Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

1.6.10

Koksijde: Atlantis lag in Vlaanderen!

Het spook uit de film Mijn Spook van Ten Duinen


Fragment uit Het Bloed van het Lam:

In de aantekeningen van zijn vader vond Dieter Klein een reproductie van een schilderij van Pieter Pourbus, die in 1580 de abdij van Ten Duinen nog had uitgebeeld in al haar grootsheid. Ten Duinen speelde een prominente rol bij de oprichting van de Tempelorde. Ludwig Klein was, geïnspireerd door het Systeem Schliemann, ten zeerste geïnteresseerd geraakt in de geschiedenis van de abdij en in de sagen die de abdij als onderwerp hadden. In 1940, bijna dertig jaar later, vormde de IJzer geen beletsel meer voor de Duitsers om met een detachement geniesoldaten naar Koksijde te trekken.
Toen Pieter Pourbus zijn schilderij maakte, was de abdij van Ten Duinen al grotendeels bedolven onder het zand. In het begin van de negentiende eeuw waren de 22 hectaren van het abdijcomplex totaal verdwenen onder een zandlaag van zeven meter. Steunend op de uitbeelding van Pourbus en denkend aan het succes van Heinrich Schliemann, ging Dieter Klein op zoek naar wat zijn vader wel eens ‘het Vlaamse Pompeï’ had genoemd. Meer dan een halve eeuw later bezocht hij nu samen met de kleindochter van Jacob Christiaenssens de site waar hij in de zomer van 1940 een deel van de abdij had opgegraven. Zelfs nu was nog lang niet alles blootgelegd. Stijgend grondwater en een paar villa’s zorgden voor problemen bij het vrijmaken van de kerk. In het abdijmuseum bewonderde Lena een aantal voorwerpen die sinds 1949 – toen de opgravingen voor het eerst door professionele Vlaamse archeologen werden aangepakt – aan het licht gekomen waren.
‘Eén van de meest intrigerende vondsten die wij in de zomer van ‘40 hebben gedaan, was een ware necropolis,’ vertelde Dieter Klein, terwijl ze door het grote park wandelden dat in feite een waar openluchtmuseum was. Hij wees haar een plek aan te midden van de opgegraven ruïnes van de oude abdij. ‘Hier hebben we tientallen skeletten aangetroffen. Dit gigantische kerkhof dateerde uit de zesde eeuw, wat toch wel merkwaardig mag worden geheten, als je weet dat de benedictijn Ligerius pas in 1107 vanuit Frankrijk naar de Vlaamse kustvlakte kwam, om daar een plek uit te zoeken die geschikt was voor een klooster. Het land was overstroomd, water en wind maakten de bouw van een abdij onmogelijk. Maar enkele decennia later, na een aansluiting bij de orde van de cisterciënzers, en met de steun van Bernard van Clairvaux, Diederik van den Elzas en zijn echtgenote Sybilla, werd er dan toch een echte kloostergemeenschap gesticht. Ze zou in recordtempo uitgroeien tot een van de belangrijkste van heel West-Europa.’
‘Waarom wilden die monniken precies hier hun abdij bouwen?’ vroeg Lena. ‘Op zo’n woeste en verlaten plek? En ze moeten hier toch ook sporen aangetroffen hebben van die dodenstad! Konden ze dan echt geen betere plek vinden?’
‘Nee,’ zei Klein. ‘Precies om die redenen moesten ze hier zijn… Vanwege die necropool en omdat het hier zo desolaat was… Met de begraafplaats was namelijk iets heel bijzonders aan de hand. De eerste skeletten vonden we in een bouwsel dat eruit zag als een put. De brede stenen rand en een met gaten doorboord deksel deden denken aan een voormalig waterbekken. Het was ongeveer zo groot als een volwassen man en het bood net genoeg ruimte om erin af te dalen. Het hoofd van sommige geraamten rustte op een kruidenkussen, dat duidelijk met zorg was uitgekozen. Op de borst van andere skeletten lag een eenvoudige schelp, aan het uiteinde van een snoer dat ondertussen verdwenen was. In de achterkant van sommige schedels ten slotte zat een rond gat, telkens met een diameter van ongeveer 2,5 centimeter. Er was geen twijfel mogelijk: hun schedels waren doorboord!’
Schedelboring had in de Oudheid en vooral in Egypte niets te maken met een geneeskundige techniek, legde Dieter Klein uit. Het was een rituele ingreep die op het achterhoofdsbeen werd uitgevoerd en waarbij men de pijnappelklier probeerde los te maken. De pijnappelklier werd immers verantwoordelijk geacht voor bepaalde paranormale verschijnselen. Werd ze losgemaakt, dan kon men ze makkelijker in contact brengen met geestesverruimende stoffen zoals artemesia of Sint Janskruid. Als een dergelijke schedelboring door ervaren handen werd uitgevoerd, was ze niet alleen ongevaarlijk, maar ook volstrekt pijnloos.
