Mysterieus België

Van A tot Z: Sagen, mythen, legenden, sterke verhalen, geheimzinnige geschiedenissen, historische mysteries, feiten en fictie van Aalst tot Zwevezele, van Arlon tot Wéris! Wij organiseren voor u een stadsspel, GPS-spel, stadswandeling, detectivespel, fotozoektocht in Mysterieus België met 1 spelleider, met diverse performers, of in een doe-het-zelf pakket, in het Nederlands, Frans of Engels! Vraag hier vrijblijvend een offerte aan!

14.7.06

Jalhay-Xhoffrai: Het Kruis der Verliefden

 



Frank en Ilse gingen op huwelijksreis naar het schilderachtige dorpje Jalhay in de Hoge Venen, waar ze hun intrek zouden nemen in het hotelletje van monsieur Henri en madame Fleur. Ze verlieten Brussel onder een grauwe winterlucht, waaruit volgens de weerberichten op de radio sneeuw zou vallen. Véél sneeuw zelfs. Maar dat vonden ze niet erg.
Omstreeks de middag, toen ze de autoweg al verlaten hadden, stak de wind op. Korte tijd later begon het ook echt te sneeuwen: dikke, wollige vlokken. Het sneeuwde nog toen ze het grondgebied van Jalhay bereikten.
Het hotelletje telde slechts een beperkt aantal gasten; buiten Frank en Ilse verbleven er alleen een bejaard Duits echtpaar en een jong Belgisch koppel met een baby. Die zouden de volgende dag echter al naar huis terugkeren. Dat kleine aantal gasten paste wonderwel bij de sfeer die het hotelletje uitademde. Door de verweerde, in de gevel ingewerkte eiken balken en de antieke meubels had Les Biolettes het karakter van behouden van een oude herberg.
Na het avondmaal, bij de koffie voor Ilse en de pousse-café voor Frank, kwamen monsieur Henri en madame Fleur bij hun gasten in de gezellige eetzaal zitten, die nog met recht en reden een 'gelagkamer' genoemd mocht worden. Op de radio werd gemeld dat het verkeer op de weg Eupen-Malmédy sterk belemmerd werd door de hevige sneeuwval. De wind rukte aan de pannen van het oude huis en floot onheilspellend door spleten en kieren. Uit de grauwe lucht dwarrelden ontelbare witte vlokken schuin naar beneden, opgejaagd door de wind. Ze vormden een zacht tapijt op de grond, dat een beetje zou kraken als je erover liep.
'Sneeuw, ijs, stormvlagen...' mompelde monsieur Henri, terwijl hij bedachtzaam zijn pijp stopte. 'Het herinnert me telkens weer aan die trieste geschiedenis van Grenspaal 151.' Genietend trok hij het vuur in zijn pijp, waarna hij met korte tussenpozen blauwachtige wolkjes uitblies. 'Mijn grootvader vertelde me het verhaal op een avond die erg veel leek op deze avond... Het was in de maand januari en buiten woedde een sneeuwstorm, maar hier in de gelagkamer van Les Biolettes was het behaaglijk warm.'
Omdat hij gehuwd was met een meisje uit Hasselt, sprak monsieur Henri een aardig mondje Nederlands, zij het wel met een grappig accent. Het hotelletje was al enkele generaties lang in de handen van zijn familie.
'Les Biolettes was de enige herberg van Jalhay in het jaar 1871, wanneer het verhaal zich afspeelt. En mijn grootvader was toen nog slechts een knaap... Tussen Eupen en Malmédy liep alleen een nauwelijks verharde weg, die vaak helemaal dicht zat. De Hoge Venen vormden een onherbergzame streek, geregeerd door de onvoorspelbare natuurelementen. In de winter werden de enkele kleine dorpjes hier soms voor een hele tijd volkomen van de buitenwereld afgesloten. Het leek wel alsof de harde levens-omstandigheden van die dagen de huisjes van Xhoffrai, Hollaux, Solwaster, Hochai of Jalhay dichter bij elkaar hadden gedrongen, alsof ze net als mensen in elkaars warme nabijheid beschutting hoopten te vinden.'

Op een avond als deze, vertelde monsieur Henri, kwam de burgemeester de herberg binnen vallen. Hij was vergezeld van de veldwachter en een paar boeren. Op hun lange warme jassen waren sneeuwvlokken vastgevroren, die pas na een tijdje zouden gaan smelten. Hun opgekrulde snorren waren veranderd in ijspegels.
De laatste trok de deur dicht, waarna ze met z'n allen bibberend en bevend rond de gloeiende kachel gingen staan.
'We moeten gaan zoeken, Jean,' zei de burgemeester tot de overgrootvader van monsieur Henri. 'Ze zijn niet aangekomen. Ik heb vanmorgen een telegram gestuurd naar de burgemeester van Xhoffrai, en ik heb daarnet antwoord gekregen...'
De vorige middag hadden François Reiff uit Bastogne en Marie-Josèphe Solheid uit Xhoffrai het dorp verlaten. Ze wilden over de verraderlijke en besneeuwde hoogvlakte tussen Jalhay en Xhoffrai naar de geboorteplaats van het meisje trekken. Daar wensten ze de nodige formaliteiten te vervullen om in het huwelijk te treden.
De overgrootvader van monsieur Henri en de burgemeester hadden hen gewaarschuwd. Zelfs in de zomer, als de sneeuw de wegen niet onzichtbaar maakte of de onberekenbare vennen niet had bedolven, kon men nog makkelijk verdwalen in de Hoge Venen. Nu alle punten waarop men zich kon oriënteren door een witte vacht werden bedekt, was het een méér dan riskante onderneming. Maar de twee jongelui wilden niet luisteren.
'Ik kén de Venen toch?' zei Marie-Josèphe. Zij was een opgewekt meisje dat als dienstmeid werkte in een naburig dorp. 'Ik heb er vaak met mijn vriendinnen gespeeld. De moerassen hebben geen geheimen voor mij.'
François Reiff verliet zich geheel op zijn knappe verloofde. Hij was een vriendelijke jongeman die als arbeider aan de stuwdam op de Gileppe werkte, die pas in 1876 voltooid zou worden. François was afkomstig uit Bastogne en had sinds 1869, toen de werken begonnen, in een werkkamp gewoond. Toen hij zich met Marie-Josèphe verloofde, had hij een kamer gevonden in Les Biolettes, zodat hij zijn vriendin makkelijker kon opzoeken in het naburige Xhoffrai, dat in die dagen niet eens een herberg bezat. Als het weer goed was, kon hij Xhoffrai te voet in minder dan geen tijd bereiken; als het mistig bleef of als het sneeuwde, kon je beter niet de deur uit gaan.
François kende de streek niet goed genoeg om zich echt bewust te zijn van de gevaren die aan zo'n winterse tocht verbonden waren. Zijn enige ervaringen met de Hoge Venen beperkten zich tot zijn tochten van Jalhay naar Xhoffrai of naar de stuwdam. Tot dusver had hij steeds op goed weer kunnen rekenen. Voor de tochten naar de Gileppe kon hij bovendien gebruik maken van goed begaanbare wegen, die door boeren waren gebaand.
François en Marie-Josèphe waren nog maar net vertrokken, of de sneeuwval begon zwaarder te worden. Er stak een door merg en been dringende, ijskoude bries op. Diep in hun mantels gedoken, werden ze opgenomen in het sneeuwgordijn dat over de eindeloze, kille vlakte van de Hoge Venen lag...
Enkele minuten nadat het groepje van de burgemeester in Les Biolettes binnen was gevallen, vertrok het alweer. Een ervaren gids - een schaapherder die de gevaarlijke plekken kende als zijn broekzak - liep voorop. De overgrootvader van monsieur Henri had zich bij de redders aangesloten en ging samen met hen op zoek naar een spoor van François en Marie-Josèphe, die daar misschien nog ergens voor hun leven vochten.
De avond viel. De wind joeg op witte vlokken, die als bij een puzzel plotseling de vorm konden aannemen van iets bekends, iets warms, iets tastbaars. Maar het waren slechts schimmen die telkens weer uiteengerafeld of verscheurd werden. Alleen die kille leegte bleef achter, en het razende gehuil van de storm.
Pas omstreeks middernacht keerden de redders terug. De korst ijs die de hoogvlakte bedekte, was te onbetrouwbaar geworden. Ze konden geen hand meer voor de ogen zien. De storm had de paden onvindbaar gemaakt; het viel niet meer uit te maken waar zich onder het ijs moerassen of vennen bevonden.
Pas in maart werd de hoogvlakte tussen Jalhay en Xhoffrai weer begaanbaar. De sneeuw smolt en de Hoge Venen gaven hun winterse geheimen prijs. Een paar kilometer van elkaar hadden daar al die tijd twee in elkaar gedoken, nietige figuurtjes gelegen. Ingesluimerd, leek het wel. Tot op dat ogenblik waren ze gekleed geweest in een smetteloos witte mantel, in een kil bruidskleed. De kou had standbeelden gemaakt van François Reiff en Marie-Josèphe Solheid, voor altijd verstijfd in een laatste, onvoltooid gebleven gebaar.
'De vriesdood,' zou de overgrootvader van monsieur Henri later tot diens grootvader zeggen, 'is mooi en pijnloos, beweert men... Eerst word je slaperig en moe... Het is alsof je gaat zweven, maar tegelijk worden je benen zo zwaar als lood. Het bloed stolt in je aderen. Je huid wordt gevoelloos. Terwijl je bevriest, krijg je het vreemd genoeg warm. Ten slotte sluit je de ogen en het volgende ogenblik ben je er al niet meer...'
François en Marie-Josèphe hadden nog niet eens de helft van de afstand afgelegd die Jalhay van Xhoffrai scheidde, toen de fatale loomheid het meisje al te pakken kreeg. Ze bezweek vlak bij Grenspaal 151, die van 1815 tot 1918 de grens aanduidde tussen België en Pruisen. Als Marie-Josèphe die paal had opgemerkt, zouden zij wellicht nog gered zijn. François kende de betekenis van Grenspaal 151 niet, maar Marie Josèphe wist net als iedereen uit de streek dat die paal aan de rand van de Vekee stond - het middeleeuws pad dat een kilometer verderop de weg Eupen-Malmédy kruiste. Op dat kruispunt stond de toen onbewoonde Baraque Michel, een schuilplaats voor reizigers die door mist of onweer werden verrast en die gebouwd werd door een zekere Michel. De Baraque Michel bezat een klok, waarvan het gelui Jalhay of Xhoffrai kon bereiken.
Maar net vóór Grenspaal 151 waren de zwaar geworden oogleden van Marie-Josèphe voorgoed dichtgevallen. Ze was er in ieder geval niet meer in geslaagd de Baraque Michel te bereiken om de klok te luiden, ten teken dat ze in moeilijkheden verkeerden. De klok was stom gebleven; in het schuiloord hadden de speurders niemand aangetroffen.
'Grenspaal 151,' mijmerde monsieur Henri, zoals zijn grootvader en diens vader het vóór hem hadden gedaan. 'Het verschil tussen leven en dood... De grens is vaak vaag, soms zelfs onzichtbaar...'
François liet een briefje achter op het lichaam van zijn overleden geliefde - een laatste teken van leven, met verstijfde vingers en een stompje potlood op een papiertje gekrabbeld: 'Marie is gestorven en met mij zal hetzelfde gebeuren.' Toen strompelde hij eenzaam verder, tot de kou ook hem slaperig maakte en hij in de sneeuw neerzonk om even uit te rusten. Een rustpauze waaraan nooit een einde kwam...
'Op een kleine afstand van Grenspaal 151 werd ter nagedachtenis van de twee omgekomen jongelui een kruis neergezet,' besloot monsieur Henri zijn verhaal. 'Het staat op de plek waar Marie-Josèphe werd gevonden en het wordt het Kruis der Verliefden genoemd. De Grenspaal bestaat nu niet meer, maar dat kruis herinnert ons allemaal nog aan de gevaren van de Hoge Venen, die we ook nu niet mogen onderschatten... De bodem is hier nog altijd drassig; de moerassen zuigen je in een handomdraai helemaal op... De vennen zijn hier nog altijd met mos bedekt en de mist komt nog steeds plotseling en geheel onverwacht opzetten... Marie-Josèphe Solheid en François Reiff, gestorven in de sneeuw van januari 1871, staat er in het Kruis der Verliefden gegrift...'

De volgende ochtend bleek de sneeuwstorm geluwd te zijn. Het dorp was bedekt met een glinsterend suikerlaagje.
'Als we dat Kruis der Verliefden eens met een bezoekje gingen vereren?' stelde Frank voor. 'Het ziet er niet naar uit dat het vandaag nog zal gaan sneeuwen en het is al lang geen 1871 meer.'
'Maar romantisch ben je wel gebleven,' glimlachte Ilse.
Die namiddag hadden ze nog maar net de Vekee bereikt, of de lucht betrok al aanmerkelijk. Nauwelijks tien minuten later daalden alweer de eerste vlokken aarzelend uit de grijze hemel neer, af en toe opgedreven door een felle windstoot.
'Laten we teruggaan,' stelde Ilse voor.
'Het zou zonde zijn als we het nu opgaven,' vond Frank. 'We moeten er bíjna zijn.'
Het witte tapijt kraakte onder zijn voeten. Op de vennen was een dunne ijslaag gestold en daarboven lag dan weer een dikke laag sneeuw. Alleen op diepere putten waaruit het water winter en zomer te voorschijn kwam, had de kou nog geen vat gekregen. Daar zonken nu ook de eerste sneeuwvlokken in weg.
'Ik heb het koud,' zeurde Ilse. 'We kunnen hier toch best een andere keer eens terugkomen?'
Frank keek op zijn stafkaart. 'Nog een paar honderd meter.'
'Hoe kun je nu op die stafkaart afgaan, als de paden al helemaal uitgewist zijn?'
'We bevinden ons nog altijd op de Vekee, daar is geen twijfel aan. Er dreigt nog lang geen gevaar, Ilse. Vertrouw me toch!'
Als om zijn geruststellende woorden te logenstraffen, begon het zo mogelijk nog harder te sneeuwen. Kraaien vlogen krassend op uit kale, verweerde bomen, scheerden rakelings over hun hoofd en verkleinden dan tot zwarte stippen die hoog in de lucht onregelmatige cirkels beschreven.
Ze liepen nog een minuut of vijf verder, tot Frank halt hield om zijn kaart nogmaals te bestuderen. Wat hij om zich heen zag, klopte al lang niet meer met wat de kaart hem vertelde. Het begon overigens ook al donker te worden. Waren ze dan al zó lang onderweg!?
Vlokken wervelden voor zijn ogen, losten in een spookachtige rondedans op in het niets. De schemering verdoezelde de omtrekken van de schaarse bomen en de sneeuw verdichtte zich tot grillige figuren, die plotseling een vaag bekende vorm aannamen. Dode stronken strekten hun takken uit naar de loodzware wolken en kregen iets menselijks; de takken werden armen, uitgestoken in een wanhopig gebaar. Fata morgana's, geboren uit koude en sneeuw.
'We zijn verdwaald,' zuchtte Ilse, en ze ging op de grond zitten.
'Gek geworden!?' riep Frank uit. 'Sta op! We moeten in beweging blijven, anders vriezen we dood! Heb je monsieur Henri dan niet gehoord?'
Ilse sprong geschrokken op.
'We keren terug,' zei Frank.
De vraag was alleen welk pad terug naar Jalhay leidde. Zijn stafkaart was van geen nut meer. De paden leken als in de vlakte opgelost en door de dichte sneeuwval zagen ze geen hand voor de ogen. Hun voetsporen werden achter hen uitgewist door de grote witte vlokken die onafgebroken bleven neerdwarrelen.
'We hadden broodkruimeltjes moeten strooien, zoals Hansje en Grietje,' trachtte Frank een grapje te maken, maar Ilse kon er niet om lachen.
Ze hadden zich omgedraaid en liepen nu in de tegenovergestelde richting waar - zo hoopte Frank - Jalhay op hen wachtte, en de heerlijk warme gelagkamer van Les Biolettes.
'Pas op!' gilde Ilse.
Het dunne ijsvlies onder Franks voeten brak krakend open...
'Ik kan niet meer,' fluisterde Ilse.
Ze zaten naast elkaar op een boomstronk. Het sneeuwde nog steeds en het was nu haast helemaal donker geworden. Frank had zijn arm beschermend om haar heen geslagen en keek haar ongelukkig aan.
'Ik ben zo moe, Frank...'
Bijna had hij in een put getrapt. Door het ijs zou hij gevallen zijn, in het vrieskoude, donkere water dat roerloos op hem wachtte. In deze barre weersomstandigheden betekende dat een gewisse vriesdood. Temeer omdat hij nu wel moést bekennen dat ze reddeloos verdwaald waren.
'We moeten verder,' zei hij zo kranig mogelijk. 'Hier bij de pakken blijven zitten, lost zeker niets op.'
'Ga jij dan alleen verder.'
'Nee Ilse. Ik laat je niet achter.'
'Ze zullen ons toch wel komen zoeken?'
'Natuurlijk!'
Al was Frank daar, in gedachten, lang niet zo zeker van. Waar moesten de hulpdiensten begínnen zoeken? Niemand wist waar ze heen getrokken waren, zelfs monsieur Henri niet. En hoé vond je in godsnaam iemand terug in deze barre woestenij? Stemmen gingen verloren in de wind; het duister en de jagende sneeuw verhinderden je verder dan een paar passen voor je uit te kijken.
'Kom,' zei hij. 'Sta op.'
'Nee!' antwoordde Ilse koppig.
'Als je blijft zitten, vries je dood.'
'Dan vries ik maar dood! Zo lang jij met je dwaze ideeën me maar met rust laat!'
Hadden François en Marie-Josèphe ook op deze manier ruzie gemaakt, voor de Hoge Venen hen voor eeuwig het zwijgen oplegden? Frank stampvoette; van machteloze woede, maar ook om het een beetje warm te krijgen. Hij voelde zich verkild tot op het bot.
Ilse keek naar hem op. Ze zag er maar bleekjes uit, vond hij. Een voorteken van de vriesdood?
'Ga jij alleen verder, Frank,' smeekte ze. 'Ga hulp halen voor ons beiden.'
Okee, Ilse! Prachtig, Ilse! Onmiddellijk, Ilse! Maar vertel jij me dan eerst wààr ik hulp moet halen.
'Ik denk er niet aan,' zei hij stoer, en hij pakte haar bij de schouders beet en sleurde haar overeind, zette haar als een étalagepop op haar benen. 'Als François en Marie-Josèphe bij elkaar waren gebleven, hadden ze het misschien nog gehaald.'
Maar Ilse leek hem al lang niet meer te horen. Ze had haar ogen gesloten. Frank begon te klappertanden. De kou beet in zijn huid en bevroor zijn botten. Zijn gewrichten werden stram en stijf als scharnieren die dringend gesmeerd moesten worden. Hij sloeg haar linkerarm om zijn schouders, greep haar hand met zijn linkerhand vast en legde zijn rechterarm om haar middel. Zo zetten ze zich moeizaam strompelend in beweging.
De wind rukte woedend aan hun kleren en de sneeuw sloeg meedogenloos in hun gezicht, als om hen terug te drijven naar waar ze vandaan gekomen waren. Haar rechterarm bungelde slap langs haar lichaam. Frank voelde zijn krachten langzaam afnemen. Een loden vermoeidheid steeg langs zijn benen omhoog, drukte als een blok op zijn borst en leek zich als een prop watten in zijn hoofd te nestelen. Zijn ogen dreigden om de haverklap dicht te vallen, maar hij vocht uit alle macht tegen de slaperigheid. Vooral tegen dit gevoel moest hij zich verzetten, want hij wist dat inslapen het begin van het einde zou betekenen.
Frank trachtte helder van geest te blijven. Na te denken, terwijl hij in beweging bleef. Slag van Waterloo? Achttienhonderd vijftien. Stap vooruit. Vierkantswortel van honderd vierenveertig? Twaalf. Stap vooruit. Twààlf? Stap vooruit. Hoe bereken je de omtrek van een cirkel? Stap vooruit. Hoe laat is het? Polshorloge stilgevallen om halfdrie, stap vooruit.
Frank bleef bruusk staan, luisterend naar zijn stemgeluid dat door het sneeuwgordijn gedempt scheen te worden. Waarschijnlijk droeg de klank van zijn stem niet verder dan een paar meter. Ilse die automatisch zijn passen volgde, deed nog een volgende stap, kwam vervaarlijk voorover te hangen en verloor bijna het evenwicht. Frank slaagde er evenwel in haar op de been te houden.
Toen rees voor hem in de sneeuwjacht een langwerpig, stomp voorwerp op uit de korstige grond. Hij knipperde verdwaasd met de ogen...
Een paal... Een betonnen pààl!
... deed een stap naderbij en zag dat er een nummer op de paal stond.
Honderd éénenvijftig.
Onmogelijk. Hij trachtte zich woordelijk te herinneren wat monsieur Henri over Grenspaal 151 gezegd had... duidde van 1815 tot 1918 de grens aan tussen België en Pruisen... als Marie-Josèphe hem opgemerkt had, zouden zij wellicht nog gered zijn... François kende de betkeenis van Grenspaal 151 niet, maar Marie-Josèphe wist dat die paal aan de rand van de Vekee stond...
Frank deed nog een stap vooruit en stak toen zijn vrije hand uit naar de paal. Hij raakte de paal aan, trok zijn handschoen uit en streek met zijn blote hand de sneeuwkorst van de afgeronde kop, die net tot schouderhoogte reikte. Zacht streelde hij het massieve, glad betonnen oppervlak. Geen twijfel mogelijk. Deze paal was écht!
'Grenspaal 151,' fluisterde hij verbaasd.
... duidde van 1815 tot 1918 de grens aan...
Droomde hij of...?
'Hé Ilse!' gilde hij, terwijl hij zijn hart van louter vreugde en opwinding een slag voelde missen. 'Hé Ilse! Word wakker!' Ze reageerde niet; hij sloeg haar met zijn vrije, blote hand in het gezicht. 'We zijn gered!' Ilse opende traag haar ogen en keek hem onbegrijpend aan. 'Grenspaal 151!' schreeuwde hij.
Haar lichtblauwe lippen openden zich. 'Rusten,' mompelde ze zwakjes. 'Laat me rusten... Met rust...'
'Okee,' ratelde hij zenuwachtig. 'Vijf minuten, geen minuut langer. We zijn nu tóch gered! Monsieur Henri's herinneringen zullen wel een beetje verward geworden zijn! Die grenspaal staat er nog altijd, ik weet de weg nu! Rust maar even uit, Ilse! Daarna kunnen we aan het allerlaatste deel van onze tocht beginnen!'
Hij liet haar slappe lichaam voorzichtig op de grond zakken. Toen ging hij naast haar zitten, nam haar in zijn armen en wiegde haar als een baby.
'Gered,' murmelde hij. 'Grenspaal 151... Gered!'
Het deed hem goed, die rustpauze. Zijn vermoeide spieren ontspanden zich. De krampen verminderden. Hij voelde zijn benen haast niet meer, maar dat betekende ook dat de pijn verdwenen was. Zijn hoofd was een zware, harde bol die op zijn romp heen en weer tolde. En hij kreeg het warm. Het was goed zo. Met Ilse in zijn armen, rustend, doezelend. Dicht bij elkaar, warm ingepakt. Moe, doodmoe... maar gelukkig... Want ze waren gered... Paal 151...
Zijn ogen vielen dicht, maar dat merkte hij niet eens meer.

Frank schrok op uit een onrustige sluimer. Waar was hij? Wie of wat had hem gewekt? Had hij dan geslapen? Levensgevaarlijk, in dit weertje... Al zijn spieren, al zijn botten deden pijn...
Frank probeerde na te denken, maar zijn gedachten leken van rubber. Ze kaatsten heen en weer tussen de wanden van zijn hoofd en vluchtten van hem weg, alsof hij een besmettelijke ziekte had.
Grenspaal 151...
Natuurlijk! Ze hadden Grenspaal 151 bereikt! Ze waren gered!
En toen? Wat was er daarna gebeurd? Was hij ingeslapen? Wie had hem dan gered van de vriesdood?
Hij keek om zich heen. Niemand. Vriesvlokken en duisternis, dat was al.
Al!? En Grenspaal 151 dan?
Hij stond stram op, stak zijn handen uit, zocht radeloos naar een spoor van de stompe betonnen paal die zo ongenaakbaar uit de bevroren grond was opgerezen. Als een baken, een wegwijzer, een vuurtoren in de nacht.
Maar er was niets. Had hij dan gedroomd? Was hij stomweg ingesluimerd en had hij toen gedroomd dat hij Grenspaal 151 had gezien?
Frank draaide zich om. Liep weg van het roerloos in de sneeuw liggende lichaam van Ilse. Geen grenspaal te zien. Hier niet, daar niet, nergens.
Toen hij zich naar Ilse omdraaide, schrok hij behoorlijk. Daar, bij de in de sneeuw liggende jonge vrouw, uit het niets opgedoken op de plek waar die verdomde paal had horen te staan, hurkte een gedaante, die zich nu naar hem omdraaide, zich oprichtte en hem pal in de ogen keek.
Het was een jongeman. 'Dag Frank,' zei hij.
'Hallo,' stamelde Frank verward, en hij wilde er nog iets aan toevoegen over een paal die er daarnet nog was en nu niet meer en of de vreemdeling soms iets met die verdwijning te maken had - maar hij hield wijselijk zijn mond.
De jongeman boog zich opnieuw over Ilse heen. 'Help je me even?' Hij hield een drinkbus in zijn handen, zag Frank. 'We moeten ervoor zorgen dat ze weer warm wordt.'
Frank tilde het hoofd van Ilse op en de jongeman goot enkele druppels water uit de drinkbus tussen haar kleurloze lippen. 'Een probaat middeltje om de levensgeesten weer op te wekken,' zei hij. 'Je zult wel zien.'
Ilse verslikte zich, kuchte, begon te hoesten, ging met een ruk rechtop zitten en opende haar ogen. 'Waar ben ik?' vroeg ze flauwtjes.
'Op de grens,' zei de jongeman.
'Terug,' zei een stem, die achter Frank vandaan kwam.
Frank draaide zich om en stond oog in oog met een jongedame, die hem opgewekt toelachte en hem een drinkbus aanbood - net dezelfde als die van de jongeman, merkte hij.
'Hier,' zei ze. 'Drink. Je hebt het al even hard nodig als Ilse.'
'Hoe kennen jullie onze namen?' vroeg Frank verbouwereerd, terwijl hij de drinkbus aannam. 'Komen jullie soms uit Jalhay?'
De jongedame knikte en Frank dronk. Het smaakte naar cognac. Een behaaglijke warmte nestelde zich in zijn maagstreek en verspreidde zich vandaar door zijn hele lichaam. Zijn spieren leken los te komen, zijn bloed scheen niet langer te klonteren, maar weer snel en warm door zijn aderen te stromen. De wollige prop in zijn hoofd loste op en zijn gewrichten ontdooiden.
'Jullie zochten ons, hé?'
De jongedame knikte.
'Hoe hebben jullie ons gevonden?'
'Gewoon,' zei de jongeman. 'Jullie waren toch op weg naar het Kruis der Verliefden?'
'Ja,' mompelde Frank, 'maar wat heeft dàt ermee te maken?'
Er kwam geen antwoord. Maar dat was nu ook niet belangrijk. Het enige van belang, was dat de jongeman Ilse weer op de been had geholpen. Ze dronk nogmaals en hoestte weer. Frank maakte van de gelegenheid gebruik om de twee onbekenden wat aandachtiger op te nemen. Dat was niet zo gemakkelijk, want het was nog donker en het sneeuwde nog steeds. Bovendien waren ze gehuld in lange mantels. De jongeman had een pet met oorkleppen op zijn hoofd en het meisje droeg een hoedje van bont. Eigenlijk waren ze behoorlijk ouderwets uitgedost.
'Kom,' zei de jongedame. 'We gaan naar huis. Volg ons maar. Wij kennen de weg.'
De jongeman reikte de jongedame zijn hand en toen liepen ze voor Frank en Ilse uit, het sneeuwgordijn in. Ilse nam Frank bij de hand en ze volgden hen. De jongeman liep rechts en de jongedame links, terwijl Ilse achter het tweetal rechts liep en Frank links. Alsof zij het spiegelbeeld waren van dat gekke stel in hun ouderwetse kleren, dat geen voetsporen achterliet in de sneeuw, zelfs niet voor heel eventjes, zodat het leek alsof hun voeten de grond niet raakten...
Frank keek achterom. Twee sporen in de sneeuw: één van Ilse en één van hem. Hij kon nog net zien vanwaar die sporen vertrokken: dààr, bij die paal vandaan.
Bij die pààl vandaan? De paal die er net niet eens meer was en daarvoor dan weer wel, terwijl hij er eenvoudig niet kón zijn, omdat hij in 1918 al werd afgebroken!
Droomde hij dan nog steeds? Droomde hij ook de schimmen van de jongeman en de jongedame die voor hen uit liepen in kleren die zo uit grootmoeders kast leken te komen? Maar de drank die ze hem hadden gegeven, was maar al te reële cognac geweest - hij voelde hem nog branden op zijn tong en in zijn keelholte - en de vingers van Ilse die door haar en zijn handschoenen heen hard in zijn hand knepen, waren ongetwijfeld óók echt!
Zo liepen ze verder, zwijgend, achter elkaar aan, door het schijnbaar eindeloze sneeuwlandschap. Hoe lang? Frank had er geen benul van, maar de duisternis scheen al te wijken toen ze de vennen achter zich lieten en de ochtend daagde in het oosten toen hij voor zich uit, in de verte, enkele flauwe lichtjes ontwaarde. De jongeman en de jongedame hielden zo bruusk halt dat Frank en Ilse haast tegen hen aanliepen.
'Jalhay,' wees de jongeman, en hij keek Frank en Ilse triest aan.
'Hier moeten wij jullie verlaten,' zei de jongedame, en de droefheid in haar stem was onmiskenbaar.
'Willen jullie dan geen kop koffie...?' probeerde Ilse nog.
'Nee,' onderbrak de jongeman haar vriendelijk maar dwingend.
'Bedankt dan,' zei Frank.
'Het is niets,' fluisterde de jongedame.
Toen draaiden ze zich als op een afgesproken teken om en begonnen in de richting van de vennen te lopen. De wind stak op en het was alsof de sneeuw van het ene op het andere ogenblik nog dichter viel. Het beeld van de jongeman en de jongedame rimpelde zoals een spiegelbeeld in een plas water rimpelt als de wind erover strijkt. Op dat ogenblik beseften Frank en Ilse dat ze naar lucht stonden te kijken, naar niets, naar dwarrelende, naar verblindend witte sneeuwvlokken...

4.6.06

Moordspel/stadsspel De Blauwbaard Compagnie



















HANS BLAUWBAARD (1962 - …?) - EEN KLEINE BIOGRAFIE

Eind jaren tachtig… Hans Haegeman is een jong leraar Nederlands, werkzaam in Brussel. In zijn vrije tijd vindt hij een eigenzinnige mix uit van oude Vlaamse volksmuziek, blues, folk en het Franse chanson, zoals dat onder meer door Jacques Brel werd gebracht. Hij zingt zijn zeer poëtische en zwartromantische teksten zowel in het Nederlands als het Frans en wordt al gauw bestempeld als een “poète maudit”, een “verdoemde dichter” die steeds weer hetzelfde thema bespeelt: liefde en dood. Hij wordt gefascineerd door het oeroude Vlaamse lied over een middeleeuwse seriemoordenaar, De Ballade van Heer Halewijn, en kiest voor de artiestennaam Hans Blauwbaard.

Haegeman heeft een relatie met de zeventienjarige Melinda Meursault, die bij hem in de klas zit. Na een optreden van Blauwbaard wordt zij vlakbij gevonden, onthoofd. De politie verdenkt de chansonnier een tijdje, maar laat hem vrij bij gebrek aan bewijzen. De leraarscarrière van Haegeman is echter gebroken, hij belandt in de marginaliteit en in het begin van de jaren negentig zwerft hij dakloos rond in Brussel.

Hans Blauwbaard beschouwde zich in eerste instantie als een dichter, getuige hiervan dit citaat uit een interview uit 1994: ‘De dichter is geest, is ziel, is bezieling. Zijn kunst mag niet verworden tot een “ding”, een “product” dat wordt gekocht en verkocht.’

In maart 1994 wordt Hans Blauwbaard letterlijk ‘uit de goot geplukt’ door Isabel Pontarlier, die werkt als talent-scout voor de platenfirma van Gilbert Leduc, ‘Duck Music’. Naar verluidt wordt zij ‘verpletterd door de schroeiende intensiteit van zijn muziek, zijn teksten en zijn vertolkingen’. Isabel neemt Hans bij haar in huis en ze beginnen een relatie. Met Isabel Pontarlier als producer en een stuk of wat collega-straatmuzikanten, de zogenaamde Blauwbaard Compagnie, duikt Hans de studio in voor de opname van een eerste CD. Isabel danse wordt in Wallonië en Frankrijk een grote hit. Isabel Pontarlier zet ook een concert-toernee op door België.

Op 3 december 1995 gaat Hans Blauwbaard er na een spraakmakend concert in de Hallen op het Sint Goriksplein vandoor met de zestienjarige Lisa Vanmaele. Na een gevecht met Yves Bonduelle (één van zijn muzikanten) lijken zowel hij als Lisa in rook opgelost. Het meisje zal later teruggevonden worden in een toestand van volslagen zinsverbijstering. Van Hans Blauwbaard ontbreekt tot op de dag van vandaag ieder spoor. Yves Bonduelle werd een tijdje verdacht van moord op de charismatische zanger, maar bij gebrek aan bewijzen weer vrijgelaten. De CD van Hans Blauwbaard & de Blauwbaard Compagnie werd het voorwerp van een rechtszaak en is nooit officieel verschenen…

Voor meer info: klik op de titel van dit artikel (crimi stadsspel luxe).





Stripclip "Isabel Danst" uit "De Blauwbaard Compagnie"

Het moordspel/stadsspel De Blauwbaard Compagnie kan gespeeld worden in Brugge of Antwerpen, in het Nederlands, Frans of Engels.

26.5.06

Nostradamus en de Schat van Orval...




De abdij van Orval, in de provincie Luxemburg, is niet alleen bekend vanwege de kaas en de Trappist, maar ook omdat er een heuse schat verloren zou zijn gegaan... Lees er nu alles over op de Sterke Verhalen site, waar u ook geheel gratis kunt meedoen aan een grappige Sterke Verhalen Quiz.


Klik voor alle info op de titel van dit artikel.

15.5.06

Stadsspel Antwerpen: In de voetsporen van Lange Wapper




In de voetsporen van Lange Wapper... Slaag jij erin de legendarische kwelgeest van Antwerpen op te sporen en opnieuw onschadelijk te maken? Door de werken aan de leien is hij uit zijn winterslaap ontwaakt, en nu trekt hij weer door de stad en jaagt de mensen de stuipen op het lijf...

Dit stadsspel wordt steeds aangepast aan de doelgroep: we brengen het voor de derde graad basisschool, voor jeugdbewegingen, verenigingen, groepen, in het kader van bedrijfsuitjes, teambuilding activiteiten, personeelsfeesten, een kroegentocht... Het scenario kan ook gebracht worden door toneelgezelschappen of u kunt aan de hand van het scenario zelf een stadsspel organiseren: vraag alle info via info@inter-actief.be

Zie ook: www.stadsspel.be / www.stadsspel.org / www.stadswandelingen.org
 
***

FRAGMENTEN:
"IN DE VOETSPOREN
VAN LANGE WAPPER"

***
Dames en heren,
Mijn naam doet er niet toe. Hoe ik eruit zie, maakt niet uit. Ik ben gekomen om jullie te waarschuwen, dat is het enige dat hier en nu van belang is. Want Lange Wapper leeft.
Ze hebben de leien en de riolering van de oude stad helemaal opengelegd. ‘We hebben dat gedaan voor de vooruitgang,’ zeggen ze. Maar weten jullie wat ik daar zag? Ratten! Zo'n grote ratten! Ze liepen met z’n allen de stad in, net zoals vroeger, lang geleden…
(gemeen lachje)
Ze hebben een standbeeld voor hem opgericht, hier niet zo ver vandaan, bij de oude burcht die het Steen wordt genoemd. Je moet maar eens gaan kijken. Hij staat daar afgebeeld als een guitige Uilenspiegel, een sympathieke schurk, een kwajongen, een kapoen… Maar Lange Wapper was zoveel meer dan dat!… En de kwelgeest die Antwerpen vanaf de zestiende eeuw onveilig maakte… en hij lééft nog steeds!
(De Kuiperstraat volgen tot aan de Ruckersplaats. Op dat gezellige binnenplein wordt het volgende verhaal verteld.)
Soms kon het gebeuren dat Lange Wapper een hele tijd niets van zich liet horen. De mensen begonnen dan al gauw te denken dat ze eindelijk van hem bevrijd waren, dat hij deze schone stad eindelijk verlaten had. En dan werden ze zo onvoorzichtig… Zo onvoorzichtig! Dan dachten ze dat er hen niets meer kon overkomen! Maar niets was minder waar!
(gemeen lachje)
Zo heerste er meer dan een eeuw geleden een cholera-epidemie in Antwerpen. In de Kuipersstraat en op de Ruckersplaats had men om de een of andere onverklaarbare reden weinig last van de ziekte. De bewoners van deze buurt bleven maar zingen en dansen, terwijl een beetje verder de mensen stierven als vliegen. Ze daagden het noodlot uit. Op een dag moésten ze wel ten dans geleid worden door de Duivel in eigen persoon… Of door Lange Wapper, die niet voor niets zijn handlanger werd genoemd… Een van die bewoners was Mie van Dulle… Aah, Mie van Dulle! Een ongelooflijk mooi meisje was dat! Zo blond, zo mooi en nooit alleen! Want elke avond danste Mie van Dulle in een klein rokerig danslokaal met de mannen die van heinde en verre kwamen om met haar en haar alleen te dansen! En toen… Tsja, hoe gaat dat… Toen werd Lange Wapper verliefd op haar, op Mie van Dulle... en wilde hij ook wel eens met haar dansen... En toen, op een avond, stapte een onbekende heer in een keurig zwart pak het danslokaal binnen. In de schaduw onder de rand van zijn hoed ging een paar koolzwarte ogen schuil. Hij leek wel een doodgraver, maar hij bewoog zich heel elegant en hij vroeg Mie van Dulle heel galant ten dans…
(doet het voor en danst)
Het koppel danste uitzonderlijk goed. De andere paren verlieten de dansvloer, om Mie van Dulle en de onbekende danser beter te kunnen bewonderen. Aah! Hoe ze in zijn armen lag! Aah! Hoe ze door dat danslokaal zweefde! Aah! Hoe ze recht in de gloeiende koolzwarte ogen van de vreemdeling keek en… … en vlug de blik moest afwenden, want de ogen van de vreemdeling… de ogen van de vreemdeling leken haar te doorboren! Ze keek dan maar naar zijn voeten, naar zijn voeten, en toen… Wat ze toen zag… ze werd er zo bleek van… zo bleek als een lijk! Want die onbekende galante danser… Hij liet een brandend spoor achter in de houten vloer! De zaal vulde zich met rook! De hele dansvloer stond in vuur en vlam! En op de plaats… op de plaats waar het danspaar eindelijk stilstond, daar… daar viel er een groot gat in de vloer!… Gillend maakte Mie van Dulle zich los uit de greep van haar partner. Hoestend en proestend rende ze het lokaal uit. En al de andere dansparen… ze renden haar achterna, want iedereen had de man in het zwart intussen herkend. Het was niemand minder dan Lange Wapper, de handlanger van de duivel, die daar eenzaam en alleen op de dansvloer stond… en dan door het rokende gat in de vloer zakte… en in het niets verdween…
Mie van Dulle, verdomme! Niet lang daarna teisterde de cholera ook de buurt van de Kuipersstraat. En één van de eerste slachtoffers… Eén van de eerste slachtoffers was Mie van Dulle…
(gaat zitten – stil)
Het leven van een kwelgeest loopt niet altijd over rozen…
(Het gezelschap gaat van de Grote Markt naar de Handschoenmarkt.)
Zijn jullie niet zo snel bang meer bang te maken als die lui uit vroeger tijden? Geloven jullie niet meer in draken, monsters, kabouters, heksen of doden die verrijzen? Geloven jullie niet meer in… in kwelgeesten? Nee? Vergeet dan niet, dat als je hier naar buiten stapt… en je loopt bijvoorbeeld van de Grote Markt naar de Handschoenmarkt, dat je dan eigenlijk over een kerkhof loopt. Jaja, sta je in de buurt van om het even welke kerk, dan sta je eigenlijk ook op een kerkhof. Vroeger, in mijn gloriejaren, lag er naast elke kerk een begraafplaats. Toen arbeiders enkele jaren geleden de Handschoenmarkt opnieuw aanlegden, groeven ze massa’s geraamtes en schedels op. Waar nu dat standbeeld van Rubens staat, prijkte enkele eeuwen geleden nog een groot, stenen kruis - het stond schots en scheef, het zag zwart van de ouderdom en het was begroeid met mos. De mensen geloofden dat er bij elke volle maan schimmen op het kerkhof ronddoolden. Niemand ging ’s avonds graag langs het kerkhof. Zelfs de zatlapjes maakten liever een omweg…
Daar niet zo ver vandaan leefde toen een mooi meisje. Niet minder dan vier jongens waren tot over hun oren verliefd op haar. Lange Wapper besloot ze alle vijf eens flink te grazen te nemen. Op een nacht nam hij de gedaante van het meisje aan. Geduldig wachtte hij de vier huwelijkskandidaten op. Al gauw verscheen de eerste jongeman ten tonele. Om zijn liefde te bewijzen, liet Lange Wapper hem een proef afleggen. Hij moest op het kruis van het kerkhof klimmen en daar twee uur blijven zitten tot zijn geliefde hem kwam halen. Ook de drie andere minnaars kregen een opdracht mee. Nummer twee moest aan de voet van het kruis in een doodskist gaan liggen. De derde moest driemaal op een doodkist aan de voet van het kruis kloppen. De laatste moest een ketting nemen en driemaal rond het kruis lopen terwijl de ketting over de rond sleepte. Het echte meisje zat nietsvermoedend thuis. Haar rust werd plots verstoord toen minnaar nummer vier kwam binnengestormd. Hij zag doodsbleek. Uit zijn blik sprak angst en afgrijzen. Stotterend vertelde de jongeman dat hij op het kerkhof drie dooien had gezien. Nu ja, op een kerkhof zijn doorgaans wel meer dooien te vinden, maar deze lijken waren nog vers, en ze waren niet veilig en wel onder de grond gestopt… ze lagen er nog boven! Want wat was er gebeurd? Hahààà!… De eerste jongen was van schrik van het kruis gevallen toen hij de tweede in een doodkist zag kruipen. Nummer twee geraakte niet meer uit de kist en stikte. En de derde stierf bijna van angst toen hij het lijk van de eerste zag en de wanhoopskreten van de tweede in de doodskist hoorde. Hij kreeg de genadeslag toen hij naast zich iemand met een slepende ketting hoorde naderen… Het verhaal van de vierde greep het meisje zo aan dat ze een beroerte kreeg en stierf in zijn armen. Nummer vier werd er op slag krankzinnig van. Hij sprong in de Schelde en verdronk.
(Via de Oude Koornmarkt wordt er naar de Vlaaikensgang gegaan. Daar staat een Mariabeeldje. Ostentatief houdt de gids zijn handen voor zijn ogen terwijl hij voorbij het beeldje stapt.)
Niet naar dat beeldje kijken. Het brengt je gegarandeerd ongeluk. Vooruit, stap voort! Of ik laat jullie hier achter! Dat vind ik nu straf. Jullie geloven niet meer in geesten, maar je kijkt wel de ogen uit je kop als je een Mariabeeldje ziet!
(Op het einde van de stemmige gang is een soort binnenplaats. Daar kan het volgende verhaal verteld worden…)
Ooit gehoord van Stans van ’t Gangsken? Zij woonde in de Vlaaikensgang, bij de Oude Koornmarkt. Haar heb ik ook eens goed beetgehad. Stans was eigenlijk voor geen haar te vertrouwen, moet je weten. Ze verstopte zich vaak in de buurt van de ‘schuif’. Daarin werden baby’s te vondeling gelegd door hun moeder, als die niet meer voor hen kon zorgen. Er stonden strenge straffen op, en wie een moeder verraadde die haar kind in de schuif had gelegd, kreeg een vette premie. Stans van ’t Gangsken had al heel wat jonge moeders verklikt en dus ook al heel wat premies opgestreken. Soms perste ze de mensen geld af, die hun kind te vondeling hadden gelegd. Maar op een dag… Op een dag… Op een dag lag er een in dekentjes gewikkelde baby voor de deur van Stans van ’t Gangsken. Het kindje huilde en huilde dat horen en zien verging. Stans wilde het eerst gewoon laten liggen, maar het kind huilde zo hard dat haar buren weldra zouden komen kijken wat er aan de hand was. Dus besloot ze het kind naar de schuif te brengen. Stans geraakte echter maar moeilijk vooruit, want het kind in haar armen werd zwaarder en zwaarder, en op een bepaald moment kon ze het kind niet meer houden en het viel op de grond. Ze verwachtte een doffe klap te horen, maar in plaats daarvan hoorde ze een spottende lach. En inderdaad, het was Lange Wapper die voor haar stond. Hij gaf haar een rammeling die ze nooit meer vergat.
(gemeen lachje – kijkt op)
Stanske van ‘t Gangsken had haar lesje nu wel geleerd. Geen rooie cent heeft ze nog aan de schuifkindjes verdiend!

29.4.06

Stadsspel: Magisch Brugge / De Spoken van Brugge



Onder de titel   De Spoken van Brugge  organiseren wij een stadsspel met schatten- of spokenjacht in Brugge, rond het huis waarover u alles op deze site kunt lezen.

VERHAAL: In Brugge bevindt zich een écht spookhuis, waar indertijd ook een schat is verloren gegaan. Via een medium dat in contact staat met "gene zijde" ontvangt u een aantal boodschappen die u moet ontsluieren en opdrachten die u tot een goed einde moet brengen om nieuwe tips te ontvangen. Slaagt u erin uit te vissen waar dit spookhuis zich precies bevindt? Een spiritistische séance, boodschappen uit de geestenwereld via het ouija-bord, een crimi dinner... en dat allemaal gecombineerd met een stadsspel, een speurtocht, een spoken- en schattenjacht in het hart van Brugge...
CONCEPT: séance/crimi dinner/stadsspel in Brugge.
DOELGROEP: Bedrijven, organisaties, verenigingen, basis -en secundaire scholen (bedrijfsevenementen, personeelsfeesten, teambuilding, educatieve uitstappen... - telkens aangepast aan de doelgroep)

23.4.06

Schattenjacht/spokenjacht Brugge





Een kleine nachtmuziek

Een kleine nachtmuziek weerklinkt in het verdoemde huis, ook wel Den Noodt Godts genoemd. Kinderen uit de buurt klimmen op elkaars schouders om een glimp op te vangen van de vleugelpiano, die door de laatste bewoners werd achtergelaten. Het deksel van het klavier is open geslagen. Voor de vleugel houdt een pianostoeltje trouw de wacht. En iedere nacht weer klinkt die prachtige ingetogen muziek door de straat.
Jaja, luister maar, maatje... En kijk rustig rond. Op dit middernachtelijke uur zul je in het hele huis geen levende ziel te zien krijgen. In alle vertrekken is het aardedonker, behalve dan in de kamer waar de piano staat die iedere nacht dezelfde wondermooie melodie speelt, gevangen in een web van wit licht.
Eine kleine Nachtmusik van Wolfgang Amadeus Mozart.
Wat zeg je? Dat je de pianist niet ziet? Dat de toetsen van het instrument niettemin op en neer gaan, door onzichtbare vingers beroerd?
Zo is het, maatje... Zo is het. Vreemd hé?
En kijk daar... Een mooie jongedame danst op de tonen van Een kleine nachtmuziek dwars door de gevel van het vervloekte huis dat we zoeken. En ze verdwijnt in de nacht en de nevel. Zie je? En hoor je? Hoor je het ratelen van de wielen van een koets op de glanzende kinderkopjes van de straat?
Een prachtig rijtuig verschijnt om de hoek. Het is bespannen met twee gitzwarte paarden. Op de bok zit een sinister heerschap - donker, oud, somber. Het heerschap treuzelt even, legt dan de zweep over de paarden en...
Als je ooit de behoefte zou voelen deze koets en koetsier te volgen, maatje... Iedere nacht weer lossen ze op in de ondoorgrondelijke spiegel van het Minnewater...
Men zegt dat de mooie jongedame een Schotse lady was. Dat zij in het vervloekte huis dat we zoeken ooit Een kleine nachtmuziek speelde voor een vriend - een afstammeling van de Menapische druïden die hier vroeger woonden.
Deze vriend, die druïde, had zich gespecialiseerd in het vervaardigen van ‘wassen poppen des doods’. Ooit gehoord van...? Nee? Luister dan... Heksen en tovenaars werden destijds wel vaker ingeschakeld om een of andere ‘liefdesbewerking’ tot stand te brengen. Door hun tussenkomst kon een grote liefde veroverd of een gebroken hart gewroken worden. Een hinderlijke echtgenoot zou dan plotseling hevige pijnen lijden, met de dood tot gevolg. De wassen poppen des doods waren op zijn minst 6 centimeter groot En ze kregen mee: 2 nagels, afgeknipt van vinger of teen; 4 haarlokken; 1 kledingstukje van de te treffen persoon; 4 hosties, gewijd. De beeldjes werden gedoopt met de naam van het slachtoffer en daarna onder de verschrikkelijkste verwensingen doorstoken met gloeiende of giftige spelden.
De Schotse lady verzocht haar vriend een wassen beeltenis te gebruiken tegen een chagrijnig stuk chirurgijn. Dat was haar liefste koosnaampje voor haar oude rijke echtgenoot. Maar het chagrijnig stuk chirurgijn vermoedde wat en verving zijn afgeknipt stuk vingernagel door een lok haar van de verdorven druïde.
Ik heb me laten vertellen dat het chagrijning stuk chirurgijn met een versgeslepen slagermes achter zijn Schotse lady aan ging, terwijl haar druïde bezweek onder helse pijnen. Dat de Schotse lady onderdook in het Begijnhof en dat haar echtgenoot zijn wraakzucht wegspoelde met brandewijn in verre buitenlanden.
Men fluistert dat ze berouw kreeg en iedere dag boete deed voor haar wandaad, terwijl ze slecht Frans en Engels door elkaar brabbelde met de begijntjes en ondertussen angstig door hun gordijntjes gluurde. Alsof ze verwachtte daarbuiten plots een chagrijnig stuk chirurgijn te zien opdagen, het versgeslepen slagersmes in de hand.
Ten slotte begon ze radeloos door de stad te dwalen. Dan kon men haar uit het Begijnhof zien komen en langs het Minnewater lopen. Je zag haar bij het paleis van Gruuthuse, bij de Dyver en de Basiliek van het Heilig Bloed en op het Biskajerplein. Ze hield even halt aan een leegstaande huis waar ze ooit een kleine nachtmuziek speelde voor een verdorven druïde. Ze liep langs de lange Augustijnenrei naar het Zand en verdween uiteindelijk en iedere keer weer spoorloos in het aloude Begijnhof.
Steeds dezelfde route volgde de Schotse lady, alsof ze ergens op haar weg iets had verloren waar ze iedere dag weer naar op zoek hoorde te gaan. Soms kon men haar horen fluisteren: ‘Mijn lieve druïde... Waar is mijn lieve druïde gebleven?’
Wie haar op straat of op een plein, langs een rei of bij een kaai ontmoette, dacht onwillekeurige aan een verdwaalde toeriste. In de winter droeg ze onveranderlijk dezelfde zwarte paraplu en in de zomer dezelfde groene parasol.
Op een goede dag zag men haar echter nergens meer verschijnen. De politie stelde een onderzoek in. Een gendarme vond haar lichaam in het vervloekte huis dat we zoeken…
Het lag op haar bed, dat doorweekt was van het bloed, en hoe hard de gendarme ook zocht - haar hoofd was daar niet meer te vinden. Ik heb gehoord dat het chagrijnig stuk chirurgijn dit lichaamsdeel op een vakkundige wijze van de rest van haar lichaam heeft gescheiden. Dat hij onverwachts was teruggekeerd uit een ver buitenland en dat hij zijn Schotse lady had aangetroffen, in gedachten verzonken voor wat ooit hun huis was geweest. Men zegt dat hij - toen haar straf was voltrokken - met haar hoofd in de armen op de bok van zijn rijtuig is gesprongen, bespannen met twee gitzwarte paarden. En ten slotte weet men nog te vertellen, maatje, dat hij met koets en hoofd en al in het Minnewater is gereden.
Ja hoor, jij kunt daar ook nog steeds getuige van zijn. Als je dat wil, kun je haar in de winter nog steeds uit het Begijnhof zien verschijnen, haar zwarte paraplu in de hand. Of je kunt haar langs het Minnewater zien flaneren. Of, in de zomer, kun je haar in gedachten verzonken onder een groene parasol voor dit verdoemde spookhuis zien staan.
Ze verstopt zich achter een standbeeld of een hoge boom en springt dan plots te voorschijn. Als je schrikt, zal ze verlegen zwaaien met haar groene parasol of haar zwarte paraplu. Ze zal er zo écht uitzien dat je haar zou willen vragen waarom ze zo ouderwets gekleed gaat. Maar voordat je haar iets hebt kunnen vragen, heeft ze zich alweer haastig teruggetrokken achter een struik.
Misschien hoor je haar nog fluisteren: ‘O mijn lieve druïde... Waar ben je gebleven?’
En je draait je om, maatje... En er is al niemand meer...
In deze boodschap zit een plaats verborgen. Welke?





Het Zwartfluwelen Halsbandje

Ooit zag een Frans toerist in het licht van elkaar snel opvolgende bliksems een jongedame zitten op de stoep van het vervloekte huis dat we zoeken. Ze snikte zachtjes onder haar zwarte paraplu. Ze was van een onaardse schoonheid. De man naderde haar omzichtig. Zij sloeg verlegen haar ogen naar hem op. ‘Alstublief, meneer,’ smeekte ze. ‘Ik zoek een plaats waar ik kan schuilen voor het onweer... Maar ik durf dit huis niet alleen binnen te gaan... Ik durf hier niet alleen achter te blijven, vannacht...’ Hoe zou hij haar smeekbede kunnen weerstaan? De jongedame opende de deur van het huis. De Franse toerist hielp haar uit haar mantel, die doornat was geworden. Om haar hals droeg ze een bandje van zwart fluweel, dat gesloten was met een kostbare diamanten broche. De zonderlinge jongedame legde zich te slapen en de Franse toerist waakte de hele nacht voor haar deur. Af en toe dommelde hij even in, en dan meende hij ergens in het huis Een kleine nachtmuziek te horen. De volgende ochtend ging hij een kruik melk, brood en kaas halen. De jongedame sliep nog; hij maakte haar niet wakker. Ze was zo mooi als ze sliep. Haar zwarte haren contrasteerden fel met haar wasbleke huid, haar bloedrode lippen. Toen hij in het huis terugkeerde, sliep de jongedame nog steeds. Haar hoofd hing over de rand van het bed. Hij raakte haar zachtjes aan, maar ze werd niet wakker. Haar hand was ijskoud. Hij voelde geen polsslag meer. De Franse toerist schreeuwde de hele straat bij elkaar. Er verscheen een gendarme, die bij de aanblik van de zonderlige jongedame terugdeinsde. 'In Godsnaam, meneer!' riep hij uit. 'Hoe komt deze vrouw hier!? Zij werd jaren geleden door haar man onthoofd! Een chagrijnig stuk chirurgijn, meneer! Zij werd onthoofd met een versgeslepen slagersmes! Ik herinner het mij nog als de dag van gisteren!' De gendarme trok het zwartfluwelen halsbandje los. En het hoofd, het hoofd van de Schotse lady viel op de vloer en rolde tot voor de voeten van de Franse toerist, waar het hem aanstaarde met grote glazige ogen...

De Nood Gods

Het huis dat we zoeken, wordt al sinds de vroege middeleeuwen Den Noodt Godts genoemd. Het werd in 1616 grondig verbouwd en in 1970 gesloopt. Alleen de gevels en de poort zijn bewaard gebleven. Ooit lag dit slapeloze oude huis op wandelafstand van zowel de kaaien als de woonwijken van de rijke kooplui – Spanjaarden, oosterlingen, Florentijnen. Toen het Zwin verzandde, bleven de meeste paleizen in vreemde handen, want de Brugse reders en kooplui dreven nog steeds handel met Spanje, Engeland, Oost- en West-Indië.
In 1873 huurden lord en lady Unlacke Den Noodt Godts van een Brugse handelaar. Het was er donker en koud. Er waren kamers waar de zon nooit kwam en het huis bezat de onaangename geur van zwavel en pek. Misschien was het de lange en duistere geschiedenis van Den Noodt Godts die het huis zo deed stinken. Hoe dan ook, in de herfst van 1878 zag lady Unlacke een sneeuwwitte gedaante over de binnenplaats zweven. Ze dacht eerst aan de Schotse lady, maar het bleek een non te zijn, gekleed in een habijt dat al een paar eeuwen niet meer werd gedragen. Ter hoogte van de schouder was het gescheurd en was haar blanke huid bevlekt met bloed. Korte tijd later nam lord Unlacke het silhouet van een monnik waar, met een grimmig gezicht. Net zoals de schim van het mooie jonge nonnetje leek hij allerminst gehinderd te worden door muren of gesloten deuren. De monnik prevelde iets dat lord Unlacke niet kon verstaan.
Nu was de zus van lady Unlacke niemand minder dan Florence Marryat, een befaamd schrijfster en spiritiste. In de zomer van 1879 nodigde lady Unlacke haar zus Florence en haar verloofde uit in Den Noodt Godts, om een onderzoek in te stellen naar de spookachtige fenomenen. Zij brachten de helderziende William Eglinton mee, een ervaren medium en bemiddelaar tussen deze en gene zijde.
De heer Eglinton koos een kamer in het huis die een goed uitzicht had op de binnenplaats, omdat de geesten van de monnik en de non zich daar bij voorkeur leken te vertonen. Toen begon het lange wachten. Vanuit het raam van zijn kamer kon hij de Augustijnenrei zien, waarachter zich armoedige huisjes met moestuintjes bevonden. Het water van de rei lag er zwart en roerloos bij. Er bevond zich niemand op de kleine aanlegsteiger. Op straat leurde een vrouw met schelpdieren. Twee mestrapers betwistten elkaars territorium als grommende honden. Was alle moeite dan voor niets geweest? De ellendige rit van Londen naar Dover, de lange en oncomfortabele bootreis naar Brugge, het in- en uitladen van zijn bagage waarbij hij een beroep moest doen op brutaal personeel... en dan deze Noodt Godts: veelbelovend, maar verwaarloosd. Het huis had een slechte naam, maar daar leek het ook bij te blijven. De heer Eglinton daalde de trappen af naar het salon van Den Noodt Godts. Lang geleden was dit huis een vrouwenklooster geweest, en volgens de overlevering was het mogelijk om via een onderaardse gang het Augustijnerklooster te bereiken, aan de overkant van het water. De voormalige kapel was nu ingericht als salon en het hele gezelschap zat er thee te drinken.
De heer Eglinton installeerde zich met een kop thee op de sofa. Het gesprek verliep voornamelijk in het Frans - een taal die hij niet machtig was - en hij verzonk algauw in sombere overpeinzingen. Toen sprong hij plotseling hevig rillend op. ‘Breng mij naar de kamer hierboven!’ Zijn handen bewogen nerveus; hij kon met moeite rechtop blijven staan. Op de trap verstijfde de heer Eglinton - en zo wankelde hij ook de kamer binnen: stijf als een plank. Hij zette voorzichtig een paar stijve stappen, uitte een onverstaanbare kreet, liep naar links, naar rechts. Opnieuw een kreet en toen... Toen begon de heer Eglinton opeens te worstelen met een onzichtbaar iemand. Het hele gezelschap liep de gang op, bevangen door een panische angst. Alleen Florence Marryat en ik bleven achter bij de heer Eglinton. ‘Hortense o Florence!’ gilde de heer Eglinton. ‘Blijf bij mij! Blijf bij mij!’ De deur vloog met een harde klap dicht. De zware gordijnen waren gesloten en lieten nauwelijks licht binnen, maar toch konden Florence en ik het heel duidelijk zien... Het gezicht van de heer Eglinton... Het vertrok in een grimas van haat en kwaadaardigheid. Hij gromde en knarste met zijn tanden terwijl hij vocht met een schim... niet van de non, maar van de monnik. De schim droeg een pij, de kap was achterover geslagen, het hoofd was kaal geschoren en de ogen in dat angstwekkend magere gezicht... Verschrikkelijk!
En toen… begon de verschijning te spreken! ‘Ik leef... als een beest leeft dat bijna de nek is doorgebeten en voor dood werd achtergelaten, maar toch nog leeft...’ zei de verschijning. ‘Zo leef ik...’
We vermeden het in elkaars ogen te kijken terwijl we ons opnieuw verzamelden in het salon. Lady Unlacke zette verse thee. Het eerste kwartier zweeg iedereen. Toen haalde lord Unlacke een fles Ierse whiskey boven en kwam er een aarzelend gesprek op gang waaraan iedereen deelnam. Iedereen, behalve de heer Eglinton. Hij greep een olielamp en stapte een aangrenzende kamer binnen. Op veilige afstand volgde het gezelschap hem. In de kamer namen we een blauwachtig schijnsel waar en opnieuw verscheen de monnik. Deze keer liep niemand weg.
‘Wie bent u? Kunt u me horen?’ vroeg de heer Eglinton. Zijn stem leek overal en nergens vandaan te komen en ze klonk alsof hij in een glas of in een beker sprak. En de stem van de monnik... Zij leek uit de muren te komen, uit de middeleeuwse muren van het eeuwenoude vervloekte huis dat wij nu zoeken...

1498… Aan beide kanten van de Augustijnenrei ligt een klooster - aan de ene kant een mannenklooster, aan de andere kant een vrouwenklooster. De broeders bezoeken de zusters om missen op te dragen en hun biecht te horen. Haast niemand weet dat beide kloosters verbonden zijn door een onderaardse gang die onder de Augustijnenrei doorloopt... Maar deze ene Italiaanse monnik weet het. En deze ene mooie jonge non weet het. En in het geheim sluipt de monnik door de gang en bezoekt hij zijn geliefde... ‘Kom met mij mee,’ fluistert hij haar in het oor. ‘Verlaat het klooster en volg mij...’ Het nonnetje voelt wel iets voor haar Italiaanse aanbidder, maar ze voelt meer voor haar hemelse bruidegom. Haar weigeringen om op zijn voorstellen in te gaan, haar dreigementen ten slotte dat zij haar overste zal inlichten... Ze maken de Italiaanse monnik gek van woede. Op een avond legt hij zich bij de kapel in een hinderlaag. Wanneer zij de kapel verlaat, springt hij te voorschijn en vraagt haar met aandrang, voor de allerlaatste maal: ‘Loop samen met mij weg uit het klooster! Kom en volg mij naar Italië!’ Het nonnetje probeert nog haar klooster binnen te vluchten, maar hij haalt haar in en brengt haar met verscheidene steken van een versgeslepen slagersmes om het leven. En hij sleept haar levenloze lichaam naar de onderaardse gang en graaft een ondiepe put waarin hij het lijk van zijn geliefde verbergt. En hij verwijdert haar bloedsporen en keert terug naar zijn cel.
Toen de geest van de monnik alles had opgebiecht wat hij op te biechten had, viel er een stilte. Daarna vroeg hij veel voor hem te bidden. Hij snikte, verborg zijn gezicht in zijn handen en loste op in het niets.
‘Gelieve mij even te excuseren,’ zei de heer Eglinton. ‘De bekentenis van de Augustijnermonnik heeft mij uitgeput. Ik ga naar bed.’ Lord en lady Unlacke, Florence Marryat en haar verloofde... zij brachten de nacht wakend door. Wakend en zwijgend. Bij het eerste ochtendkrieken serveerden de bedienden met verwonderde blikken een vroeg ontbijt. Zij hadden hun kamers niet verlaten en wisten niets af van het hele gebeuren.
De heer Eglinton ontbeet samen met zijn gastheer en gastvrouw, met de schrijfster Florence Marryat en haar verloofde. Hij sprak geen woord. Vervolgens maakte hij een lange wandeling. Er gebeurde die dag niets belangwekkends meer. Tot 's avonds.
De heer Eglinton kreeg zware stuiptrekkingen en leek in een coma te vallen. Opeens doofden alle kaarsen in Den Noodt Godts. En toen zag ik het ook, maatje... Op het voorhoofd van de heer Eglinton gloeide een kruis, vlak tussen de wenkbrauwen. Het verlichtte de kamer zelfs een beetje. We namen een flauwe luchtverplaatsing waar en... ‘Hortense Dupont,’ zuchtte de heer Eglinton met een zachte, diepe, vrouwelijke stem. ‘Bid voor mij. Ik werd vermoord door een Italiaanse monnik. Bid voor hem. Zijn naam zal ik nooit noemen... Hij was éénendertig, ik was drieëntwintig. Hij had mij lief en ik had hem lief en... Bid voor ons.’ Ik zag Hortense Dupont ook even verschijnen. Ze was helemaal in het wit gekleed. In haar handen hield ze een kruis dat ze op haar borst drukte. Haar blik had ze naar de grond gericht. Ze leek te wenen.
Lady Unlacke verzocht de bedienden een lichte maaltijd te serveren, wat niet eenvoudig was op dit uur van de avond. Daarna bad iedereen tot de ochtend in de lucht kwam. Nog dezelfde dag reisden de heer Eglinton, Florence Marryat en haar verloofde terug naar Londen. En ik... Ik wuifde hen uit, maatje. Ik wuifde hen uit.
Opdracht:
In het begin van de twintigste eeuw was er een beruchte inbreker actief in Brugge. Omdat niemand hem ooit ergens hoorde inbreken, werd hij ‘Kousenvoeten’ genoemd. Hij liep trouwens letterlijk op kousenvoeten, om geen gerucht te maken. Uiteindelijk werd hij toch gesnapt en opgesloten. Kousenvoeten ontsnapte en begon opnieuw in te breken, eerst in een huis in de Kartuizersstraat, dan in een huis op de Oude Burg, vervolgens in de Uilenspiegelstraat, dan weer in de Spanjaardstraat, en bij de Ezelbrug, en in de Nieuwstraat, en in de Venkelstraat, en weer op een huis in de Oude Burg en…Weet jij in welke straat de inbreker nu zal toeslaan?

Kom, daal nu maar af met mij in de kelders en krochten van het huis dat we zoeken... In het licht van mijn toverlantaarn zullen zij veranderen in een majestueus grote en mooie grot. Men fluistert dat er ergens een schat verborgen moet zijn in de kelders van Den Noodt Godts. Maar niemand heeft het ooit aangedurfd de onderaardse ruimten helemaal te verkennen. En de enkelingen die toch een poging hebben gewaagd om de geheimen van het verdoemde huis te ontsluieren, zijn nooit teruggekeerd. Dus volg me maar, maatje. Kom en volg de gids, dieper en dieper in de onderaardse krochten van Den Noodt Godts. Wonderbaarlijk groot zijn ze, deze kelders. Het hele verdomde huis is erop gebouwd. Ruik je die dodelijke geur al? De doodse stank van het dode water? We bevinden ons nu op een ondergrondse loskade. En het is deze lucht... De lucht die jij, nu, op dit eigenste moment in je longen zuigt, maatje... Het is deze lucht die op sommige dagen dit vervloekte huis vergiftigt. Kijk naar de barsten in de wanden en in de pijlers van de gewelven. Op een of andere dag stort het huis nog in en dan...? Wat dan...? Buig je voorover en kijk... Kijk daar om die hoek, aan deze kant van het water... Wat zie je, maatje? Een stenen trap? Prima! Kun je ook zien waar die heen leidt? Nee? Het moet de onderaardse gang zijn die onder de rei door loopt en ooit het Augustijnenklooster met het nonnenklooster verbond. Arbeiders die werken aan het huis hebben uitgevoerd, bevestigden mij dat ze een tunnel onder de rei hebben dichtgemetseld waartoe je toegang kreeg vanuit het gebouw waarin de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling gehuisvest werd, beter bekend als de VDAB. Bedienden van deze dienst verzekerden mij dat de kelders in de gangen werden dichtgemetseld. Volg je me nog? Hier, kijk... Op deze foto zie je een parking... Dat was ooit de binnenplaats van Den Noodt Godts. En hier zie je de Augustijnenrei... De plaats waar vroeger de aanlegsteiger was... Vanaf die steiger, onder het water door naar de overkant, loopt de gang waar wij ons nu bevinden. In 1965 stond Den Noodt Godts op instorten, maatje, met scheuren in de muren die gevaarlijk overhelden en met funderingen die zo goed als volledig waren weggerot. Een halve eeuw eerder waren enkele bewoners van het huis in de kelders afgedaald en zij hadden daar een stenen trap gevonden die uitkwam op een zwaar bespijkerde eikenhouten deur. Opgewonden omdat ze blijkbaar op het spoor waren gekomen van iets hoogst geheimzinnigs - misschien wel de verborgen schat waarover oude legenden spraken - lichtten de werklui de deur uit haar hengsels.
Toen lag daar voor ons een nieuw ondergronds krocht waarin de olielampen doofden door een gebrek aan zuurstof. De werklui haalden een hoop kaarsen en waagden zich nogmaals in de bedorven lucht van de kelder. Op de wanden troffen ze niet alleen zwammen aan, maar ook halfvergane tapijten die met goud waren bestikt en... Tempelierskruisen!
In het midden van de kelder stond een plompe houten tafel met dertien stoelen. Dertien. De koperen nagels waren groen uitgeslagen. Groen. Volg je nog, maatje? Op een stoel, aan de tafel, zat een heer die zijn knokige arm om de schouders van een jongedame had geslagen. Mummies... Mummies waren het. Mummies met geelbruine perkamenten gezichten en lege oogkassen, die eeuwenlang versteend aan de tafel hadden gezeten waarop hun laatste avondmaal was opgediend...
De Tempelridder en zijn Dame in de kelders van Den Noodt Godts... Welk drama heeft hen hier in de dood verenigd? De ridder hield nog een brokje houtskool tussen zijn benige vingers, waarmee hij op het hout van de tafel met zijn laatste krachten een laatste boodschap had geschreven: Ons stervensuur nadert: mager, bleek en ontvleesd. Vergeef het ons, Heer! Dat zij die onze asse, onze vergane beenderen vinden, voor ons bidden! Maar er werd geen asse en er werden geen beenderen gevonden. De vreemde samenstelling van de lucht in de poederdroge kelder had de Tempelier en zijn Dame gemummificeerd. Er zat nog een andere deur in de kelder dan die waardoor wij naar binnen gedrongen waren, maatje. Die tweede deur viel echter in stof uit elkaar toen wij haar aanraakten. Er lag een nieuwe onderaardse gang achter. De bodem was bedekt met slijmerig slijk waarin vette padden en hagedissen nestelden. In deze gang, die naar het nonnenklooster aan de overkant van de rei leidde, troffen wij het skelet aan van een derde persoon, bij een roestig slagersmes.
Nu vraag ik je, maatje... Welke verschrikkelijke mysteries liggen er besloten in de ondergrondse ruimtes van Den Noodt Godts? Was de dame de bruid van de man met het slagersmes geweest? Werd zij geschaakt door de Tempelier, die behoorde tot een ridderorde die wegens ketterse praktijken in de ban van de kerk werd geslagen? Sloot de man met het slagermes hen hier op om ze de hongerdood te laten sterven? Of was er iets heel anders aan de hand?
Waarom stonden er bijvoorbeeld dertien stoelen rond de tafel, als bij een parodie van het Laatste Avondmaal? Welke vreemde, godslasterlijke rituelen vonden hier plaats? Kijk, maatje... Hier heb je een kaart van het middeleeuwse Brugge. Ze verschilt weinig of niet van een stadsplan uit deze nieuwe eeuw. Zie je?
De stad heeft nog steeds de vorm van een doolhof, van het binnenwerk van een horloge, van een onoverzichtelijke spiraal die zich niet stoort aan de wetten van tijd en ruimte. Een argeloze toerist die niet voorzien is van kaart of kompas moet hier reddeloos verloren lopen, maatje. Hij of zij zal voortdurend op zijn of haar vertrekpunt terugkeren, en weet je ook waarom? Nee? Omdat hij of zij misleid wordt, maatje, door de middeleeuwse architecten die deze stad verloren hebben gelegd in hun zwartmagische kringen en slingeringen! Dààrom! Omdat elke geschiedenis in deze stad gedoemd is zich te herhalen tot het einde der tijden, maatje! Dààrom! Omdat de Machten van Goed en Kwaad hier al eeuwenlang hun eeuwige strijd leveren! Dààrom!