Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

14.7.06

Jalhay-Xhoffrai: Het Kruis der Verliefden

 



Frank en Ilse gingen op huwelijksreis naar het schilderachtige dorpje Jalhay in de Hoge Venen, waar ze hun intrek zouden nemen in het hotelletje van monsieur Henri en madame Fleur. Ze verlieten Brussel onder een grauwe winterlucht, waaruit volgens de weerberichten op de radio sneeuw zou vallen. Véél sneeuw zelfs. Maar dat vonden ze niet erg.
Omstreeks de middag, toen ze de autoweg al verlaten hadden, stak de wind op. Korte tijd later begon het ook echt te sneeuwen: dikke, wollige vlokken. Het sneeuwde nog toen ze het grondgebied van Jalhay bereikten.
Het hotelletje telde slechts een beperkt aantal gasten; buiten Frank en Ilse verbleven er alleen een bejaard Duits echtpaar en een jong Belgisch koppel met een baby. Die zouden de volgende dag echter al naar huis terugkeren. Dat kleine aantal gasten paste wonderwel bij de sfeer die het hotelletje uitademde. Door de verweerde, in de gevel ingewerkte eiken balken en de antieke meubels had Les Biolettes het karakter van behouden van een oude herberg.
Na het avondmaal, bij de koffie voor Ilse en de pousse-café voor Frank, kwamen monsieur Henri en madame Fleur bij hun gasten in de gezellige eetzaal zitten, die nog met recht en reden een 'gelagkamer' genoemd mocht worden. Op de radio werd gemeld dat het verkeer op de weg Eupen-Malmédy sterk belemmerd werd door de hevige sneeuwval. De wind rukte aan de pannen van het oude huis en floot onheilspellend door spleten en kieren. Uit de grauwe lucht dwarrelden ontelbare witte vlokken schuin naar beneden, opgejaagd door de wind. Ze vormden een zacht tapijt op de grond, dat een beetje zou kraken als je erover liep.
'Sneeuw, ijs, stormvlagen...' mompelde monsieur Henri, terwijl hij bedachtzaam zijn pijp stopte. 'Het herinnert me telkens weer aan die trieste geschiedenis van Grenspaal 151.' Genietend trok hij het vuur in zijn pijp, waarna hij met korte tussenpozen blauwachtige wolkjes uitblies. 'Mijn grootvader vertelde me het verhaal op een avond die erg veel leek op deze avond... Het was in de maand januari en buiten woedde een sneeuwstorm, maar hier in de gelagkamer van Les Biolettes was het behaaglijk warm.'
Omdat hij gehuwd was met een meisje uit Hasselt, sprak monsieur Henri een aardig mondje Nederlands, zij het wel met een grappig accent. Het hotelletje was al enkele generaties lang in de handen van zijn familie.
'Les Biolettes was de enige herberg van Jalhay in het jaar 1871, wanneer het verhaal zich afspeelt. En mijn grootvader was toen nog slechts een knaap... Tussen Eupen en Malmédy liep alleen een nauwelijks verharde weg, die vaak helemaal dicht zat. De Hoge Venen vormden een onherbergzame streek, geregeerd door de onvoorspelbare natuurelementen. In de winter werden de enkele kleine dorpjes hier soms voor een hele tijd volkomen van de buitenwereld afgesloten. Het leek wel alsof de harde levens-omstandigheden van die dagen de huisjes van Xhoffrai, Hollaux, Solwaster, Hochai of Jalhay dichter bij elkaar hadden gedrongen, alsof ze net als mensen in elkaars warme nabijheid beschutting hoopten te vinden.'

Op een avond als deze, vertelde monsieur Henri, kwam de burgemeester de herberg binnen vallen. Hij was vergezeld van de veldwachter en een paar boeren. Op hun lange warme jassen waren sneeuwvlokken vastgevroren, die pas na een tijdje zouden gaan smelten. Hun opgekrulde snorren waren veranderd in ijspegels.
De laatste trok de deur dicht, waarna ze met z'n allen bibberend en bevend rond de gloeiende kachel gingen staan.
'We moeten gaan zoeken, Jean,' zei de burgemeester tot de overgrootvader van monsieur Henri. 'Ze zijn niet aangekomen. Ik heb vanmorgen een telegram gestuurd naar de burgemeester van Xhoffrai, en ik heb daarnet antwoord gekregen...'
De vorige middag hadden François Reiff uit Bastogne en Marie-Josèphe Solheid uit Xhoffrai het dorp verlaten. Ze wilden over de verraderlijke en besneeuwde hoogvlakte tussen Jalhay en Xhoffrai naar de geboorteplaats van het meisje trekken. Daar wensten ze de nodige formaliteiten te vervullen om in het huwelijk te treden.
De overgrootvader van monsieur Henri en de burgemeester hadden hen gewaarschuwd. Zelfs in de zomer, als de sneeuw de wegen niet onzichtbaar maakte of de onberekenbare vennen niet had bedolven, kon men nog makkelijk verdwalen in de Hoge Venen. Nu alle punten waarop men zich kon oriënteren door een witte vacht werden bedekt, was het een méér dan riskante onderneming. Maar de twee jongelui wilden niet luisteren.
'Ik kén de Venen toch?' zei Marie-Josèphe. Zij was een opgewekt meisje dat als dienstmeid werkte in een naburig dorp. 'Ik heb er vaak met mijn vriendinnen gespeeld. De moerassen hebben geen geheimen voor mij.'
François Reiff verliet zich geheel op zijn knappe verloofde. Hij was een vriendelijke jongeman die als arbeider aan de stuwdam op de Gileppe werkte, die pas in 1876 voltooid zou worden. François was afkomstig uit Bastogne en had sinds 1869, toen de werken begonnen, in een werkkamp gewoond. Toen hij zich met Marie-Josèphe verloofde, had hij een kamer gevonden in Les Biolettes, zodat hij zijn vriendin makkelijker kon opzoeken in het naburige Xhoffrai, dat in die dagen niet eens een herberg bezat. Als het weer goed was, kon hij Xhoffrai te voet in minder dan geen tijd bereiken; als het mistig bleef of als het sneeuwde, kon je beter niet de deur uit gaan.
François kende de streek niet goed genoeg om zich echt bewust te zijn van de gevaren die aan zo'n winterse tocht verbonden waren. Zijn enige ervaringen met de Hoge Venen beperkten zich tot zijn tochten van Jalhay naar Xhoffrai of naar de stuwdam. Tot dusver had hij steeds op goed weer kunnen rekenen. Voor de tochten naar de Gileppe kon hij bovendien gebruik maken van goed begaanbare wegen, die door boeren waren gebaand.
François en Marie-Josèphe waren nog maar net vertrokken, of de sneeuwval begon zwaarder te worden. Er stak een door merg en been dringende, ijskoude bries op. Diep in hun mantels gedoken, werden ze opgenomen in het sneeuwgordijn dat over de eindeloze, kille vlakte van de Hoge Venen lag...
Enkele minuten nadat het groepje van de burgemeester in Les Biolettes binnen was gevallen, vertrok het alweer. Een ervaren gids - een schaapherder die de gevaarlijke plekken kende als zijn broekzak - liep voorop. De overgrootvader van monsieur Henri had zich bij de redders aangesloten en ging samen met hen op zoek naar een spoor van François en Marie-Josèphe, die daar misschien nog ergens voor hun leven vochten.
De avond viel. De wind joeg op witte vlokken, die als bij een puzzel plotseling de vorm konden aannemen van iets bekends, iets warms, iets tastbaars. Maar het waren slechts schimmen die telkens weer uiteengerafeld of verscheurd werden. Alleen die kille leegte bleef achter, en het razende gehuil van de storm.
Pas omstreeks middernacht keerden de redders terug. De korst ijs die de hoogvlakte bedekte, was te onbetrouwbaar geworden. Ze konden geen hand meer voor de ogen zien. De storm had de paden onvindbaar gemaakt; het viel niet meer uit te maken waar zich onder het ijs moerassen of vennen bevonden.
Pas in maart werd de hoogvlakte tussen Jalhay en Xhoffrai weer begaanbaar. De sneeuw smolt en de Hoge Venen gaven hun winterse geheimen prijs. Een paar kilometer van elkaar hadden daar al die tijd twee in elkaar gedoken, nietige figuurtjes gelegen. Ingesluimerd, leek het wel. Tot op dat ogenblik waren ze gekleed geweest in een smetteloos witte mantel, in een kil bruidskleed. De kou had standbeelden gemaakt van François Reiff en Marie-Josèphe Solheid, voor altijd verstijfd in een laatste, onvoltooid gebleven gebaar.
'De vriesdood,' zou de overgrootvader van monsieur Henri later tot diens grootvader zeggen, 'is mooi en pijnloos, beweert men... Eerst word je slaperig en moe... Het is alsof je gaat zweven, maar tegelijk worden je benen zo zwaar als lood. Het bloed stolt in je aderen. Je huid wordt gevoelloos. Terwijl je bevriest, krijg je het vreemd genoeg warm. Ten slotte sluit je de ogen en het volgende ogenblik ben je er al niet meer...'
François en Marie-Josèphe hadden nog niet eens de helft van de afstand afgelegd die Jalhay van Xhoffrai scheidde, toen de fatale loomheid het meisje al te pakken kreeg. Ze bezweek vlak bij Grenspaal 151, die van 1815 tot 1918 de grens aanduidde tussen België en Pruisen. Als Marie-Josèphe die paal had opgemerkt, zouden zij wellicht nog gered zijn. François kende de betekenis van Grenspaal 151 niet, maar Marie Josèphe wist net als iedereen uit de streek dat die paal aan de rand van de Vekee stond - het middeleeuws pad dat een kilometer verderop de weg Eupen-Malmédy kruiste. Op dat kruispunt stond de toen onbewoonde Baraque Michel, een schuilplaats voor reizigers die door mist of onweer werden verrast en die gebouwd werd door een zekere Michel. De Baraque Michel bezat een klok, waarvan het gelui Jalhay of Xhoffrai kon bereiken.
Maar net vóór Grenspaal 151 waren de zwaar geworden oogleden van Marie-Josèphe voorgoed dichtgevallen. Ze was er in ieder geval niet meer in geslaagd de Baraque Michel te bereiken om de klok te luiden, ten teken dat ze in moeilijkheden verkeerden. De klok was stom gebleven; in het schuiloord hadden de speurders niemand aangetroffen.
'Grenspaal 151,' mijmerde monsieur Henri, zoals zijn grootvader en diens vader het vóór hem hadden gedaan. 'Het verschil tussen leven en dood... De grens is vaak vaag, soms zelfs onzichtbaar...'
François liet een briefje achter op het lichaam van zijn overleden geliefde - een laatste teken van leven, met verstijfde vingers en een stompje potlood op een papiertje gekrabbeld: 'Marie is gestorven en met mij zal hetzelfde gebeuren.' Toen strompelde hij eenzaam verder, tot de kou ook hem slaperig maakte en hij in de sneeuw neerzonk om even uit te rusten. Een rustpauze waaraan nooit een einde kwam...
'Op een kleine afstand van Grenspaal 151 werd ter nagedachtenis van de twee omgekomen jongelui een kruis neergezet,' besloot monsieur Henri zijn verhaal. 'Het staat op de plek waar Marie-Josèphe werd gevonden en het wordt het Kruis der Verliefden genoemd. De Grenspaal bestaat nu niet meer, maar dat kruis herinnert ons allemaal nog aan de gevaren van de Hoge Venen, die we ook nu niet mogen onderschatten... De bodem is hier nog altijd drassig; de moerassen zuigen je in een handomdraai helemaal op... De vennen zijn hier nog altijd met mos bedekt en de mist komt nog steeds plotseling en geheel onverwacht opzetten... Marie-Josèphe Solheid en François Reiff, gestorven in de sneeuw van januari 1871, staat er in het Kruis der Verliefden gegrift...'

De volgende ochtend bleek de sneeuwstorm geluwd te zijn. Het dorp was bedekt met een glinsterend suikerlaagje.
'Als we dat Kruis der Verliefden eens met een bezoekje gingen vereren?' stelde Frank voor. 'Het ziet er niet naar uit dat het vandaag nog zal gaan sneeuwen en het is al lang geen 1871 meer.'
'Maar romantisch ben je wel gebleven,' glimlachte Ilse.
Die namiddag hadden ze nog maar net de Vekee bereikt, of de lucht betrok al aanmerkelijk. Nauwelijks tien minuten later daalden alweer de eerste vlokken aarzelend uit de grijze hemel neer, af en toe opgedreven door een felle windstoot.
'Laten we teruggaan,' stelde Ilse voor.
'Het zou zonde zijn als we het nu opgaven,' vond Frank. 'We moeten er bíjna zijn.'
Het witte tapijt kraakte onder zijn voeten. Op de vennen was een dunne ijslaag gestold en daarboven lag dan weer een dikke laag sneeuw. Alleen op diepere putten waaruit het water winter en zomer te voorschijn kwam, had de kou nog geen vat gekregen. Daar zonken nu ook de eerste sneeuwvlokken in weg.
'Ik heb het koud,' zeurde Ilse. 'We kunnen hier toch best een andere keer eens terugkomen?'
Frank keek op zijn stafkaart. 'Nog een paar honderd meter.'
'Hoe kun je nu op die stafkaart afgaan, als de paden al helemaal uitgewist zijn?'
'We bevinden ons nog altijd op de Vekee, daar is geen twijfel aan. Er dreigt nog lang geen gevaar, Ilse. Vertrouw me toch!'
Als om zijn geruststellende woorden te logenstraffen, begon het zo mogelijk nog harder te sneeuwen. Kraaien vlogen krassend op uit kale, verweerde bomen, scheerden rakelings over hun hoofd en verkleinden dan tot zwarte stippen die hoog in de lucht onregelmatige cirkels beschreven.
Ze liepen nog een minuut of vijf verder, tot Frank halt hield om zijn kaart nogmaals te bestuderen. Wat hij om zich heen zag, klopte al lang niet meer met wat de kaart hem vertelde. Het begon overigens ook al donker te worden. Waren ze dan al zó lang onderweg!?
Vlokken wervelden voor zijn ogen, losten in een spookachtige rondedans op in het niets. De schemering verdoezelde de omtrekken van de schaarse bomen en de sneeuw verdichtte zich tot grillige figuren, die plotseling een vaag bekende vorm aannamen. Dode stronken strekten hun takken uit naar de loodzware wolken en kregen iets menselijks; de takken werden armen, uitgestoken in een wanhopig gebaar. Fata morgana's, geboren uit koude en sneeuw.
'We zijn verdwaald,' zuchtte Ilse, en ze ging op de grond zitten.
'Gek geworden!?' riep Frank uit. 'Sta op! We moeten in beweging blijven, anders vriezen we dood! Heb je monsieur Henri dan niet gehoord?'
Ilse sprong geschrokken op.
'We keren terug,' zei Frank.
De vraag was alleen welk pad terug naar Jalhay leidde. Zijn stafkaart was van geen nut meer. De paden leken als in de vlakte opgelost en door de dichte sneeuwval zagen ze geen hand voor de ogen. Hun voetsporen werden achter hen uitgewist door de grote witte vlokken die onafgebroken bleven neerdwarrelen.
'We hadden broodkruimeltjes moeten strooien, zoals Hansje en Grietje,' trachtte Frank een grapje te maken, maar Ilse kon er niet om lachen.
Ze hadden zich omgedraaid en liepen nu in de tegenovergestelde richting waar - zo hoopte Frank - Jalhay op hen wachtte, en de heerlijk warme gelagkamer van Les Biolettes.
'Pas op!' gilde Ilse.
Het dunne ijsvlies onder Franks voeten brak krakend open...
'Ik kan niet meer,' fluisterde Ilse.
Ze zaten naast elkaar op een boomstronk. Het sneeuwde nog steeds en het was nu haast helemaal donker geworden. Frank had zijn arm beschermend om haar heen geslagen en keek haar ongelukkig aan.
'Ik ben zo moe, Frank...'
Bijna had hij in een put getrapt. Door het ijs zou hij gevallen zijn, in het vrieskoude, donkere water dat roerloos op hem wachtte. In deze barre weersomstandigheden betekende dat een gewisse vriesdood. Temeer omdat hij nu wel moést bekennen dat ze reddeloos verdwaald waren.
'We moeten verder,' zei hij zo kranig mogelijk. 'Hier bij de pakken blijven zitten, lost zeker niets op.'
'Ga jij dan alleen verder.'
'Nee Ilse. Ik laat je niet achter.'
'Ze zullen ons toch wel komen zoeken?'
'Natuurlijk!'
Al was Frank daar, in gedachten, lang niet zo zeker van. Waar moesten de hulpdiensten begínnen zoeken? Niemand wist waar ze heen getrokken waren, zelfs monsieur Henri niet. En hoé vond je in godsnaam iemand terug in deze barre woestenij? Stemmen gingen verloren in de wind; het duister en de jagende sneeuw verhinderden je verder dan een paar passen voor je uit te kijken.
'Kom,' zei hij. 'Sta op.'
'Nee!' antwoordde Ilse koppig.
'Als je blijft zitten, vries je dood.'
'Dan vries ik maar dood! Zo lang jij met je dwaze ideeën me maar met rust laat!'
Hadden François en Marie-Josèphe ook op deze manier ruzie gemaakt, voor de Hoge Venen hen voor eeuwig het zwijgen oplegden? Frank stampvoette; van machteloze woede, maar ook om het een beetje warm te krijgen. Hij voelde zich verkild tot op het bot.
Ilse keek naar hem op. Ze zag er maar bleekjes uit, vond hij. Een voorteken van de vriesdood?
'Ga jij alleen verder, Frank,' smeekte ze. 'Ga hulp halen voor ons beiden.'
Okee, Ilse! Prachtig, Ilse! Onmiddellijk, Ilse! Maar vertel jij me dan eerst wààr ik hulp moet halen.
'Ik denk er niet aan,' zei hij stoer, en hij pakte haar bij de schouders beet en sleurde haar overeind, zette haar als een étalagepop op haar benen. 'Als François en Marie-Josèphe bij elkaar waren gebleven, hadden ze het misschien nog gehaald.'
Maar Ilse leek hem al lang niet meer te horen. Ze had haar ogen gesloten. Frank begon te klappertanden. De kou beet in zijn huid en bevroor zijn botten. Zijn gewrichten werden stram en stijf als scharnieren die dringend gesmeerd moesten worden. Hij sloeg haar linkerarm om zijn schouders, greep haar hand met zijn linkerhand vast en legde zijn rechterarm om haar middel. Zo zetten ze zich moeizaam strompelend in beweging.
De wind rukte woedend aan hun kleren en de sneeuw sloeg meedogenloos in hun gezicht, als om hen terug te drijven naar waar ze vandaan gekomen waren. Haar rechterarm bungelde slap langs haar lichaam. Frank voelde zijn krachten langzaam afnemen. Een loden vermoeidheid steeg langs zijn benen omhoog, drukte als een blok op zijn borst en leek zich als een prop watten in zijn hoofd te nestelen. Zijn ogen dreigden om de haverklap dicht te vallen, maar hij vocht uit alle macht tegen de slaperigheid. Vooral tegen dit gevoel moest hij zich verzetten, want hij wist dat inslapen het begin van het einde zou betekenen.
Frank trachtte helder van geest te blijven. Na te denken, terwijl hij in beweging bleef. Slag van Waterloo? Achttienhonderd vijftien. Stap vooruit. Vierkantswortel van honderd vierenveertig? Twaalf. Stap vooruit. Twààlf? Stap vooruit. Hoe bereken je de omtrek van een cirkel? Stap vooruit. Hoe laat is het? Polshorloge stilgevallen om halfdrie, stap vooruit.
Frank bleef bruusk staan, luisterend naar zijn stemgeluid dat door het sneeuwgordijn gedempt scheen te worden. Waarschijnlijk droeg de klank van zijn stem niet verder dan een paar meter. Ilse die automatisch zijn passen volgde, deed nog een volgende stap, kwam vervaarlijk voorover te hangen en verloor bijna het evenwicht. Frank slaagde er evenwel in haar op de been te houden.
Toen rees voor hem in de sneeuwjacht een langwerpig, stomp voorwerp op uit de korstige grond. Hij knipperde verdwaasd met de ogen...
Een paal... Een betonnen pààl!
... deed een stap naderbij en zag dat er een nummer op de paal stond.
Honderd éénenvijftig.
Onmogelijk. Hij trachtte zich woordelijk te herinneren wat monsieur Henri over Grenspaal 151 gezegd had... duidde van 1815 tot 1918 de grens aan tussen België en Pruisen... als Marie-Josèphe hem opgemerkt had, zouden zij wellicht nog gered zijn... François kende de betkeenis van Grenspaal 151 niet, maar Marie-Josèphe wist dat die paal aan de rand van de Vekee stond...
Frank deed nog een stap vooruit en stak toen zijn vrije hand uit naar de paal. Hij raakte de paal aan, trok zijn handschoen uit en streek met zijn blote hand de sneeuwkorst van de afgeronde kop, die net tot schouderhoogte reikte. Zacht streelde hij het massieve, glad betonnen oppervlak. Geen twijfel mogelijk. Deze paal was écht!
'Grenspaal 151,' fluisterde hij verbaasd.
... duidde van 1815 tot 1918 de grens aan...
Droomde hij of...?
'Hé Ilse!' gilde hij, terwijl hij zijn hart van louter vreugde en opwinding een slag voelde missen. 'Hé Ilse! Word wakker!' Ze reageerde niet; hij sloeg haar met zijn vrije, blote hand in het gezicht. 'We zijn gered!' Ilse opende traag haar ogen en keek hem onbegrijpend aan. 'Grenspaal 151!' schreeuwde hij.
Haar lichtblauwe lippen openden zich. 'Rusten,' mompelde ze zwakjes. 'Laat me rusten... Met rust...'
'Okee,' ratelde hij zenuwachtig. 'Vijf minuten, geen minuut langer. We zijn nu tóch gered! Monsieur Henri's herinneringen zullen wel een beetje verward geworden zijn! Die grenspaal staat er nog altijd, ik weet de weg nu! Rust maar even uit, Ilse! Daarna kunnen we aan het allerlaatste deel van onze tocht beginnen!'
Hij liet haar slappe lichaam voorzichtig op de grond zakken. Toen ging hij naast haar zitten, nam haar in zijn armen en wiegde haar als een baby.
'Gered,' murmelde hij. 'Grenspaal 151... Gered!'
Het deed hem goed, die rustpauze. Zijn vermoeide spieren ontspanden zich. De krampen verminderden. Hij voelde zijn benen haast niet meer, maar dat betekende ook dat de pijn verdwenen was. Zijn hoofd was een zware, harde bol die op zijn romp heen en weer tolde. En hij kreeg het warm. Het was goed zo. Met Ilse in zijn armen, rustend, doezelend. Dicht bij elkaar, warm ingepakt. Moe, doodmoe... maar gelukkig... Want ze waren gered... Paal 151...
Zijn ogen vielen dicht, maar dat merkte hij niet eens meer.

Frank schrok op uit een onrustige sluimer. Waar was hij? Wie of wat had hem gewekt? Had hij dan geslapen? Levensgevaarlijk, in dit weertje... Al zijn spieren, al zijn botten deden pijn...
Frank probeerde na te denken, maar zijn gedachten leken van rubber. Ze kaatsten heen en weer tussen de wanden van zijn hoofd en vluchtten van hem weg, alsof hij een besmettelijke ziekte had.
Grenspaal 151...
Natuurlijk! Ze hadden Grenspaal 151 bereikt! Ze waren gered!
En toen? Wat was er daarna gebeurd? Was hij ingeslapen? Wie had hem dan gered van de vriesdood?
Hij keek om zich heen. Niemand. Vriesvlokken en duisternis, dat was al.
Al!? En Grenspaal 151 dan?
Hij stond stram op, stak zijn handen uit, zocht radeloos naar een spoor van de stompe betonnen paal die zo ongenaakbaar uit de bevroren grond was opgerezen. Als een baken, een wegwijzer, een vuurtoren in de nacht.
Maar er was niets. Had hij dan gedroomd? Was hij stomweg ingesluimerd en had hij toen gedroomd dat hij Grenspaal 151 had gezien?
Frank draaide zich om. Liep weg van het roerloos in de sneeuw liggende lichaam van Ilse. Geen grenspaal te zien. Hier niet, daar niet, nergens.
Toen hij zich naar Ilse omdraaide, schrok hij behoorlijk. Daar, bij de in de sneeuw liggende jonge vrouw, uit het niets opgedoken op de plek waar die verdomde paal had horen te staan, hurkte een gedaante, die zich nu naar hem omdraaide, zich oprichtte en hem pal in de ogen keek.
Het was een jongeman. 'Dag Frank,' zei hij.
'Hallo,' stamelde Frank verward, en hij wilde er nog iets aan toevoegen over een paal die er daarnet nog was en nu niet meer en of de vreemdeling soms iets met die verdwijning te maken had - maar hij hield wijselijk zijn mond.
De jongeman boog zich opnieuw over Ilse heen. 'Help je me even?' Hij hield een drinkbus in zijn handen, zag Frank. 'We moeten ervoor zorgen dat ze weer warm wordt.'
Frank tilde het hoofd van Ilse op en de jongeman goot enkele druppels water uit de drinkbus tussen haar kleurloze lippen. 'Een probaat middeltje om de levensgeesten weer op te wekken,' zei hij. 'Je zult wel zien.'
Ilse verslikte zich, kuchte, begon te hoesten, ging met een ruk rechtop zitten en opende haar ogen. 'Waar ben ik?' vroeg ze flauwtjes.
'Op de grens,' zei de jongeman.
'Terug,' zei een stem, die achter Frank vandaan kwam.
Frank draaide zich om en stond oog in oog met een jongedame, die hem opgewekt toelachte en hem een drinkbus aanbood - net dezelfde als die van de jongeman, merkte hij.
'Hier,' zei ze. 'Drink. Je hebt het al even hard nodig als Ilse.'
'Hoe kennen jullie onze namen?' vroeg Frank verbouwereerd, terwijl hij de drinkbus aannam. 'Komen jullie soms uit Jalhay?'
De jongedame knikte en Frank dronk. Het smaakte naar cognac. Een behaaglijke warmte nestelde zich in zijn maagstreek en verspreidde zich vandaar door zijn hele lichaam. Zijn spieren leken los te komen, zijn bloed scheen niet langer te klonteren, maar weer snel en warm door zijn aderen te stromen. De wollige prop in zijn hoofd loste op en zijn gewrichten ontdooiden.
'Jullie zochten ons, hé?'
De jongedame knikte.
'Hoe hebben jullie ons gevonden?'
'Gewoon,' zei de jongeman. 'Jullie waren toch op weg naar het Kruis der Verliefden?'
'Ja,' mompelde Frank, 'maar wat heeft dàt ermee te maken?'
Er kwam geen antwoord. Maar dat was nu ook niet belangrijk. Het enige van belang, was dat de jongeman Ilse weer op de been had geholpen. Ze dronk nogmaals en hoestte weer. Frank maakte van de gelegenheid gebruik om de twee onbekenden wat aandachtiger op te nemen. Dat was niet zo gemakkelijk, want het was nog donker en het sneeuwde nog steeds. Bovendien waren ze gehuld in lange mantels. De jongeman had een pet met oorkleppen op zijn hoofd en het meisje droeg een hoedje van bont. Eigenlijk waren ze behoorlijk ouderwets uitgedost.
'Kom,' zei de jongedame. 'We gaan naar huis. Volg ons maar. Wij kennen de weg.'
De jongeman reikte de jongedame zijn hand en toen liepen ze voor Frank en Ilse uit, het sneeuwgordijn in. Ilse nam Frank bij de hand en ze volgden hen. De jongeman liep rechts en de jongedame links, terwijl Ilse achter het tweetal rechts liep en Frank links. Alsof zij het spiegelbeeld waren van dat gekke stel in hun ouderwetse kleren, dat geen voetsporen achterliet in de sneeuw, zelfs niet voor heel eventjes, zodat het leek alsof hun voeten de grond niet raakten...
Frank keek achterom. Twee sporen in de sneeuw: één van Ilse en één van hem. Hij kon nog net zien vanwaar die sporen vertrokken: dààr, bij die paal vandaan.
Bij die pààl vandaan? De paal die er net niet eens meer was en daarvoor dan weer wel, terwijl hij er eenvoudig niet kón zijn, omdat hij in 1918 al werd afgebroken!
Droomde hij dan nog steeds? Droomde hij ook de schimmen van de jongeman en de jongedame die voor hen uit liepen in kleren die zo uit grootmoeders kast leken te komen? Maar de drank die ze hem hadden gegeven, was maar al te reële cognac geweest - hij voelde hem nog branden op zijn tong en in zijn keelholte - en de vingers van Ilse die door haar en zijn handschoenen heen hard in zijn hand knepen, waren ongetwijfeld óók echt!
Zo liepen ze verder, zwijgend, achter elkaar aan, door het schijnbaar eindeloze sneeuwlandschap. Hoe lang? Frank had er geen benul van, maar de duisternis scheen al te wijken toen ze de vennen achter zich lieten en de ochtend daagde in het oosten toen hij voor zich uit, in de verte, enkele flauwe lichtjes ontwaarde. De jongeman en de jongedame hielden zo bruusk halt dat Frank en Ilse haast tegen hen aanliepen.
'Jalhay,' wees de jongeman, en hij keek Frank en Ilse triest aan.
'Hier moeten wij jullie verlaten,' zei de jongedame, en de droefheid in haar stem was onmiskenbaar.
'Willen jullie dan geen kop koffie...?' probeerde Ilse nog.
'Nee,' onderbrak de jongeman haar vriendelijk maar dwingend.
'Bedankt dan,' zei Frank.
'Het is niets,' fluisterde de jongedame.
Toen draaiden ze zich als op een afgesproken teken om en begonnen in de richting van de vennen te lopen. De wind stak op en het was alsof de sneeuw van het ene op het andere ogenblik nog dichter viel. Het beeld van de jongeman en de jongedame rimpelde zoals een spiegelbeeld in een plas water rimpelt als de wind erover strijkt. Op dat ogenblik beseften Frank en Ilse dat ze naar lucht stonden te kijken, naar niets, naar dwarrelende, naar verblindend witte sneeuwvlokken...