Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

25.11.10

Marche-les-Dames: De Moord op Albert I




POGING TOT RECONSTRUCTIE
uit Het Illuminati Complot van Patrick Bernauw

Bestel hier uw gesigneerd exemplaar (20 € + verzendkosten).




Op zaterdag 17 februari 1934, omstreeks 12.15 uur, verliet koning Albert I het paleis van Laken. Hij zat zelf achter het stuur van zijn Ford-cabriolet en was vergezeld door Theophiel Van Dycke. Er is tot op heden geen enkele goede verklaring gegeven voor de aanwezigheid van de kamerheer. Van Dycke kan niet klimmen en is dus ook niet in staat de koning te begeleiden of te ‘zekeren’. De kamerheer kan zelfs niet autorijden. Als de koning zijn pols verstuikt, hoe moet hij dan terug naar Brussel? Deze gang van zaken staat in schril contrast tot de voorzichtigheid die de koning doorgaans aan de dag legde bij het beoefenen van zijn favoriete sport, én met de veiligheidsmaatregelen die gewoonlijk door het paleis werden genomen.
Men heeft gezegd dat Theophiel Van Dycke moest invallen als ordonnansofficier omdat de ene ordonnans ziek was (majoor jonkheer Alfred Van Caubergh) en de andere een vrouw had die net was bevallen (kapitein baron Lucien Jacques de Dixmude). Maar ook op dit punt doet de officiële versie van de feiten de waarheid geweld aan, want Albert had nog twee andere ordonnansofficieren. Waarschijnlijk wilde hij echter kunnen rekenen op de absolute discretie van een vertrouweling.
In Boninne nam Albert de weg die bij het kasteel van de Zualarts door de velden en de weiden en ten slotte door het bos naar de rotsen van Marche-les-Dames leidde – de zogenaamde Voie Royale, later herdoopt tot Le Chemin du Roi Albert. De vorst parkeerde zijn wagen op minder dan een kilometer van de Route du Hannut, in het veld. Vervolgens liep hij samen met Van Dycke door een dreef van Amerikaanse eiken naar het plateau boven de rotsen van Marche-les-Dames. Ze bereikten het plateau omstreeks 13.30 uur.
Waarom wilde de koning eerst het plateau afdalen en parkeerde hij zijn wagen niet bij de weg langs de Maas en de spoorlijn, aan de voet van de rotsen die hij wilde beklimmen? Het had hem twee keer een klein halfuur bespaard, want zo lang duurde het om van de plaats waar zijn auto was geparkeerd naar de rotsen te lopen en deze af te dalen… om ze vervolgens – eindelijk! – te beklimmen. De aanwezigheid van de kamerheer en de route die de koning zou gevolgd hebben, lijken op het eerste gezicht vrij absurd. Tenzij Albert een afspraak had met een grote, knappe, Duitssprekende blonde dame.
Waarom en hoe vaak koning Albert in de weken voor die fatale zeventiende februari naar Marche-les-Dames was geweest? En waar parkeerde hij zijn wagen dan? Het waren eenvoudige vragen, maar de antwoorden die werden gegeven door enerzijds graaf Xavier de Grunne en anderzijds kamerheer Theophiel Van Dycke, gingen lijnrecht tegen elkaar in. Zo meende de Grunne te weten dat de koning niet meer naar Marche-les-Dames was gegaan na 24 januari, maar verklaarde Van Dycke dat hij er de woensdag voor het drama nog was geweest. Onderzoeksrechter Philippart wist dan weer te vertellen dat de koning er ook nog enkele dagen vóór die bewuste woensdag was geweest, al kon hij niet zeggen wanneer precies, of van wie hij dit had vernomen.
De Grunne stelde dat de koning zijn wagen alleen op die bewuste zeventiende februari had geparkeerd op het plateau van Boninne. Dat was compleet in tegenspraak met wat Van Dycke daarover te zeggen had, en bovendien kan men zich nogmaals afvragen hoe de Grunne aan die informatie kwam en hoe vaak Van Dycke de koning eigenlijk naar Marche-les-Dames had vergezeld. De onderzoeksrechter vond het overigens ook niet nodig de beide heren te confronteren met de toch wel merkwaardige en uiteenlopende verklaringen die zij hadden afgelegd.
Gezien deze aanwijzingen lijkt het er sterk op dat de bossen en de rotsen van Marche-les-Dames het decor vormden voor een amoureuze afspraak. Blijkbaar vertrouwde de koning hierbij meer op de discretie van zijn kamerdienaar dan op die van zijn ordonnansofficieren. Als de Grunne ook een rol speelde in het complot dat de koning in de armen van een geheim agente van de nazi’s moest drijven, dan had hij er alle belang bij dat er geen patroon werd ontdekt in de bezoeken die Albert aflegde aan zijn minnares in Marche-les-Dames.