‘In één van de graven vonden we het goedbewaarde karkas van een everzwijn,’ zei Klein. ‘Het lag in een graf dat zich in niets onderscheidde van alle andere graven. Wat had de aanwezigheid te betekenen van dit dierlijke skelet in een graf dat bestemd was om een menselijk geraamte te herbergen? Onze verbijstering werd nog groter, toen we merkten dat de doodgraver het dier met zorg op de linkerzijde had gelegd, met de snuit in de richting van de ondergaande zon. Dat was de karakteristieke positie waarin ook de menselijke doden waren neergelegd en waarin de dolmens en de menhirs werden aangetroffen. Die bijzonder schikking – midzomerwende, midwinterwende, volgens de as van de zonnestanden – leek erop te wijzen dat we met een Keltische begraafplaats te maken hadden. Bovendien kwamen de antropologen van Ahnenerbe na onderzoek van de schedels tot de conclusie dat ze hadden toebehoord aan een volk dat elke vermenging met andere volkeren – Latijnse of Germaanse – had afgewezen.’
‘Een clan van onverzettelijke Galliërs dus? De begraafplaats bij het dorp van Asterix en Obelix?’
Dieter Klein keek Lena onbegrijpend aan.
‘Sorry,’ zei ze. ‘Dat is iets van na jouw tijd…’
Ze vergat nog al te vaak dat Dieter Klein een man was die uit een ander tijdperk en een andere wereld kwam, die nooit de hare zouden worden.
‘Latijnse kroniekschrijvers vermelden dat de druïden die moesten wijken voor de Romeinse goden, zich lange tijd schuilhielden op de ontoegankelijke eilanden van de Menapiërs,’ ging Dieter Klein verder. ‘Daarna staken ze het Kanaal over om zich in Groot-Brittannië te vestigen. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor onze vreemde vondst in de duinen van Koksijde. Het wilde zwijn voedde zich immers met de vruchten van de eik, de gewijde boom waaronder de druïden hun onderricht gaven. Waarschijnlijk is de dodenstad waarop later de abdij van Ten Duinen werd gebouwd een van de laatste initiatiecentra voor druïden op het Europese vasteland geweest… en daar waren de Tempeliers heel goed van op de hoogte.’
Gedurende de volgende eeuwen verrichtten honderden biddende en werkende monniken en lekenbroeders een onnoemelijk groot karwei met het droogleggen en ontginnen van de Vlaamse kuststreek. Een twintigtal uitgestrekte landbouwbedrijven gingen tot de eigendommen van de abdij behoren. De wereldreiziger Guicciardini was vol lof over de abdijbibliotheek; onder de monniken bevonden zich heel wat geleerde geesten van wie er een aantal hoogleraar werden in Parijs. Maar in 1566 werd de abdij geplunderd door beeldenstormers en kort daarop landden de Watergeuzen op de kust.
‘Wat er nog van het klooster overbleef, werd geheel verwoest. Sommige monniken vluchtten naar Brugge – samen met hun rijkdommen en hun dikke boeken boordevol eeuwenoude geheime wijsheid. Bepaalde van hun schatten konden ze echter niet meer in Brugge in veiligheid brengen, en die zouden in de buurt van de abdij verloren gegaan zijn.’
Na de doortocht van de Watergeuzen bleef de abdij verlaten aan de rand van de duinen staan, omdat de monniken in deze onzekere tijden niet naar het klooster durfden terug te keren. De ruïnes verzonken in zand en zee. Daken stortten in, muren brokkelden af, puin werd weggespoeld. De boeren uit de omtrek vertelden dat hun ploegpaarden op sommige plaatsen voorzichtiger stapten, omdat ze een holle klank onder hun hoeven hoorden.
‘We hebben op de terreinen van de abdij nog gedeeltelijk ingestorte onderaardse gangen gevonden, waarvan we dachten dat ze dwars door de Kartuizerduinen naar de abdijhoeve Ten Bogaerde, een van de vele uithoven van de abdij, in Koksijde liepen. Aan het duin de Hoge Blekker en bij Sint Idesbald hebben we muren blootgelegd. De oorlogsomstandigheden hebben me belet verder onderzoek te doen en de wind heeft spoedig alles weer toegedekt met zand. Zo ben ik er nooit achter gekomen welke schatten er nog verborgen liggen in het net van onderaardse gangen dat vertrekt vanuit Ten Duinen.’

Lena bezocht, met Dieter Klein zwaar steunend op haar arm, het prachtige complex van de abdijhoeve Ten Bogaerde. Er was nu een landbouwschool gevestigd. Langs de oprijlaan lag de potvis begraven die daar enkele jaren voordien op Valentijnsdag was aangespoeld. De toegangspoort, de kapel, het zeventiende eeuwse abtshuis en de indrukwekkende monumentale schuur uit de dertiende eeuw waren schitterend bewaard gebleven.
‘Hier rukten de koeien onrustig aan hun kettingen en sloegen de paarden zenuwachtig met hun hoeven tegen de staldeuren. Soms, zo fluisterde men, kon je heel in de verte klokgelui horen dat uit de zee leek op te stijgen, boven het rumoer van de branding uit. Tijdens maanloze nachten zwierven aarzelende lichten langs de hellingen. Op de poort van een schuur bij de patershoeve had iemand ooit raadselachtige figuren in het hout gekerfd. Niemand kon precies vertellen wat ze betekenden of zelfs wat ze voorstelden. Ik meende een pelikaan te herkennen. De tekens hielden een waarschuwing in, zei men.’
‘Een waarschuwing waarvoor?’
‘Dat de nachten op Ten Bogaerde gevaarlijk waren. Dat niemand hier ooit rustig zou dromen. De gebruikelijke bijgelovige nonsens.’
Een oude rattenvanger die met zijn blinde hond van boerderij tot boerderij trok, vond die mysterieuze hiëroflyfen niets om zich zorgen over te maken. Hij had wel vreemdere dingen gezien en strekte zich dan ook rustig uit op het hooi van de schuur, om daar de nacht door te brengen. Omstreeks twaalf uur werd hij gewekt door zijn hond, die klaaglijk jankte. Het dier had de kop naar de deur gewend, zijn haren stonden recht overeind. De deur kriepte open en een gedaante in een witte mantel en met een bloedrood kruis op de schouder kwam de schuur binnen, het gezicht verborgen in de schaduw van een monnikskap. Zonder op of om te kijken, liep de schim naar een hoek van de schuur. In het flauwe licht van de maan zag de rattenvanger hoe de Tempelier een steen uit de muur lichtte. Daarop hoorde hij geldstukken rinkelen. Hij richtte zich op om te vragen wat de gedaante hier kwam uitspoken, maar op hetzelfde ogenblik loste ze als in rook op. De volgende morgen vond de rattenvanger achter de losse steen in de muur een bijna volkomen doorgeroest ijzeren kistje. En in dat kistje: een schat, bestaande uit gouden carolussen.
‘Zomaar een sage?’ vroeg Dieter Klein zich hardop af. ‘Of een verwrongen echo van wat ooit werkelijk is gebeurd?’

Ten Duinen (tekst: Patrick Bernauw / muziek & zang: Fernand Bernauw / clip: Mario Boon)



Geen opmerkingen: