek zag hij dat Theresa verveeld in een toerististische brochure bladerde, die geheel gewijd was aan het huis van de baljuw.
'Wij hebben u alles getoond wat er te tonen valt, dames en heren. Het is vijf uur. Kijk naar de horloge aan de ketting. Het is de hoogste tijd. Straks, als ik drie maal met de vingers knip...'
David was monsieur Cerbère gevolgd en stond nu achter hem, vlak bij een reusachtige antieke reiskoffer die ooit wel van de baljuw zou zijn geweest - wie dat dan ook wezen mocht, want David had nergens de naam van dat heerschap gevonden.
Terwijl de suppoost zich omdraaide om de gastvrouw aan de uitgang te vervoegen, kroop David in de koffer.




David voelde zich daar als een welgekomen gast die zich gezellig in een gemakkelijke fauteuil had genesteld en wachtte. Waarop wist hij niet precies. Op het moment dat hij ontdekt werd? Of tot de volgende ochtend, wanneer hij omstreeks het openingsuur het huis van de baljuw zou verlaten, breed glimlachend omdat hij zijn weddenschap had gewonnen? Zijn vrienden zouden hem opwachten op het grasperkje voor het huis van de baljuw. Zo hadden ze het tenminste afgesproken.
Binnenin was de koffer bekleed met fluweel. Ook dat had David bij zijn eerste bezoek opgemerkt. Nee, hij was niet over één nacht ijs gegaan. Toen hij de uitdaging van zijn vrienden had aangenomen en besloten had de nacht door te brengen in het huis van de baljuw, had hij eerst een verkenningstocht ondernomen en daarna had hij zijn plan tot in de puntjes uitgewerkt. Als hij erin slaagde de suppoost en - hoe heette zo'n dame officieel? - enfin, de gastvrouw dus (1), te verschalken, en zodra hij in die koffer zat, kon er niks meer verkeerd lopen.
Het was donker en stil, daar in de koffer. Om hem heen was alles in volmaakte rust gedompeld, in diepe duisternis. David wist niet of er een nachtwaker was aangesteld in het huis van de baljuw, en daarom had hij voor alle zekerheid besloten in de koffer te blijven slapen. Het was een goede plek om de nacht door te brengen.
Hij lag hier zo knusjes, zo warm. Al gauw was David in een diepe slaap verzonken. Al gauw droomde hij van dat dorpje tussen Samber en Maas, van Nismes bij Couvin, een zeer oud dorpje, waar men nog sporen had gevonden van mensen die daar meer dan 15.000 jaar geleden hadden geleefd (2).
David droomde van het beroemde spookhuis dat zich daar nu bevond, het huis van de heer, van de baljuw. Het was opgetrokken in de vijftiende eeuw. Iedereen kon het gaan bezoeken, sinds men er een jaar terug een museum in had ondergebracht (3). In het huis van de baljuw hadden in de loop der eeuwen de families Horne, de Martin en de Baillet gewoond. In de zeventiende eeuw werd er een zekere dame du Moustier in vermoord. Sindsdien vonden er eigenaardige verschijnselen plaats. Was het de geest van deze dame du Moustier die ze veroorzaakte? Dame du Moustier, die er nog altijd rondspookte?
Er deden al jarenlang geruchten de ronde over het huis van de baljuw... Als men de houten trap besteeg of over de planken van de zoldervloer liep, was er soms een vreemd gekraak te horen. Het was niet het soort kraken dat voortgebracht wordt door planken waar men over loopt. Dit soort kraken leek veeleer op het geluid dat wordt gemaakt als men iemand de schedel inslaat... En was het niet zo dat een inbreker, die door de jongedame du Moustier was verrast, haar de schedel had ingeslagen?
Kritische geesten merkten op dat de inbreker dame du Moustier inderdaad met een stomp voorwerp te lijf was gegaan. Maar dat had haar dood niet veroorzaakt. Ze had zich heftig verweerd en toen had de razend geworden inbreker naar een vlijmscherp slagersmes gegrepen, waarmee hij - zo beweerde men destijds - in één haal haar hoofd van haar romp had gescheiden.
Een paar jaar terug, zo had David het in een brochure gelezen, bewoonde de moeder van een gemeentebediende het gebouw (4). Op een goeie avond trok ze naar de zolder om er het linnen op te hangen. Een jongedame, gekleed volgens de mode van driehonderd jaar geleden, zweefde haar toen voorbij zonder het minste geluid te maken. Ze verdween in de trapgang. De geest werd daarna nog meerdere malen waargenomen, meestal op de zolder en in de trapgang, waar het destijds tot een dodelijke confrontatie was gekomen tussen dame du Moustier en de naamloze inbreker.
Deze vreemde fenomenen konden de autoriteiten er niet van weerhouden het huis van de baljuw om te bouwen tot een museum. Dat was opgevat als een soort bloemlezing van het leven in Nismes, door de eeuwen heen. De bezoeker moest er als het ware een wandeling door de tijd kunnen maken, van de prehistorie tot vandaag de dag. Zo waren er in het huis van de baljuw onder meer kelders met versterkte muren te zien, een wapenzaal met schietgaten, een oude oven, een privékapel met muurschilderingen en een typische keuken uit vroeger tijden, met een enorm haardvuur (5).
Dat er nu veel mensen over de vloer kwamen, leek het spook allerminst af te schrikken. Soms gingen plotseling alle lampen branden (6). En dat terwijl er geen levende ziel in het huis van de baljuw aanwezig was!
In de winter was het museum gesloten, bij gebrek aan centrale verwarming. Maar op een Kerstdag, nog niet zo lang geleden, had één van de beheerders van het museum alle lampen opnieuw zien oplichten.
De dorpelingen van Nismes fluisterden zelfs dat het spook het huis beschermde. Was het niet zo dat er al een paar keer werd ingebroken in het huis van de baljuw, en dat de inbrekers hals over kop het hazepad kozen zonder ook maar iets mee te nemen? (7) 
'Logisch,' zeiden de mensen van Nismes. 'De jongedame du Moustier heeft het niet zo voorzien op inbrekers. Dat zult u wel begrijpen, nietwaar?'




Theresa leek allerminst verrast, toen ze David uit de koffer zag kruipen. Een vaag gerucht, als van muizen op zolder, had hem gewekt. Toen David door het sleutelgat van de reiskoffer keek, had hij nog net een glimp kunnen opvangen van een stukje nylon. Als hij het uniform van een nachtwaker in het oog had gekregen, zouden de zaken er helemaal anders voorgestaan hebben. Maar nu meende David dat het beter was zijn schuilplaats te verlaten.
Theresa glimlachte verlegen. 'Ik wist wel dat u achtergebleven was,' zei ze.
David schonk haar op zijn beurt een glimlach, de meest schuldbewuste die hij in huis had. 'Die domme weddenschap ook,' antwoordde hij. 'Ik heb met mijn vrienden gewed dat ik de nacht durfde door te brengen in het huis van de baljuw en vandaar...'
'Je hoeft je niet te verontschuldigen,' zei Theresa. 'Zoiets brengt wat leven in de brouwerij, en dat kun je hier in zo'n godvergeten gat wel gebruiken.'
'Dan laat je mij niet arresteren wegens nachtelijke inbraak?'
'Nee.'
'Waarom ben jij dan eigenlijk achtergebleven?'
Opnieuw glimlachte Theresa verlegen. 'Omdat ik er zeker van wilde zijn dat je nergens mee aan de haal zou gaan, natuurlijk.'
Daar geloofde David geen sikkepit van. Maar waarom zou Theresa dan wél achtergebleven zijn? Omdat ze hier met hem... sàmen wilde zijn? Omdat hij wat leven bracht in de brouwerij, en ze dat in zo'n godvergeten gat wel kon gebruiken?
'Ondertussen vrees ik wel dat we hier vastzitten voor de rest van de nacht,' ging Theresa verder. 'Monsieur Cerbère heeft alles afgesloten. Hij bewaart een stel dubbele sleutels in zijn kantoor, maar dat heeft hij ook op slot gedaan. Het ziet er dus naar uit dat we gewoon op de ochtend moeten wachten...'
'Komt er dan geen nachtwaker?'
'Ik ben de nachtwaakster,' zei Theresa.


En zo brachten David en Theresa samen de nacht door, maar wat er daarbij allemaal gebeurde, kon hij zich later vreemd genoeg niet meer herinneren. Dat vond hij wel jammer. Hij wist alleen nog dat hij op zeker ogenblik in haar armen in slaap viel, en dat hij droomde van monsieur Cerbère die zijn handen en voeten ontwrichtte en scheef op zijn polsen en enkels zette, zodat David niet langer meer achter de lieftallige assistentes van monsieur Cerbère aan kon zitten. Toen stopte de suppoost hem in de koffer en deed die op slot. Door het sleutelgat kon David zien hoe monsieur Cerbère de sleutel achteloos weggooide.
David huilde. Waar was Theresa? Zou zij ook gestraft worden? En moest hij hier in deze reiskoffer van de baljuw dan verhongeren en verdorsten, door iedereen vergeten? David voelde zich in zijn droom opnieuw een kleuter van een jaar of vijf, die was weggelopen van zijn vader en zijn moeder en nu was verdwaald in de grote, vijandige stad. Hij wérd opnieuw die kleuter van vijf, alleen op een wereld die plotseling zo oneindeloos groot was geworden, dat hij alleen maar kon huilen en huilen tot hij er onderbewusteloos van werd, misschien zelfs bijna dood. Mors.
Zou zijn magere geraamte in de flarden van zijn halfvergane kleren dan op zijn beurt door het huis van de baljuw gaan spoken?
Ergens galmde een klok zeven maal. Was het al zo laat? David schrok wakker uit zijn lichte sluimer en zijn onrustige dromen en vond zich terug op een bankje tegen de muur, de armen voor de borst gekruist, even eenzaam en verlaten als de triestelaar uit zijn droom.
Blijkbaar was hij hiér ingedut, en waar was Theresa...?
Theresa lag te maffen in de reiskoffer van de baljuw, waarvan ze het deksel had laten openstaan. Zoals ze daar lag, eveneens met de armen over de borst gekruist, leek ze wel opgebaard te liggen in een doodskist. Haar bleke huid stak scherp af tegen het zwart van haar haren en het fluwelen halsbandje, gesloten met een broche waarvan David zich eerder die nacht had afgevraagd of het een échte diamanten broche was.
David stond op en streelde haar wang, om haar zachtjes wakker te maken. Geschrokken stelde hij vast dat hij huid ijskoud was. Had zij vannacht ook zo koud aangevoeld? David kon het zich niet voorstellen.
Onwillekeurig raakte hij het hoedje aan, dat ze nog steeds op het hoofd had en dat hij voorheen zo charmant had gevonden. Nu vond hij het alleen maar antiek. Ze had het de hele nacht opgehouden, meende hij zich te herinneren.
Het hoedje schoof van Theresa's hoofd, het viel op haar borst en David begon te gillen, want er zat een gapend rood gat in het hoofd van Theresa.
Zijn gegil maakte haar niet wakker. Wél leek het alsof de golven van geluid haar hoofd aan het trillen maakten. Het deed David denken aan de legendes uit lang vervlogen tijden die hier in Nismes verteld werden, en waarin rotsen menselijke vormen konden aannemen en plotseling konden gaan spreken, gaan zingen of gewoon gaan trillen.
De diamanten broche die het zwartfluwelen bandje om de hals van Theresa gesloten hield, sprong plotseling open. David gilde nog harder toen zijn oog viel op de bloedrode cirkel die om de hals van Theresa lag en die voordien bedekt was geweest door het fluwelen bandje. Het hield het afgehakte hoofd van Theresa nu niet meer op zijn plaats, zodat dit trillend van haar romp afrolde en in haar schoot tot stilstand kwam. Haar donker gloeiende ogen waren weer open gegaan en staarden David beschuldigend aan.
David zette het op een lopen en rende recht in de armen van monsieur Cerbère. In zijn ene hand hield de suppoost de zeventiende eeuwse kandelaar waarmee een inbreker ooit de jongedame Thérèse du Moustier te lijf was gegaan. Er hingen nog wat plukjes gitzwart haar in de armen van de kandelaar. Met zijn andere hand zwaaide monsieur Cerbère met het slagersmes waarmee hij de jongedame eeuwen geleden het hoofd had afgesneden.
Het was niet alleen de geest van Thérèse du Moustier die nog rondspookte in het huis van de baljuw, flitste het door David heen in de fractie van een seconde voordat het hem zwart werd voor de ogen. Het was ook de geest van haar moordenaar - Eustache Cerbère of wie dan ook -, die nu voor eeuwig boete deed voor zijn wandaad in de gedaante van een bewaker van dit museum. Ooit had monsieur Cerbère hier ingebroken, maar toen werden de rollen omgedraaid en nu joeg híj op inbrekers.
En was David niet een inbreker geweest?
Domme weddenschap! dacht hij nog, voor hij definitief het bewustzijn verloor.



De horloge van de man in de witte jas slingerde aan een zilveren ketting zachtjes heen en weer.
'Kijk naar m'n horloge, David,' fluisterde de man in de witte jas. 'We hebben je één en ander getoond, we hebben je vragen gesteld, we hebben voor je gespééld... Maar straks, als ik met m'n vingers knip en je wordt wakker... Straks, als ik drie maal met de vingers knip, wil ik dat je je niks meer herinnert van dat alles... Wil ik dat je je niks meer herinnert, David... Niks meer... Niks...'
David legde zijn hoofd tegen de schouder van de verpleegster met de gitzwarte haren en keek naar de horloge van de man in de witte jas. Ze hield op met slingeren en de man knipte drie maal met z'n vingers en de nachtmerrie vervaagde op slag tot een bleke vlek met wazige contouren op de landkaart van zijn geheugen.
De man met de witte jas nam hem bij de ene elleboog en de verpleegster met de gitzwarte haren bij de andere. Zo leidden ze hem naar hun wagen die op het grasperkje voor het huis van de baljuw met draaiende motor op hen wachtte. Ze deden hem op de achterbank neerzitten en spreidden een deken uit over zijn knieën. David rolde zich op onder de deken.
'Waar logeert hij?' vroeg de man in de witte jas.
'In een herberg in Couvin, met een stel vrienden,' antwoordde de verpleegster.
'Zijn ze al verwittigd?'
David kon het antwoord niet meer verstaan, maar alles was rustig en hij zat daar zo goed in het donker onder de deken. Het was daar zo knusjes en warm...


 
 
 
 
(1) Het woord hostess raakte in België pas ingeburgerd in de jaren zestig, na de Expo.


(2) Later woonde er, net als in de stripverhalen van Asterix, een stam van onoverwinnelijke Galliërs: Aduatiekers, die verbeten stand hielden tegen de Romeinen. En nog later werd er een klooster gebouwd, dat gedurende een hele eeuw toebehoorde aan de beroemde abdij van Saint-Germain-des-Prés.

(3) Zoals in de inleiding reeds vermeld werd, werd 'het huis van de baljuw' pas in 1977 geklasseerd en omgebouwd tot een museum.

(4) De anecdote waarop hier gezinspeeld wordt, vond volgens een luxueuze gids van Reader's Digest (Ongewoon en Mysterieus België) plaats 'in de vroegere jaren vijftig'. In dit boek staat verder te lezen dat er nog in de jaren zeventig voetstappen werden gehoord op de zolder. Gedurende een tijdje kon men er elke avond weer getuige van zijn. Op zo'n avond slaagde men er zelfs in, met behulp van een apparaat met infrarode film, een soort witte schaduw op een foto vast te leggen - een lichtkegel van ongeveer 1 meter 60 hoog, waarvan de aard en de oorsprong geheel onbekend en onverklaarbaar was -, en die ook in de publikatie van Reader's Digest werd opgenomen.

(5) Deze beschrijving die dateert uit de vroege jaren vijftig klopte perfect met de toestand en inrichting van het museum op het moment dat ik het bezocht, in de vroege jaren negentig van de vorige eeuw.

(6) In 1980 gingen alle lampen in het huis van de baljuw plotseling branden, zonder dat iemand ze aangeknipt had en terwijl de teller niet eens werkte! Bepaalde leidingen werkten zelfs zonder dat er zekeringen waren!

(7) Het spontaan 'oplichten van de lampen' en inbrekers die op de vlucht slaan zonder iets mee te nemen, zijn fenomenen die zich volgens de reeds geciteerde publikatie van Reader's Digest het laatst hebben voorgedaan in 1985.



De foto's die Het Huis van de Baljuw illustreren, behoren tot het stadsspel De Spoken van Brugge, dat u zowel kunt spelen met een handig doe-het-zelf pakket als geheel voor u georganiseerd met een professionele spelleider. Vraag hier vrijblijvend alle info.