In eerste instantie gingen we ervan uit dat Xavier de Grunne de cover-up moest regelen, maar het is natuurlijk ook best mogelijk dat hij al veel eerder in actie is gekomen. Hij was immers een vriend van koning Albert, een collega-alpinist… en zijn broer Guillaume was grootmeester van het Huis van Elisabeth. Als iemand goed geschikt was om de agenda van de koning in te kijken, dan was hij het wel. En als alles achter de rug was, kon Xavier de Grunne zonder de minste argwaan te wekken optreden als expert en verklaren dat de koning het slachtoffer was geworden van ‘een klassiek ongeluk van het alpinisme’. Wat hij nauwelijks vier dagen na de dood van Albert ook deed in een quasi officieel perscommuniqué.
De koning liet Van Dycke achter op een bankje bij het pad, drong alleen dieper door in het bos, daalde een ravijn af naar de weg die parallel liep met de Maas en de spoorlijn Namen-Luik, en deed ten slotte een eerste beklimming. Voor een ervaren alpinist als Albert was dit kinderspel. Enkele maanden eerder was de koning nog samen met Elisabeth op bezoek geweest bij Edmond Carton de Wiart in zijn kasteel van Brumagne. De koning had toen voorgesteld om ‘een erg gemakkelijke beklimming’ te doen. Hij had met een deel van het gezelschap – Edmond, zijn vijftienjarige dochter en haar nichtje – de rotsen beklommen die hem later fataal zouden worden. De debutanten hingen vast in een touwgroep, werden door Albert naar boven gehesen en daalden gezamenlijk en ‘in rappel’ af. Al lopen de verklaringen ook hier weer uiteen: nu eens zouden ze de ‘fatale rots’ beklommen hebben, dan weer zou het een andere geweest zijn. Nu eens zou het hele gezelschap op de top van de rots gestaan hebben, dan weer zou men de rots maar tot halverwege beklommen hebben, omdat de koning – ‘voorzichtig als hij was’ – de staat van de rotsen te gevaarlijk vond. Volgens sommigen waren ze inderdaad vrij brokkelig, volgens anderen was dit onzin.
Na een geslaagde afdaling en een dito beklimming keerde de koning terug bij Van Dycke, die nog steeds op het plateau onder de bomen op een bankje zat. Het was nog voldoende licht om een andere rots te beklimmen. Omstreeks 14.30 uur – sommigen spreken over 15.30 uur – zouden dit de laatste woorden van de koning geweest zijn: ‘Keer zo’n vijftig meter terug over het pad, ik ga van het uur dat me nog rest gebruikmaken om nog eens af te dalen tot de voet van de rots en dan weer naar boven te klimmen. Als mijn conditie het toelaat, neem ik de moeilijke route. Als ik me wat minder voel, stel ik me tevreden met de gemakkelijke weg. Ik zie u over een uur terug.’
Waarom verzocht de koning zijn kamerheer zich een vijftigtal meter van hem te verwijderen op het moment dat hij de rotswand voor de tweede keer afdaalde, om vervolgens Le Vieux Bon Dieu te beklimmen, eventueel langs de route die L’Inaccessible werd genoemd? De journalist Jacques Noterman voegt daar in zijn boek over de dood van Albert I een pertinente vraag aan toe: ‘Wat heeft een alpinist te verbergen wanneer hij aan het klimmen is?’ En geeft zelf het antwoord: ‘Niets, vanzelfsprekend.’ Tenzij de koning zich ervan wilde verzekeren dat zijn kamerheer niets te horen of te zien zou krijgen van de gebeurtenissen die hierop moesten volgen. Was hij van plan zelfmoord te plegen? Niets wees in die richting. Was de knappe blonde dame niet op de afspraak verschenen en wilde de koning in extremis een tweede poging doen? Of had de kamerheer het verzoek van de koning verzonnen om te verantwoorden waarom hij niets had gehoord of gezien?
De minuten tikten traag voorbij en een uur later was de koning nog steeds niet bij zijn kamerheer teruggekeerd. Theophiel Van Dycke begon ongerust te worden. Albert was een zeer punctueel man en hij had vanavond nog een verplichting op de zesdaagse van Brussel, die gereden werd in het Sportpaleis van Schaarbeek.
Wat volgt is een bijzonder verwarde episode, waarover Van Dycke in alle talen zwijgt en waarover Edmond Carton de Wiart, Xavier de Grunne en Lucien Jacques de Dixmude in zijn plaats tegenstrijdige verklaringen hebben afgelegd. Volgens Carton de Wiart zou de kamerheer het plateau niet zijn afgedaald om de koning te zoeken. Volgens de Grunne zou de kamerheer echter samen met de koning een eerste keer zijn afgedaald via een ravijn – het lijk van Albert werd later in dit zogenaamde Dievenravijn gevonden – en was hij samen met de koning ook opnieuw naar het plateau geklommen. Nu Albert niet kwam opdagen, wilde Van Dycke zich een tweede keer naar beneden begeven, maar plotseling was dit niet meer mogelijk. ‘Het terrein is overal ruig met rotspunten of ondoordringbaar kreupelhout. Helaas! De dienaar van Koning Albert is niet echt een bedreven alpinist: hij moet het opgeven wanneer hij voor deze obstakels komt te staan.’ Hoe was Van Dycke er dan de eerste keer door gekomen? En hoe had de koning dit klaargespeeld?
Volgens Lucien Jacques de Dixmude zouden Van Dycke en de koning samen gepicknickt hebben aan de voet van Le Vieux Bon Dieu, en niet op het plateau. ‘Schillen van verse sinaasappelen worden er op de grond gegooid.’ Aan de Grunne zou Van Dycke dan weer gezegd hebben dat de mondvoorraad niet aangesproken werd – de koning zou die weer in zijn rugzak gedaan hebben.
Toen Van Dycke omstreeks 17.00 uur aan zijn zoektocht begon, was het nog licht. Hij had nog een uur voordat de duisternis zou intreden. Toch slaagde hij er niet in het lichaam van de koning te vinden. Men beweerde dat dit aan het kreupelhout te wijten was – maar het was februari, de takken droegen geen bladeren. Op de foto’s die de volgende ochtend werden genomen, is trouwens geen struikgewas te zien dat het lijk van de koning aan het oog had kunnen onttrekken.
En waarom wachtte Van Dycke een halfuur voordat hij de koning ging zoeken? Om 15.30 uur had die toch duidelijk gezegd dat hij Van Dycke binnen een uur terug zou zien? Natuurlijk wilde Van Dycke bovenal discreet zijn en zal hij de koning niet tot een vluggertje hebben willen aanzetten – maar hij wist dat Albert omstreeks 20.00 uur in het Sportpaleis werd verwacht. De vorst moest nog terugkeren naar Laken (dat duurde anderhalf uur), eten (een kwartier), zich wassen (een kwartier) en vervolgens naar het Sportpaleis rijden (20 minuten). Om 17.00 uur was het al bijna onmogelijk geworden om nog op tijd te komen. Albert stond desondanks bekend om zijn punctualiteit.
Het was 17.30 uur en het begon al te schemeren, toen Van Dycke over het plateau terugkeerde in de richting van Boninne en op twee houthakkers stuitte. René en Arsène Jassogne waren aan het werk in de nabijheid van de Chemin des Soldats. Omstreeks deze tijd hadden ze met hun broer Joseph afgesproken dat deze met zijn vrachtwagen het hout zou ophalen.
‘Ik ben naar de rotsen gekomen met een vriend die misschien verdwaald is’, zei Van Dycke. ‘Mijn vriend moet absoluut vanavond nog in Brussel zijn, dus ik maak mij behoorlijk ongerust.’
De drie broers Jassogne zeiden dat ze samen met hem ‘de verdwaalde vriend’ zouden zoeken. René reed eerst wel nog naar Boninne, om elektrische zaklampen te halen. Daarna konden ze met hun lampen de lijn van de rotskam volgen. Rond 18.00 uur keerde Van Dycke een eerste keer naar de auto terug om te zien of de koning daar niet was teruggekeerd. Maar dat was niet zo.
In de duisternis riep Van Dycke onophoudelijk: ‘Hou! Hou! Hou!’ De kreet rolde van rots tot rots, maar niemand antwoordde. De vier mannen daalden af in een kloof, die in het plaatselijke dialect bekendstond als Li Chairotte. Ze was vlak bij een grote rots gelegen, die toen nog de Rocher aux Corneilles oftewel Kraaienrots werd genoemd. Enkele passen verderop, in het Dievenravijn, lag het lichaam van de koning. Opnieuw bleken kreupelhout en struikgewas niet langer ondoordringbaar te zijn. Anderzijds was het onmogelijk dat Van Dycke en de broers Jassogne, die deze plek als hun broekzak kenden en wisten waar ze moesten kijken, de koning hier niet gevonden zouden hebben. Tenzij het lichaam er nog niet lag natuurlijk.
Uitglijdend over een dik en glad tapijt van dode bladeren en voortdurend gehinderd door kleine steenlawines bereikten ze uiteindelijk de weg van Marche-les-Dames naar Namen, die daar parallel liep met de spoorlijn en de Maas. Bij de overweg vroegen ze aan de baanwachtster of ze geen grote man met touwen had gezien. Van Dycke gaf een nauwkeurige beschrijving van zijn vriend: ‘Rode wangen, krullend haar, witte snor.’
‘Nee,’ zei de vrouw, ‘die heb ik hier niet gezien…’
‘Waar kan ik ergens een telefoon vinden?’ vroeg Van Dycke toen.
De broers Jassogne trokken met hem naar het Hôtel de la Gare, een kleine herberg bij het station van Marche-les-Dames. Daar zat Alfred Haine net aan het avondeten toen hij de broers Jassogne binnen zag komen, vergezeld van een gedistingeerde heer in een tweed jas. De man zag er bijzonder bleek uit en was buiten adem, maar ondanks zijn onmiskenbare nervositeit bleef hij zeer beleefd.
‘Wilt u deze heren iets te drinken geven, alstublieft? En mag ik uw telefoon even gebruiken? Mijn vriend ging de rotsen beklimmen, maar het lijkt erop dat hij verdwaald is. Misschien heeft hij een ongeluk gehad. Alstublieft, ik moet zo snel mogelijk naar Brussel bellen!’
‘Geen probleem’, zei monsieur Haine, en hij ging de vreemdeling voor naar het salon, waar de telefoon stond. Vervolgens trok hij zich discreet terug en ging bij de broers Jassogne in de gelagkamer zitten.
Merkwaardig genoeg gaf Van Dycke geen beschrijving van ‘zijn vriend’ aan meneer Haine, misschien omdat hij wist dat de koning hier wel vaker kwam, alleen, om zijn boterhammen op te eten. De kans bestond dat meneer Haine in een persoonsbeschrijving de koning zou herkennen.
Van Dycke slaagde er snel in verbinding te krijgen met het paleis van Laken en meer bepaald met kapitein baron Lucien Jacques de Dixmude. Omdat majoor Van Cauberghe ziek was, moest de kersverse ordonnansofficier hem vervangen – maar zijn vrouw was net bevallen. Die morgen had de koning hem gezegd: ‘U kunt terug naar huis gaan, ik heb mijn bezigheid vanmiddag. Het is nodig dat u eens gaat kijken hoe het met uw familie is. We zullen vanavond om kwart voor acht vertrekken naar het Sportpaleis. Kleedt u zich goed aan, want het is daar koud.’
Om 19.00 uur was baron de Dixmude teruggekeerd naar Laken om er te dineren. Na de soep, omstreeks 19.20 uur, kreeg hij een telefoon in de eetzaal van de maarschalken. ‘Het was de kamerheer van de koning,’ verklaarde hij later, ‘die me belde vanuit een café in Namêche. Hij sprak in bedekte termen. Aanvankelijk snapte ik niet goed wat hij wilde zeggen, want ik wist niet waar de koning heen was. Van Dycke vroeg me of ik geen nieuws van de koning had, of hij niet was teruggekeerd, of had gebeld.’
Baron de Dixmude begaf zich naar de vestibule, om het telefoongesprek niet te hoeven voeren in het bijzijn van de eredame en de officier van de wacht. Vervolgens belde hij met graaf de Patoul, die hem zei dat hij onmiddellijk naar Marche-les-Dames moest vertrekken.
‘Wat doen we met de koningin?’ vroeg hij.
‘Telefoneer eerst naar het Sportpaleis om te zeggen dat de koning niet is teruggekeerd en dat ze daar alvast kunnen beginnen.’
Aan de chef van de garage, die meestal wist waar de koning naartoe ging, vroeg de baron een automobiel en zoeklampen. Ondertussen had de Patoul de Grootmeester van het Huis van de Koningin op de hoogte gebracht, graaf Guillaume de Grunne, broer van Xavier. Deze zou op zijn beurt Elisabeth inlichten.
Om 19.50 uur vertrok baron de Dixmude in Laken, samen met twee chauffeurs. Op weg naar Marche-les-Dames dacht hij na over wat hem nu te doen stond. In dit soort aangelegenheden kwam absolute discretie op de allereerste plaats. Hij had aan graaf de Patoul gevraagd wie hij nog op de hoogte kon brengen, en die had hem gezegd: ‘De rijkswachters, ja… Maar niemand anders.’ Baron de Dixmude had er geen idee van of de koning was gaan wandelen of was gaan klimmen. Had hij een ongeluk gehad? Was hij verdwaald? Teruggekeerd met een andere auto? Dat scheen al eerder gebeurd te zijn. Hij besloot alleen de rijkswacht en de boswachters uit de streek op de hoogte te brengen.
Elisabeth reageerde verbaasd, maar was nauwelijks ongerust. Ze kon zich niet voorstellen dat Albert, de ervaren alpinist, een ernstig ongeluk zou hebben gehad in dat kleine massief aan de Maas. Desondanks riep ze meteen baron Carton de Wiart op, die op dat moment in Brussel verbleef, en dokter Nolf, de lijfarts van de koninklijke familie. Deze laatste, die ook wordt genoemd als minnaar van de koningin, lichtte op zijn beurt graaf Xavier de Grunne in.
Nolf en de Grunne vertrokken samen uit Laken. Het was 20.30 uur. Edmond Carton de Wiart, vergezeld van een chauffeur en een kamerheer, had Brussel al een stuk eerder verlaten. Toen hij door Namen reed, bedacht hij ineens dat hij enkele elektrische lampen moest kopen. Later zei zijn dochter Renée-Victoire hierover dat alle winkels al dicht waren, ‘zodat papa voor een zeer hoge prijs zaklampen van particulieren heeft gekocht’.



Van Dycke had de gebroeders Jassogne gevraagd terug te keren naar de ‘coupé-sport’, die was achtergebleven op de Voie Royale. Hij gaf Joseph zelfs de sleutel van de wagen, voor het geval zijn vermiste vriend naar die plek teruggekeerd zou zijn, en een visitekaartje waarop hij zijn adres zorgvuldig had geschrapt en het nummer van het Hôtel de la Gare had genoteerd. De broers Jassogne vonden de wagen vrij snel terug en verwonderden zich over de nummerplaat, die slechts één laag cijfer telde: 38. Van de vermiste klimmer was echter nog altijd geen spoor te bekennen.
Ondertussen had Van Dycke, uitgerust met een elektrische lamp, zijn zoektocht aan de voet van de rotsen voortgezet. Toen hij de nutteloosheid van zijn inspanningen inzag, keerde hij terug naar de herberg van monsieur Haine, waar hij verscheen met modder op zijn broek en een scheur in zijn jas. Hij stelde zich in verbinding met de gemeentelijke telefooncentrale van Boninne. De broers Jassogne waren daar net ook opgedoken. Ze vertelden hem dat er niemand in de buurt van de wagen was geweest. Daarop vroeg Van Dycke hun de sleutel van de auto terug te geven aan een chauffeur die weldra bij het kasteel van Boninne zou arriveren. Van Dycke nam opnieuw telefonisch contact op met Brussel en kreeg te horen dat de hulp reeds onderweg was.
Verslagen keerde de kamerheer terug in de gelagkamer, waar monsieur Haine hem probeerde op te monteren en hem zijn hulp aanbood, en die van zijn buren. Van Dycke bedankte monsieur Haine en verliet de herberg, om aan de voet van de Roche aux Corneilles op de heren uit Brussel te wachten. Hij had evenwel nog een laatste merkwaardige boodschap voor monsieur Haine. ‘Ik heet Van Dycke’, zei hij. ‘Vergeet die naam niet.’
Om 21.00 uur trof baron de Dixmude de kamerheer aan langs de weg naar Namêche, aan de voet van de Rocher du Vieux Bon Dieu. Volgens de baron zou Van Dycke hem daar verteld hebben dat de koning had gepicknickt en daarna ‘enkele oefeningen’ had gedaan, gezekerd met een touw waarvan de kamerheer het uiteinde vasthield – wat compleet in tegenspraak was met verklaringen die achteraf zouden afgelegd worden. Om 15.30 uur zou de koning dan gezegd hebben: ‘Het is droog, de automobiel is ingereden, we zullen er dus minder lang over doen om terug te keren dan om hierheen te komen. Ik ga nog wat oefenen nu, keer maar terug naar de wagen. Ik zie u over een uur terug.’
De koning was verzot op techniek en zijn uitspraak dat ze er minder lang over zouden doen om terug te keren nu de automobiel was ‘ingereden’, was ronduit idioot. Omdat het zou gaan schemeren tijdens de terugrit, zouden ze er eerder langer over doen. Albert kan een dergelijke uitspraak eenvoudig niet gedaan hebben. Ze werd ongetwijfeld ter plekke verzonnen door Van Dycke – die niets wist van auto’s en niet eens kon autorijden – om te verklaren hoe de altijd zo stipte vorst ongetwijfeld te laat zou komen in het Sportpaleis, als hij pas om 16.30 uur uit Marche-les-Dames zou vertrekken.
‘Eerst moet de rotspartij grondig doorzocht worden’, zei baron de Dixmude. Hij stuurde zijn chauffeurs op pad om de hulp in te roepen van de dichtstbijzijnde rijkswachtbrigade – die van Marche, dacht hij, maar in werkelijkheid was het die van Namêche. Hij vroeg de rijkswachters zaklampen mee te brengen, want de lampen die hij vanuit Brussel meegebracht had, bleken bij nader inzien peertjes voor de lichten van een auto te zijn.
Samen met Van Dycke beklom de baron een ravijn, omdat hij dacht dat de koning daar was vertrokken. Waarom hij dat dacht, heeft hij nooit gezegd. Dat was des te vreemder omdat baron de Dixmude achteraf zelf verklaarde dat Van Dycke de plek waar de koning was vertrokken niet meer terug wist te vinden.
Het verslag van baron de Dixmude hangt aan elkaar van dit soort ongerijmdheden. Toen de rijkswachters van de lokale brigade arriveerden, bleken zij de streek onvoldoende te kennen om Van Dycke te helpen bepalen welke rotsen de koning had beklommen. Een van hen ging op zoek naar een boswachter die misschien kon helpen, maar toen die gevonden was, kon Van Dycke hem niet meer details geven dan hij de rijkswachters al had gegeven. Ten slotte gingen ze naar een pad dat door veel alpinisten gebruikt werd bij hun oefeningen. Daar stuurde baron de Dixmude de kamerheer terug naar de auto van de koning, om daar op verdere instructies te wachten. Dit was totaal zinloos. Het betekende ook dat Van Dycke – de enige man die de koning had zien vertrekken! – een uur minder lang kon zoeken. Waarom plaatste baron de Dixmude geen rijkswachter bij de auto? Wilde men de rijkswacht daar misschien nog even uit de buurt hebben?
Het wordt nog gekker, want de plaatselijke historicus Ernest Tonet schrijft in zijn artikel ‘La Vérité sur la mort du Roi Albert Ier’ uit 1977 dat de rijkswachters van de brigade van Namêche werden opgetrommeld door Edmond Carton de Wiart, die zich eerder al in Namen elektrische lampen had aangeschaft. De brigade telde vijf gendarmes: Veckmans, Crépin, Mansu, Thirion en Fissette. Carton de Wiart zou hun verteld hebben dat een vriend van hem verdwaald was of ergens gewond op een rots lag. Thirion was afwezig en Mansu moest de boswachters Wilmet en Bouchat inschakelen. Carton de Wiart nam dus drie rijkswachters mee in zijn Cadillac; waar zijn kamerheer en zijn chauffeur ondertussen bleven, was onduidelijk. Zoals niemand ook leek te weten waar Xavier de Grunne en dokter Nolf ondertussen uithingen. Volgens de verklaring die graaf de Grunne op 18 februari aflegde, kwamen zij om 20.45 uur ter plaatse. In de – onuitgegeven – memoires van Lucien Jacques de Dixmude kwam hij pas om 22.00 uur ‘de automobiel tegen met Xavier de Grunne, professor Nolf en Edmond Carton’. Elders liet baron de Dixmude graaf Carton de Wiart dan weer rechtstreeks uit zijn kasteel van Brumagne komen. Volgens de verklaring die monsieur Haine aflegde aan een verslaggever van Time Magazine, kwam de auto ook pas omstreeks 22.00 uur aan… en waren graaf de Grunne, baron de Dixmude en een dokter de inzittenden…
Om 22.00 uur waren in ieder geval ook Alfred Hennuy en zijn zoon Charles al op zoek naar de koning. Alfred was schepen van Marche-les-Dames en zijn zoon kwam aan de kost als meesterknecht bij de Entreprises Stephenne de Marche. Hij bleef tot aan zijn dood in 2000 volhouden dat hij in de namiddag van 17 februari 1934 een schot had gehoord. Charles en Alfred Hennuy woonden op een paar honderd meter van de plek waar het lijk van koning Albert zou worden gevonden.
Baron de Dixmude was opgelucht toen de Grunne, Nolf en Carton de Wiart eindelijk ter plaatse verschenen, want ‘alle drie kenden ze de omgeving’. Alsof dit voor de rijks- en boswachters, de broers Jassogne en vader en zoon Hennuy niet het geval was!
Xavier de Grunne had hier vaak geklommen met de koning. Onder zijn leiding begaf het gezelschap zich dan ook naar de voet van een rotsspleet die vaak gebruikt werd voor trainingsoefeningen. Bijgelicht door de zaklampen probeerde de Grunne via het ravijn omhoog te klimmen, terwijl de anderen de hellingen aan de voet van de naburige rotsen onderzochten. Daarna stelde baron de Dixmude voor de rest van de omgeving met stokken te laten doorzoeken door mensen die niet konden klimmen.
Volgens Xavier de Grunne duurde het zo lang voor de koning werd gevonden omdat men niet kon beschikken over voldoende sterke lichten. Toch had Carton de Wiart zaklampen meegebracht uit Namen, beschikte opperwachtmeester Crépin over een krachtige carbidlamp en kwam baron de Dixmude uiteindelijk op het ingenieuze idee om de koplampen van de auto’s te demonteren en zo de omgeving te verlichten. De nacht was dus niet zo ‘inktzwart’ als men graag wilde laten geloven.
Tussen 23.00 uur en middernacht kwam men opnieuw samen en liet men Carton de Wiart via de telefoon versterking inroepen van alpinisten uit Namen en Brussel. De zoektocht werd voortgezet in de richting van Namen. Heel af en toe verbrak de kreet van een vogel de doodse stilte. Men volgde de rotsen aan hun basis, trok zich op aan takken en klom langs ravijnen omhoog, om ze daarna weer af te dalen. Graaf de Grunne, de stoutmoedige klimmer, onderzocht systematisch de hoogste platformen. In de wetenschap dat de koning de Rocher aux Corneilles wel meer had beklommen, wilde hij deze rots zijn speciale aandacht geven. Het was een bijzonder risicovolle onderneming en ook daarom kan men zich terecht de vraag stellen waarom hij een levensgevaarlijke beklimming ondernam, om vervolgens slechts half werk af te leveren. Want waarom verzuimde de graaf ook een blik te werpen in het Dievenravijn aan de andere kant van de rots, waar het lijk van de koning een paar uren later gevonden zou worden, rustend op een bed van dorre bladeren?
Met een zaklamp tussen de tanden en bijgelicht door zijn metgezellen, die tot het uiterste gespannen de adem inhielden, doorzocht de Grunne alle hoeken en spleten van de Rocher aux Corneilles. En vond niets. Om middernacht stelde hij voor om vijf van de beste klimmers van de Alpenclub in te schakelen. Hij kon zich niet voorstellen dat de koning andere dan de gebruikelijke oefenrotsen wilde beklimmen, maar die moesten wel stuk voor stuk minutieus onderzocht worden door ervaren klimmers.
Nog een paar uur later dacht Edmond Carton de Wiart eraan kapitein Lucien Jacques de Dixmude te vragen om zoeklichten te halen in de kazerne van de genie in Jambes. De kapitein – toch een militair – had er nog niet bij stilgestaan dat hij ook een beroep kon doen op de soldaten uit de twee kazernes die Namen rijk was.
Carton de Wiart riep iets naar de officier. Hij bevond zich in een kloof die Li Chairotte werd genoemd en die deel uitmaakte van het Dievenravijn. Carton de Wiart was uitgeput, het was twee uur ’s nachts. Baron de Dixmude wilde zich in de richting van Carton begeven… en toen bleef zijn voet vasthaken.
Baron de Dixmude bukte zich, zag een touw. De baron schreeuwde. Hij volgde het touw omhoog en daar lag het lichaam van de koning tegen een stuk steen dat over de rotsspleet lag, met het hoofd naar beneden, de benen gevouwen, zijn linkerarm naar achteren gedraaid boven het hoofd.
Ernest Tonet beschrijft de scène aldus: ‘De koning ligt op zijn rug, de armen vooruit, als om een houvast te grijpen. Er zit aarde op zijn kleren en zijn lichaam is gedeeltelijk bedekt met bladeren. Hij is met het hoofd naar beneden gegleden, vanaf de top van het ravijn, vlak bij het platform, tot aan een rotsblok, waar zich nu het kruis bevindt.’
Baron de Dixmude: ‘Nolf en Carton komen naar mij toe gelopen. De koning heeft een vreselijke wonde aan de rechterachterzijde van zijn hoofd. Zijn hersenen puilen gedeeltelijk uit het gapende gat. Zijn gezicht zit onder de modder, zijn ogen zijn gesloten, zijn mond is half geopend. Een meter hoger ligt een bebloed rotsblok.’
Ernest Tonet: ‘Zeer omzichtig nemen deze mannen het lichaam van de koning op en dalen er het ravijn mee af, tot aan het muurtje waarmee de weg wordt afgebakend en waar ze hun precieuze vracht voorzichtig neerleggen. Het is pas op dit ogenblik dat de gendarmes, de boswachters en de twee burgers de overleden alpinist herkennen.’
Baron de Dixmude: ‘Ik roep Grunne. We brengen het lijk naar beneden. Nadat we zijn touw en riem hebben losgemaakt, neemt Grunne de koning bij de rechterarm, ik bij de linker. We stoppen even op de bodem van het ravijn, langs de kant van de weg.’
Ernest Tonet: ‘Dokter Nolf onderzoekt de verwonding van de koning. Een brede bloedende snee aan de rechterkant van de gebroken schedel. Hij stelt officieel het overlijden vast: de dood moet ogenblikkelijk zijn ingetreden. Koning Albert is dus overleden op 17 februari 1934 tussen 16.00 en 17.00 uur.’
Baron de Dixmude: ‘We laten de automobiel komen. Nolf wil met Grunne instappen, maar ik vraag of ik dat kan doen, aangezien ik van dienst was bij de koning. We moeten wat mensen op de hoogte brengen voordat we vertrekken. Ik vraag aan Carton om dat te doen en me op de hoogte te brengen zodra het gebeurd is, omdat ik niet op het paleis wil aankomen en daar de koningin tegen het lijf wil lopen. Nolf antwoordt dat het paleis groot is, maar ik sta erop en besluit te wachten in Jezus-Eik, mochten we elkaar uit het oog verliezen.’
Ernest Tonet: ‘Het lijk van de soeverein werd in een simpele deken gewikkeld en naar een automobiel van het hof gebracht, waar het tussen kapitein Jacques de Dixmude en de graaf de Grunne in geplaatst wordt. De dodenstoet defileert langzaam voorbij de calvarie van de Oude Goede God, en begeeft zich naar Namen, om vervolgens terug te keren naar het paleis van Laken, nadat men in de stilte van de nacht de slapende dorpen en steden heeft doorkruist, die nog geen weet hebben van het verschrikkelijke drama dat het land en de hele wereld zal verbijsteren.’


Hoe was het mogelijk dat het lijk pas na een zoektocht van negen uur werd gevonden? Baron Lucien Jacques de Dixmude met zijn twee chauffeurs, graaf Xavier de Grunne, professor Pierre Nolf, baron Edmond Carton de Wiart, zijn kamerheer Camille Charlier, zijn chauffeur Hubert Gysemberg, de rijkswachters Veckmans, Crépin en Mansu, Alfred Hennuy en zijn zoon, de boswachters Wilmet en Bouchat, nog een paar buren van monsieur Haine… zij hebben de rotswanden verschillende keren beklommen. ‘De nacht was gevallen’, zei men. ‘Er was te weinig licht. En het valt niet mee zich te bewegen over een helling van 45 graden.’
Hoe was het mogelijk dat Van Dycke de koning niet had zien klimmen, niet had horen vallen en – eventueel – ook niet had horen schreeuwen? Hoe slaagde hij erin het lichaam niet te vinden toen hij samen met de drie broers Jassogne in het Dievenravijn afdaalde?
Pas ruim na middernacht begon men erover na te denken dat iemand die gewond is zich over een bepaalde afstand verder kan slepen, om dan het bewustzijn te verliezen. En als dit niet het geval was en er was iets misgegaan bij de beklimming van Le Vieux Bon Dieu, zoals redelijkerwijze kon worden aangenomen, dan moest hij gevonden worden in een van de twee ravijnen bij de rots. Meer ravijnen waren er daar niet.
Baron de Dixmude struikelde over een touw, wat doet veronderstellen dat de koning zich met een touw had gezekerd. Maar als hij zich had gezekerd, hoe had het dan fout kunnen lopen? En als hij zich niet had gezekerd, waarom had hij dan een touw mee? En hoe komt het dat men dit touw niet eerder ontdekte?
In het proces-verbaal van het parket van Namen stond te lezen dat de koning tijdens zijn val verschillende voorwerpen verloor. Waarom werd er tijdens de zoektochten niets van dit alles gevonden? Dat men zijn pet, zijn riem of zijn bril niet terugvond, was niet zo onwaarschijnlijk. Maar zijn rugzak?
Er zat niet veel meer dan een paar boterhammetjes in de rugzak. Waarom moest de koning die dan meenemen tijdens een beklimming die hooguit een uurtje zou duren?
Hoe moeten we verklaren dat zijn rugzak loskwam van zijn schouders? Dat de riemen afscheurden?
Hoe valt het uit te leggen dat een ervaren alpinist als koning Albert zich vastklampte aan een loszittend rotsblok?
En bovenal: hoe komt het dat alle getuigen alleen maar over een diepe hoofdwond spreken en dat de koning aan zijn val van 12 tot 80 meter diep – de schattingen lopen uiteen – geen andere grote verwondingen heeft overgehouden?
Waarom waren de riemen van zijn rugzak wel afgescheurd en zaten zijn kleren onder de aarde, maar vertoonden de rugzak en de kleren geen grote scheuren en waren ze niet beschadigd?




Geen opmerkingen: